Margriet de Moor

Lichte en zware toetsen

Margriet de Moor, Kreutzersonate

Uitg. Contact, 141 blz., ƒ31,95

Toeval is te gemakkelijk, en een duister voorgevoel kun je het ook niet noemen. Hoe had een schrijver kunnen weten dat de onheilspellende ondertoon van haar nieuwe roman zo dicht tegen de gruwelijke werkelijkheid aan zou schuren? In Kreutzersonate van Margriet de Moor geeft de continue dreiging van vliegtuigongelukken het vertelde een extra bedding. Twee donkere verhalen, die van een liefdesmoord en een vliegtuigongeluk, komen uitgekiend samen. Aan het einde van de roman stort een vliegtuig nota bene bij New York neer. Hoe kan dit, vraag je je verbijsterd af, uitgerekend nu? Waarschijnlijk was de dreiging van vliegtuigongelukken slechts achtergrond, maar door 11 september is alles veranderd, zelfs in de literatuur.

Kreutzersonate is een kleine roman vol verwijzingen. Het verhaal springt in de spiraal die door Beethoven, Tolstoj en Janácek in gang is gezet. Beethoven componeerde een sonate die alleen Kreutzer zou kunnen spelen, Tolstoj schreef een novelle waarin huwelijk en jaloezie verweven raken met de onheilspellende kracht van de muziek van Beethoven, en Janácek componeerde op zijn beurt weer een strijkkwartet dat juist een lichtere toets aan Tolstojs moralistische verhaal moest geven. De Moor maakt haar Kreutzersonate weer enkele tinten zwaarder door gevaar de boventoon te laten voeren.

In alle Kreutzersonates draait het om muziek, een vrouw en een jaloerse man. Zo ook in het verhaal van De Moor. Maar uiteraard trekt De Moor haar eigen plan en knipoogt zij speels naar haar inspiratiebronnen. Bij Tolstoj wordt de vrouw vermoord, bij De Moor is dat een poging tot doodslag. Een afzijdige verteller vertelt Tolstojs verhaal in een trein, De Moor laat een licht manipulerende «ik» tijdens vliegreizen aan het woord. Tolstoj gaf een zedenschets van de man-vrouwverhoudingen van zijn tijd, De Moor laat in losse toetsen een modernere en lichtere versie hiervan passeren.

De hoofdrol in alle verwijzingen is echter voorbehouden aan Janácek. Zijn muziekstuk zal de genadeklap betekenen voor de liefde: in zijn muziek houden zich venijnige noten schuil die de hoofdpersoon, de blinde muziekcriticus Marius van Vlooten, tot een akelig jaloerse man maken. Hij raakt meegesleept door iets dat zó in zijn brein wordt gegoten dat weerstand bieden uitgesloten is. Want welke blinde muziekcriticus, verslaafd aan zijn gehoor, kan zijn oren sluiten voor de vioolpartij van zijn geliefde? «Don’t play the notes, humanize them», was haar nog meegegeven, zodat de jaloezie volledig in Van Vlooten kon postvatten.

Het verhaal van deze tragische liefde wordt opgetekend door een duivelachtige engel. Als een zenuwtrek doorspekt deze «ik» zijn taal met aforistische uitspraken. «Wind, waarom streel je dit lichaam nog», citeert hij Achterberg. Zulke zinnen maken de liefde tragisch en universeel. Om het universele nog eens te benadrukken, vergelijkt de «ik» Van Vlooten met de mythologische Orpheus. Bijvoorbeeld als Van Vlooten uitlegt dat hij zich om een mislukte liefde door z’n kop schoot, dat overleefde, maar voorgoed blind werd. Sinds die tijd zoekt hij in de onderwereld naar zijn geliefde, die hij net als Orpheus vinden zal, maar toch zal moeten achterlaten. «De pechvogel Orpheus, die smachtend naar het gezicht van zijn eeuwige liefde had omgekeken. Haar zien! Maar op hetzelfde moment was zij al in mist verdwenen», schertst de «ik» enigszins cynisch. Maar het is geen cynisch grapje, deze vergelijking. Aan het eind heeft de «ik» een lezing op zak met de titel De blik van Orfeo. Een abuis? Wilde Orpheus — en dus ook Marius van Vlooten — alleen maar omkijken om zo het beeld van zijn geliefde voor eeuwig in zijn hoofd te kunnen bewaren, zodat hij haar niet aan een ander zou kwijtraken? Dat is voor een jaloerse man die zichzelf om de liefde door het hoofd schiet niet eens zo’n vreemde gedachte.

Nu lijkt het misschien alsof Kreutzersonate een zwaar, diepzinnig boek is. Maar de lezer hóeft niet te pluizen en puzzelen, want de toon van deze roman is etherisch, licht zwevend als het vliegtuig waarin het voornamelijk wordt verteld. Poëtische zinnen als: «Het getande, afhangende zwaard van een zwartgroene palm», staan naast uitgeklede, eenvoudige en scherpe taal. Het verhaal heeft niet meer woorden nodig, het is precies pas. Dat maakt Kreutzer sonate tot een typisch De Moor-boek, dat nauwe raakvlakken vertoont met haar laatste roman Zee-binnen. Daarin is de toon ziltig: zacht-zout, rustig en liefdevol. In Kreutzersonate is de toon iets onrustiger door de muziek, die zeker in het midden van het boek de lezer meesleept in zijn ritme. Maar ook nu zit er liefdevolle compassie in het verhaal. Alsof de vertellers van beide boeken het te stellen hebben met hun personages, die weerloze slachtoffers van een onbedwing bare kracht. Een kracht die zich in Zee-binnen verscholen houdt in een simpele weg en in Kreutzersonate in een meeslepend mooi muziekstuk. Maar als het in zo’n klein hoekje zit, wie kan dan na het lezen van zo’n roman nog onbevangen naar muziek luisteren, of zonder vrees een boek tot zich nemen?