Het is vroeg op de avond en min of meer stil op het vakantiepark. Zelfs de Duitse in het huisje schuin tegenover dat van ons, die de halve dag klassieke Duitse liederen heeft gezongen, zwijgt. Ik hoorde haar terwijl ze haar teennagels lakte, sperziebonen dopte, handdoeken uitwrong en over de reling van de veranda drapeerde, brood smeerde. Het klonk mooi maar droevig. Nu zit ze te handwerken, zo te zien; er ligt een lap op haar schoot en ze doet iets met gekleurd draad. Ik sla haar gade vanaf een houten bankje dat deel uitmaakt van de ‘comfortabele recreatieset’ zoals de folder vermeldt, onder ‘kleinschalig familiepark met gemoedelijke sfeer’. Als ik met mijn handen over de leuning wrijf voel ik splinters.

Ik heb net een roman uitgelezen waar ik weinig van begrepen heb en drink wijn. De jongste slaapt al, de middelste leest nog even en de oudste, die deze week een plotselinge liefde voor Japanse tekenfilms heeft opgevat, heeft zich ergens binnen in een hoek genesteld, scherm voor zijn neus, chocola bij de hand. Nog een uurtje denk ik, dan moet de buitenlamp aan en komen de muggen.

Zo’n zeven meter naast het huisje van de Duitse, bij een grote vijver, staat de vouwwagen van een man die met zijn twee tienerdochters op vakantie is. Vanmorgen vroeg hing een van hen over de plastic tafel, de armen over het blad gespreid, het hoofd opzij, de ogen gesloten. De andere schommelde verveeld heen en weer op een roze opblaasstoel. Toen hun vader naar buiten kwam met een dienblad vol broodjes (‘Jezus pap, ik eet geeneens koolhydraten!’) bekeken ze hem met samengeknepen, misprijzende ogen. Hij was de aangewezen veroorzaker van eigenlijk al het leed op de wereld en hij wist het. Ik zag zijn schuldbekentenis door zijn geredder heen, zijn gesleep met stoelen (‘Ik ga echt niet in de zon met deze mascara’), zijn voortdurende pogingen iets goed te maken. Eén keer had hij mijn kant op gekeken, toen mijn middelste keihard schreeuwde dat hij een stroopwafel wilde en de jongste daar zo van schrok dat ze het op een huilen zette. We wisselden een geroutineerde blik van berusting. Nu zijn ze er niet. De auto is weg.

Ouders krijgen kinderen zonder te beseffen dat het vroeg of laat medemensen worden – en niet eens altijd de soort die ze vooraf zelf zouden hebben aangewezen. Kinderen krijgen ouders in wie ze vroeg of laat alle onhebbelijkheden weten op te graven, als drollen vanonder een laag kattengrint. Veel soorten haat zijn vormen van luiheid, denk ik. Veel soorten liefde trouwens ook. Kleinschalig familiepark met gemoedelijke sfeer; je zoekt en boekt een oud verlangen. Ik neem een slok wijn en staar naar het rimpelloze water van de vijver. In de roman waar ik weinig van begrepen heb bleek een zoon uiteindelijk zijn eigen vader te zijn. Of die vader was de zoon, dat kan ook. De Duitse aan de overkant heeft een schaar gepakt, zie ik. Ze knipt iets bij. Ik zou willen dat ze weer ging zingen. Een lied, zacht en onverstaanbaar, over iets dat groots en eeuwig is.

DEK ME TOE

Zeg me dat het tijd is, zeg me dat ik moe
ben, geef niet toe aan verzet,
geef me een washand, de beer die ik ken,
wijs me mijn bed, dek me toe,

ruik naar zeep, vertel mij hoe
prinsessen slapen als bij wonder
en verdwijn maar, ga niet te
ver, stop mij onder, dek me toe,

laat mij alleen, strooi in mijn ogen
geen zand, breng geen lied ten
gehore, verzoen mij niet met de nacht,
doe wat ik doe, dek me toe.

Paul Bogaert, Meulenhoff/Manteau, 1996