Muziek

Liedrecital kán mooi zijn

Muziek: Schuberts ‹Winterreise› gezongen door Matthias Goerne

Bijna even erg als de zelfhandhaving van Piet Grijs of van het koningshuis is het liedrecital. Dat is een van de afschrikwekkendste verschijnselen van cultuur als demonstratie van welopgevoedheid.

Van vroeger weet ik hoe een liedrecital dikwijls gaat. De zaal is net als overal gevuld met koude vreselijke mensen; de aardige gezichten zijn een minderheid. Daar is de zanger al. De zanger plooit zijn fijnproevers profiel in een verschrikkelijke glimlach en hij buigt geslepen. Het applaus sterft weg. De zanger leunt namens de kunst als loden culturele last tegen de vleugel, doodskist vol muziek. Zijn lach heeft hij begraven: dat moet van Schubert, Brahms en Britten, van hun respectievelijke dichters. Zijn ernst is toneel. Dat duurt een uur of twee en dan komt steeds het ogenblik waarop de maskerade van cultuurgenot zich als verkrampte leugen openbaart. Dan laat de zanger, ook maar mens, de teugels met een knipoog vieren. De spanning breekt. De zanger maakt een grap. Hij zingt ter afsluiting een komisch lied van Wolf of van Poulenc, dan wel iets olijks op een habaneraritme. De grap breekt het verdriet van twee uur somber obligaat en duurbetaald te hebben moeten wachten op de vrijheid. Zie nu de maskers vallen in de zaal; de ouden van rij 1 tot 20 lachen solidair. Men is zo samen. En doet ten afscheid nog eenmaal alsof men voelt; subtiel. Men voelt ook inderdaad. Men voelt zoals men de geschiedenis graag toedicht dat het vroeger was, toen ons soort mensen nog de norm begreep te zijn. Men is een veste tegen het verval van de cultuur.

De dag daarop roemen de critici des zangers begenadigd sluwe en subtiele dictie.

Wie in die wereld stapt, leert revoluties te begrijpen. Stagnatie is een avond Kleine Zaal en wat de kranten ervan zeggen.

Hoeveel zangers zijn zo goed dat ze je met dat leed verzoenen? Dus niet zozeer met kunst alleen als met hun zielenadel? Ik ken er één die ik op dat punt blind vertrouw en dat is Matthias Goerne.

Goerne is een verpletterende Duitse bariton die bij Schwarzkopf en bij Fischer-Dieskau studeerde maar het vak leerde in de DDR, waar het niveau van het muziekvakonderwijs iets hoger lag dan hier. Zijn klank is alomvattend. In het hoog heeft hij de kern van een tenor, zijn bariton is naturel zoals de kunstmens Fischer-Dieskau nooit echt was en in de kelder van die weidse strot hoor je een breedte waar een echte bas hem om zou benijden. Zo is er met die drievoudige stem genoeg muziek in hem voor een heel leger. En hij is zwaar, goed Duits. Zijn ernst is echt. Hij kan Schuberts hupse Heidenröslein laten klinken als een Götterdämmerung, iets waar het bloed van de toekomstige ontnuchtering al preventief vanaf druipt.

Ik volg de zanger op de plaat en vaar er wel bij. Het geneeskrachtige effect van Goernes ernst is groot: iemand die stand houdt tegen de verdrukking van het relatieve. Nu is hij dan ten tweeden male bij de Winterreise van Schubert aangekomen en daar hoort hij.

De Winterreise is het ontgoochelde verslag van wat het leven wordt voor mensen die niet liegen: een zaak van uitsluiting. De vorm is romantisch. Reis van een man alleen in het verstarde van de winter die het leven is, het meisje dat zo lonkte toch bestemd voor burgermannentruttigheid en hoe nu verder, zo er nog een weg is; zwervend. Daar komt het aan op waardigheid, volharding, logica, op weten hoe het komt dat men alleen is: van trots. Dat weet de Wanderer, meteen al in het eerste lied. Fremd bin ich eingezogen/ fremd zieh’ ich wieder aus. Hij ziet het zelf het beste. Dan kan het ook niet anders verder dan bij Schubert; illusieloos maar dapper. En zo zingt Goerne ook: met de verwerkte subjectiviteit van wijze zelfreflectie, letterlijk verschrikkelijk ontspannen. Geen hysterie: analyse van tragedie en verdriet waarbij, zoals dat in muziek nu eenmaal gaat, de analyse zelf tragedie wordt: de moed om moedeloosheid zo te zingen is een heldendaad waarbij een mens de tranen in de ogen zouden kunnen springen. Maar hier, op deze pracht-cd met Alfred Brendel als genuanceerde begeleider, komen die tranen uit de aard der zaak net niet. De gelaten trots van Goernes zwerver is besmettelijk: als hij zich staande houdt, verspeelt de luisteraar het recht om met zijn platte snikken in dat jammerdal te vallen. Tot slot nog dit: luister vooral ook eens naar Goernes Christus op de jongste opname van Bachs Matthäus-Passion onder Harnoncourt. Daar lijdt een heilige aan een ontnuchterend verdriet dat zich met niets laat vergelijken. Ja, met de Winterreise.

Schubert, Winterreise. Matthias Goerne, bariton, Alfred Brendel, piano. Philips Classics