Lichte horror

Ellen Deckwitz, De steen vreest mij, € 14,95

Een lege fles rust tussen de voren,

de akker een trappelzak. Het rooien

van de laatsten, een verhaaltje

in ruil voor ieder krat.

Bijvoorbeeld over de grootvader die zijn kinderen at

(Niet! Zo gaat het niet!):

‘Op een avond dreven ze ons naar het moeras!

Sommigen staken op de zoontjes in. Beter dan

dat ze levend werden onderschept.’ Ook niet?

Eens zien.

Hier, langs de akker, dat ze bomen gaan kappen

die decennia geleden werden geplant.

Dat de grond plooit door wortels, een rimpelblok wordt.

Hoe zij die niet meer kunnen struikelen, protesteren.

Hoewel we gewend zijn onszelf als individuen te beschouwen, als complete eenheden die hun eigen gang gaan, maken we in feite deel uit van een enorm ecosysteem dat niet alleen de aarde, maar zelfs de hele kosmos omvat. De moleculen waaruit we zijn opgebouwd, zijn oeroud en hadden evengoed terecht kunnen komen in een boom of een rivier, wat na ons verscheiden wellicht alsnog zal gebeuren. De genen van mijn voorouders zijn in mij herschikt, miljarden micro-organismen zijn een symbiose met mij aangegaan en ik houd me in leven door materie aan mijn lichaam toe te voegen. Maar mijn geest is, althans dat denk ik, een strikt persoonlijke en onvervreemdbare aangelegenheid.

In De steen vreest mij, het debuut van Ellen Deckwitz (1982), lijken lichaam en omgeving, ik en familie in elkaar over te vloeien, terwijl ook de grenzen tussen leven en dood permeabel zijn. Al in het eerste gedicht vertonen takken zich als 'een donkere rij vingertoppen’, als ging het om de hand van een gestorvene die vanuit het graf naar het licht reikt. De doden zijn even actief als de levenden. En als we tot ontbinding kunnen overgaan, waarom zou dat proces dan niet weer omgekeerd kunnen worden? In het laatste gedicht graaft de spreker haar broertje op:

Mijn donkere koten die in de aarde

rondwaren, woelend

tot een weldoorvoede regenworm

de kieren van een kleine teen doorsnijdt.

Het broertje 'hoest kluiten op’, al blijft het uiteindelijk ongewis of de wederopstanding succesvol is. Maar de tekenen zijn gunstig, gezien een eerder gedicht:

En ik wrijf een steentje uit je oogkas

en ik wrijf je voeten warm. En ik wrijf

een steentje uit je album

en ik sla je vel dan om.

Het doen herleven van de doden is blijkbaar ook een literaire handeling. Overigens verraadt deze retorisch stevig aangezette strofe Deckwitz’ ervaring als performer: in 2009 won ze het Nederlands kampioenschap Poetry Slam. Maar deze poëzie is te subtiel om na één keer lezen, laat staan na één keer horen, haar geheimen prijs te geven. Daar komt bij dat de bundel uiterst zorgvuldig is gecomponeerd, als een complete cyclus van dood naar dood, waarbij de boom, het broertje en een grootvader in steeds nieuwe gedaanten opduiken.

Overheersend is een toon van vervreemding, hier en daar zelfs van lichte horror. De eik bloeit het liefst 'aan de rand van een dodenakker’, want vooral 'lichamen van zondige kinderen/ scheiden een stof af waardoor eiken harder/ groeien en vandaag ben ik twaalf’. Zij zit met haar broertje onder de kwijlende eik en leest het 'braille van de bast’, 'bonkend onder mijn blinde vingers’. De 'likkebaardende bladeren’ waarmee het gedicht wordt afgesloten, suggereren een broeierige en met schuld beladen intimiteit. Op de volgende pagina kruipt het broertje bij zijn zus in bed, 'een oog hangt in zijn hoofd’. Hij fluistert dat hij niet zal instorten, maar het is duidelijk dat dit niet goed kan aflopen.

De oorlogsherinneringen van de grootvader, die kennelijk in een jappenkamp heeft gezeten, dragen bij aan de dreigende sfeer van de bundel. Terwijl de man gespannen zit te kijken naar een documentaire over 'jappen die zich doodwerken’, realiseert de dichter zich dat het gevaar van moord en doodslag altijd en overal loert:

Buiten lachen allochtonen. Hun vlees spant

en een merel valt over de rand.

Mijn broertje stampt

zijn naamvallen.

De weggeblazen straat, waar iedereen een tatoeage wil

als bekend wordt dat jeweetwelwie op gave huiden jaagt.

Het is de vraag of de verbetenheid waarmee de jongen een vreemde taal probeert te leren iets zal uithalen tegenover xenofobie en fysiek geweld. Misschien zijn we gedoemd de fouten uit het verleden te herhalen, omdat het voorgeslacht zich in ons reproduceert. 'De eerderen leer ik steeds beter kennen’, zegt Deckwitz, want 'men herhaalt ze’. Hun handen vormen 'te grote kommen voor mijn borsten, het tocht/ tussen mijn gekromde rug en de holte/ van hun schoot’. We zitten gevangen in een wreed systeem, waarbij zij met wie we ons het meest verwant weten tegelijk onze grootste vijanden zijn.

Als symbool voor de potentieel verstikkende greep van bloedbanden zet Deckwitz een alcoholistische moeder in, die, met een verwijzing naar Lucebert, 'alles van weelde eerloos’ maakt. Op een zonnige dag 'gaf mijn moeder me een ei’, dat echter geen nieuw leven representeert: 'Ik maakte het open, er zat een kooitje in’. En moeder maar lachen, haar 'tanden flikkerden’. Uit zo'n kooi is geen ontsnapping mogelijk.

Als het leven deel is van een eeuwige kringloop geldt dat ook voor de literatuur. Deckwitz verwijst niet alleen naar Lucebert, maar ook naar Nijhoff, wiens dwaze bijen verdroogd zijn, en naar Faverey, wiens chrysanten vergeeld in een vaas staan. Ze refereert aan Ovidius’ Metamorfosen, want 'vroeger is alles’: de oude mythen voltrekken zich steeds opnieuw. Orpheus kijkt om en verliest Eurydice, mensen veranderen in bomen of vogels: 'Mijn rug jeukte, ik dacht/ nu komen vast mijn vleugels door’. Alles verandert, zegt Ovidius, maar niets vergaat. Deckwitz doet het zo: 'We stuiven op,// we stuiven neer. De wind kneedt/ uit het water tijdelijke bergen’. Misschien is dat een troostrijk beeld.