Muziek

Licht en lucht

MUZIEK Blonde Redhead

Bands evolueren soms zo ver door dat hun origines na een aantal jaar slechts nog met een loep zijn waar te nemen. Zo begon Talk Talk begin jaren tachtig als een van de vele synthpopgroepen, en maakte aan het einde van dat decennium plotseling Spirit of Eden: een pastorale plaat, ergens eenzaam luierend in het niemandsland tussen jazz en avant-garde. David Sylvian sleepte zijn band Japan door periodes van glamrock naar complexe new wave, en heeft solo een aantal pure ambientplaten op zijn naam staan.

De spoeling van zulke muzikale wedergeboortes is dun. Veel bands hebben nu eenmaal geen behoefte aan zo’n totale transformatie, en diegenen die het misschien wel zouden willen durven niet goed. Het New Yorkse Blonde Redhead mag zich inmiddels wel rekenen tot dit bescheiden gezelschap. Aan de mediagenieke bezetting van de band is niks veranderd – één frêle Japanse zangeres, geruggensteund door een Italiaanse identieke tweeling – aan de muziek des te meer. De band begon als protégé van noiserockgoeroes Sonic Youth: schurende gitaarpop, dwarse structuren, gewelddadige uitbarstingen. Ondanks alle overeenkomsten bracht Blonde Redhead altijd iets ontegenzeggelijk eigens mee: de exotische touch van de piepende lolitastem van Kazu Makino, een altijd wat vage zweem van belezenheid (vast door pretentieuze titels als Speed x Distance = Time en In an Expression of the Inexpressible), en vooral een vervreemdende, altijd ietwat mistroostige sfeer. De band brak nooit écht door, mede door het eeuwige Sonic Youth-juk, waarschijnlijk.

Een juk is er om afgeworpen te worden. Schijnbaar vanuit het niets tekende de band bij 4ad, een label dat vooral bekendstaat om etherische bands als Cocteau Twins, die erg ver verwijderd zijn van de schuursponsgitaren van Blonde Redhead. Toch bleek de overstap te kloppen. Niet het label maakte ruimte voor de band, maar de band leek zich te hebben gevormd naar het label. Misery is a Butterfly uit 2004 stond vol met filmische, atypisch luxueuze droompop, ogenschijnlijk lieflijk maar met een zompig moeras aan duisternis erachter. Net zo min makkelijke muziek als hun oude werk, maar je vangt nu eenmaal meer luisteraars met stroop dan met azijn, moet de band gedacht hebben.

Nu is de muzikale draaikonterij ten einde. Op 23 is het uitkristalliseren geblazen. Ook daarin houdt de band niet van half werk: de bittere, topzware melancholie van de voorganger is met een schuimspaan van de muziek afgeschept. Blijft over: een veel volwassener plaat vol licht en lucht, waar meer ruimte overblijft voor subtiliteit. Die zit in de muziek: luchtige elektronica, galmpiano’s en fluwelen synthesizers, maar vooral in de toon van de plaat. Nergens op 23 worden emoties gedicteerd: er is vooral ruimte voor eigen interpretatie. De ijle melodieën broeien weliswaar van dramatiek, maar ze stromen er nergens van over. Zo kan Silently hoopvol, theatraal, zwaarmoedig, of juist naïef en lichtvoetig zijn. De luisteraar is de enige die dat bepaalt. Nu is natuurlijk wel meer muziek multi-interpretabel, maar Blonde Redhead verheft het hier tot ware kunst. 23 is een krachtig ingetogen groeiplaat, een sluitend bewijs dat de stilste wateren de diepste gronden hebben.

Blonde Redhead, 23 (4AD)