#1

Lichtgewicht

Het is zaterdag twee uur ’s nachts, de wekker gaat. Ik moet opstaan, over een paar uur begint in Vegas het gevecht en ik wil het zien.

Nu m’n bed uit, maar hoe, mijn benen onmogelijk, recht voor zich uit, draai me op m’n zij, een geworstel, niet te doen, ik doe het, pak ze vast, laat niet los en langzaam geven ze toe.

Met gebogen benen beweeg ik me schuivend naar de rand, ik zit, schuif dichter bij de rolstoel, mijn hand op de leuning, de andere op bed, zet me af, ik zit, enigszins, ver genoeg om er niet uit, steeds verder schuivend in de stoel, alles duurt maar ik heb de tijd, dan zit ik stevig op m’n plek, klaar om in het donker te beginnen aan mijn dag.

Alle tijd heb ik voor alles waar ik voor moet zorgen om klaar te zitten, klaar te zijn, om naar buiten en op stap te gaan.

De dag ervoor bleek de pas die ik dacht te hebben aangeschaft om het gevecht op m’n televisie te kunnen volgen mislukt, gelukkig, ergens kijken is veel leuker. Het Ierse café op het Rembrandtplein zou voor het spektakel de hele nacht niet dicht gaan en open zijn. Passen ik en mijn rolstoel er nog bij, had ik aan de eigenaar gevraagd, ‘natuurlijk mop, komt goed’, had hij me laten weten. Spannend.

Het Rembrandtplein waar ik woonde toen alles nog anders was, toen ik nog kon lopen, niet in een rolstoel zat, mijn handen, mijn ogen nog goed werkten, toen ik nog zelf ergens naartoe kon gaan. Nu is alles anders maar is het niet anders, ik wil het zien. De Ierse blaaskaak met z’n geweldige accent uit de duistere delen van Dublin, ik smelt als ik hem hoor. M’n beschaafde Ierse vriendinnen denken daar anders over. Hij heeft de allerbeste bokser uitgedaagd, onmogelijk maar met hem weet je het maar nooit.

Een vriendin heeft beloofd dat ze mee zal gaan, ik bel haar, ze is wakker godzijdank, ze komt eraan. Vroeger stonden we samen achter de bar van een ander Iers café, haar vriend, een bokser, gaat ook en omdat ik het zo graag wil zien, gaat zij met mij mee.

Ik heb haast, wil het niet missen, wanneer het precies begint is voor niemand duidelijk. Hoe eerder ik binnen ben, hoe beter. Ik ben klaar, klik mijn elektrische handbike aan de rolstoel waardoor ik alleen mijn rechterpols hoef te bewegen om snel vooruit te komen. Ik ga vast naar beneden, buiten voelt het spannend, het is donker en stil.

Ze komt eraan en lacht om mijn haast. We rijden door de stille stad, wat een verademing om nu op straat te zijn, door de anders zo drukke straten, midden door het centrum, over de Rozengracht, door de Spuistraat, mijn ogen zijn lastig maar zo zonder verkeer is het zelfs voor mij goed te doen, over het Spui doorsteken naar de Reguliersdwars, daar is het druk, na de hele nacht gefeest staat nu iedereen op straat, gelukkig ben ik niet alleen, ik volg haar fiets en slalommend komen we er doorheen, over de Vijzelstraat en we hebben het gehaald. Ik koppel het wiel af, ze zet het vast aan haar fiets. Snel naar het plein, het café, de deur staat open, het zit nog van de avond stampvol, ze wipt de stoel erin en we zijn binnen, op tijd.

De eigenaar komt naar ons toe, dat is lang geleden, goed om je te zien, hoe gaat het? Vraagt hij. Ja goed zeg ik en ga snel op zoek naar een plek. Het is druk maar de schermen hangen overal en waar ik ook kijk zie ik het goed. We krijgen een drankje, guinness als ontbijt, een glas, geen pint, tegenwoordig ben ik net als de vechter een lichtgewicht. Het smaakt lekker, door mijn rietje, een roze rietje, die kleur kwam uit m’n tas. Alles drink ik tegenwoordig met een rietje.

Mijn lichaam vecht, tegen zichzelf,

waarom, niemand weet het precies,

misschien dat als een prof me knock-out slaat,

m’n lichaam schrikt, alles weer op z’n plek valt

en ik opsta, je weet het niet.

Het gevecht begint, de guinness is lekker, de ene na de andere ronde, waarom valt die bokser niet om. Het duurt te lang, de bokser houdt stand, de dappere praatjesmaker is uitgeput, zijn heerlijke accent laat na het gevecht weten dat hij makkelijk nog door had kunnen gaan maar de echte boksers weten wel beter. Wel jammer, de Ier, het was zo leuk geweest, iedereen is stil en gaat naar huis, alleen de Amerikaanse dame is blij en laat van zich horen. Het café wordt schoongeveegd, de sundaylunch begint al weer bijna.

We staan buiten met z’n vieren, de Engelse jongens, de vriendin en ik, het drukke feestplein is stil zo zondagochtend vroeg, de dag begint. We drinken ergens een kopje koffie, hebben gesprekken half in het Engels, half Nederlands net wat uitkomt, omdat het kan, ik mis die tijd, dat alles nog kon, ik alles nog kon. Door de stille stad gaan we weer naar huis, de vrijheid, geen verkeer, voor mijn handen, mijn ogen, alles, ideaal.

Als ik weer thuis ben weet ik het zeker: gevecht of niet, volgende week ga ik weer.


Sara van der Kooi is de auteur van Hersenvlekken (2017).