Als ik ’s avonds in mijn werkkamer zit, schrijvend en wijn drinkend, hoor ik hem echter nooit lachen. Dan zingt hij. Ik zou eraan gewend moeten raken maar dat lukt me niet. Soms schrik ik zelfs als hij begint, hoewel ik erop had kunnen wachten: eerst een bibberig huilen, dan een korte stilte en ten slotte een aarzelend ‘mama?’. Het is dat laatste woord dat de kern van zijn tekst vormt, maar waar hij, steeds iets harder huilend, minuut na minuut een ‘ma’ aan toevoegt. Een steeds net iets anders klinkend ‘ma’, als in het Chinees. Zo ontstaat dan een lang en door snikken onderbroken mama-mamalied, dat niet weg te redeneren valt. De eindversie, die vele ma’s lang is, brengt hij soms wel een halfuur aan één stuk ten gehore. Ik bedenk intussen dat ik zijn moeder niet ben en dat zijn eigen moeder ook niet zal komen. Als ze gaat, heeft ze mij een keer uitgelegd, dan kan ze blijven gaan. Haar zoontje moet leren zelfstandig weer in slaap te komen. ‘Een kwestie van doorbijten, om wille van rust op de lange termijn’, zei ze. Ik knikte toen. Het klonk erg verstandig. Maar ondanks dat voel ik steeds iets aan me trekken, als het jongetje zijn droeve lied begint. Niet vanwege misplaatste moedergevoelens, geloof ik, maar om iets anders. Iets wat veel ouder is en wat ik haast besmuikt herken: een oud verlangen naar troost. Achter mijn muur zingt hij zijn mama-mama precies zoals het gezongen moet worden. Moedeloos. Vastberaden.