Licht

Bij huis 33, als we goed hebben geteld, is de vraagprijs te hoog en zitten de ramen te laag. In de slaapkamers moet je bukken om naar buiten te kijken. ‘Het heeft daardoor echt zo’n romantische, Engelse sfeer’, zegt de makelaar. We zijn de negende afspraak vandaag, er zijn ongetwijfeld al biedingen binnen.

We kijken door de Engelse sfeer naar de achtertuin, waar twee kale leibomen staan. Handen zoals kleuters die wel tekenen, met een veelvoud aan vingers op onlogische plekken. Onder een van de bomen ligt een lekke voetbal, vermoedelijk bij de voorbereidingen over het hoofd gezien, te getuigen van menselijk leven. We lopen de slaapkamer uit, de badkamer in. Er sleept een vruchteloos verlangen achter me aan. Een vreemde, heimelijke hoop, steeds vaker vermengd met allerlei kinderlijke bijgedachten. Er hoeft maar één eigenzinnige miljonair te zijn die gedurende zijn leven zo genoten heeft van poëzie dat hij zijn favoriete dichters een ton nalaat. Eén ruimhartig gebaar van een onbekende en de streeploos gepoetste, glazen deuren van de toekomst zwaaien open. Het is toch niet ondenkbaar iemands favoriete dichter te zijn? Het is toch niet volstrekt onmogelijk?

‘De badkamer heeft duidelijk wat liefde nodig’, zegt de makelaar. Hij tikt tegen de mosgroene tegeltjes boven het bad. ‘Maar dan heb je ook een royaal geëquipeerde ruimte.’ Ik kijk naar de hagelwitte handdoeken die nonchalant op een houten rekje liggen en vraag me af of ze werkelijk van de bewoners zijn. Misschien nemen makelaars zulke dingen zelf wel mee. Het veldboeket op tafel, de witte handdoeken, geurstokjes van cederhout. Alsof dat allemaal nog nodig is; de woningmarkt is een stoelendans geworden waarbij de muziek permanent uitstaat. ‘Als u het goed vindt lopen we door naar de zolder’, zegt de makelaar. ‘De agenda is wat strikt vandaag.’ In de hal kraken de brede vloerplanken onder onze voeten. Ik denk aan de lekke bal in de achtertuin, het kind dat daar mogelijk bij hoort en dat zich later dit huis zal herinneren. Niet de kosten maar de aard. De kleur van de badkamer, de bomen in de achtertuin, het kraken van planken.

De enige miljonair die ik van nabij gekend heb hield trouwens alleen van Goethe en Rilke. Dát waren vaklieden; hij kende heel wat strofes uit zijn hoofd. Daarnaast verzamelde hij zeegezichten, klokken en antieke bijbels. Zijn grootste liefde was een loensende Siamees. Het lokale asiel kreeg na zijn dood een bijzonder opbeurend bedrag. Ik kon hem geen ongelijk geven. Welke dichter springt ooit spinnend op schoot?

‘Hier kunt u het licht binnenhalen’, zegt de makelaar op zolder. Zijn hand tekent een groot, denkbeeldig raam in het schuine dak. Als ik hier woonde zou ik hier dagelijks gaan zitten, aan een oude werktafel. Precies in het midden, onder het dak. Kijkend hoe het licht binnenvalt, hoe de seizoenen verglijden. Dan zou ik proberen me niet langer onophoudelijk te schamen voor mijn eigen geluk.

Herfstdag

Heer: het is tijd. De zomer was zo rijk.
Leg nu uw schaduw op de zonnewijzers
en laat de winden op de velden vrij.

Beveel de laatste vruchten rijp te zijn;
verleen ze nog twee zuidelijker dagen,
bereid ze tot volkomendheid en jaag
een laatste zoetheid in de zware wijn.

Wie nu geen huis heeft, bouwt er geen meer.
Wie nu alleen is, zal het lang nog blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven
en rusteloos door lege lanen dwalen
als bladeren op de herfstwind drijven.

Rainer Maria Rilke
Wie nu alleen is Uitgeverij Bert Bakker
Vertaling: Menno Wigman