Het nieuwe postmodernisme

Liefde, Geluk, Waarheid

Op de puinhopen van de postmoderne, ironische wereld zoeken jonge schrijvers naar een werkelijkheid die ertoe doet. Nix of Niet-Nix, zegt de kritiek. Verouderde maatstaven, zegt Nicoline Timmer. De schrijvers van haar generatie zijn al een stap verder.

Generaties lijken elkaar steeds sneller op te volgen. Wie nu in de twintig is zal zich niet kunnen identificeren met de «jeugdcultuur» noch met de dolende lost generation die uit dertigers bestaat. Twintigers zijn post-lost. Het verschil in jaren is maar klein en toch is er een verschil. Twintigers — zijn het niet-nixers? Geëngageerde jonge mensen die weer een mening hebben? Niet-Nix bestaat niet meer. Zijn het individualisten, ego’s die verdwaald zijn in hun eigen tijd?

Al in 1992 schreef Douglas Coupland zijn ontluisterende roman Generation X. Het is een portret van drie vrienden die rondlummelen in de woestijn, zichzelf dagelijks een nieuwe identiteit aanmeten en moeite hebben zich te hechten, aan elkaar, aan de wereld, aan hun eigen tijd. Coupland werd geprezen om zijn rake portrettering van een generatie, van de tijdgeest van de jaren negentig. Tegelijker tijd was het een beangstigend beeld dat werd opgeroepen. Want deze nihilis tische blik op de wereld beloofde niet veel goeds. Waar moest dat naartoe? En waar moest dat naartoe met de literatuur?

Als alles al gezien, gezegd en gedaan is (het seen it, been there, done that van de Pepsi-reclames), dan wordt het bijna zinloos om nog te schrijven. Blijft over: schrijven over de zinloosheid. Dat gebeurde. In Nederland waren het, halverwege de jaren negentig, de al snel tot «nieuwste generatie» bestempelde Nix-schrijvers die met uitgeputte zintuigen de leegte opzogen. Door het vergrootglas van hun zelfbewustzijn observeerden zij het krioelende Niets. En zetten het rücksichtslos op papier.

Critici reageerden vermoeid op de gepresenteerde uitzichtloosheid. Waarom er niets nieuws kon worden bedacht werd er geklaagd, over het hoofd ziend dat wel degelijk een point werd gemaakt. Dat het geen gemakzuchtig proza was. Langzamerhand werd het vooral de kritiek die in herhaling viel. Jarenlang bleef men boeken van jonge schrijvers scannen op nixerigheid. En dat doet men nog steeds. Maar inmiddels is er een hele generatie opgegroeid met de ideeën van het postmodernisme: deze jonge mensen weten nu wel dat er geen grote idealen meer zijn, dat alles wat je vindt al door anderen gezegd of geschreven is, dat feiten niet van fictie te onderscheiden zijn — de theorie is allang realiteit geworden, en wordt door mijn generatie inmiddels als vanzelfsprekend ervaren. De thematiek van de zinloosheid is genoeg uitgehold. De bodem bereikt. En op deze vlakte, de impasse die het postmodernisme heeft opgeleverd, moeten nieuwe ideeën, opvattingen, beelden gaan groeien.

Misschien kunnen we dáár eens naar kijken?

Toen onlangs het debuut van Dave Eggers, A Heartbreaking Work of Staggering Genius (vertaling: Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit) verscheen, hadden critici de mond vol van de postmoderne trucjes die deze jonge schrijver in zijn werk zou hebben verwerkt. Ja maar natuurlijk!

In de Verenigde Staten is het boek een enorm succes. Dit ontroerende verhaal van een jongen die zijn beide ouders verliest en daarom zijn jongere broertje zelf op moet voeden is geniaal geschreven — door een jongen die zijn beide ouders verloren heeft en zijn broertje zelf opvoedt. De tip van Eggers in zijn verantwoording voorin: «als het u hindert om te bedenken dat wat u hier leest echt gebeurd is, dan stel ik u voor om te doen wat de auteur had moeten doen en wat schrijvers en lezers sinds het begin der tijden hebben gedaan: DOEN ALSOF HET FICTIE IS.»

Op alle mogelijke manieren heeft Eggers afgerekend met eventuele voorstellingen van zijn werk: aanwijzingen voor de lezer, voor critici en ook de uitgever maken de weg vrij voor de presentatie van het werk door de schrijver zelf. Dat is zijn goed recht. Het zijn geen flauwe trucjes, Eggers gebruikt alle middelen die hij tot zijn beschikking heeft. En zijn roman is daarmee een prachtige illustratie van de grens waarop de nieuwste literatuur beweegt: enerzijds nog belast met de loodzware erfenis van het postmodernisme, anderzijds vrij om te spelen, om toch alle ruimte te benutten die vrij is gekomen nadat alles afgebroken is. Om zich te herbezinnen en de leegte te vullen naar eigen inzicht. Inzicht ja, want er wordt wel degelijk naar een manier gezocht om de schijnbare indifferente toestand waarin alles lijkt op wat je al eerder meemaakte tot iets eigens te maken. Een eigen verhaal te schrijven, de chaos te ordenen.

Dit zien we ook in een aantal recent in Nederland verschenen boeken.

In de verhalenbundel Bevoorrecht bewustzijn, het prozadebuut van Esther Gerritsen, hebben de personages allemaal last van hun beweeglijk bewustzijn, dat het midden houdt tussen een «bevoorrecht bewustzijn» (dat alles doorziet, waardoor je «een glimp van de waarheid» kunt opvangen) en een gespeelde onbewustheid. Ze doorzien de zogenaamde ordening die hun wordt opgedrongen maar verlangen ernaar hieraan te ontsnappen, verlangen naar een vanzelfsprekende aanwezigheid: «laten we ons niets voornemen, laat het leven ons per ongeluk over komen». Ze zijn gevangen tussen objecten («overal zijn dingen, dacht ze, en de dingen bepalen mijn leven») en hebben daarom moeite een subject te zijn, om een eigen identiteit te dragen. Er wordt gezocht naar een geheime ordening, een waarheid die zich verbergt achter de dagelijksheid van herhaalde handelingen en gedachten.

De 24-jarige Said El Haji heeft een autobiografisch debuut geschreven (dit wordt achterin aan de lezer nog eens uitgelegd: «Is dit een autobiografisch boek? Ja. Is dit een autobiografie? Neen.») — De dagen van Sjaitan — dat stilistisch ver verwijderd is van de andere boeken die hier besproken worden, maar waar uit eenzelfde soort hoop of verlangen spreekt. Hamid, een van de hoofdpersonages in de roman hamert op een «geloof in een kosmische grondwet die de basis is van alles en waarvan alles een afgeleide is». Het betoog dat Said, een ander prominent karakter in de roman, houdt over geloof, een afwijzing van het dogmatische geloof van fundamentalisten en zijn vervanging daarvan: zijn eigen «naar vrijheid snakkende theorieën en interpretaties», is een even sterke stellingname tégen overgeleverde verplichtingen, en vóór het zelf mogen bepalen wat waarheid is. De geheime ordening in een ander jasje. Het is dezelfde bijna drammerige obsessie te willen begrijpen hoe het dan wél zit.

Het «geheim» moet worden ontraadseld, uitgekleed en door de eigen verbeelding weer aan-gepast. In de tweede roman van Maria Barnas (1973), De baadster, zijn de hoofdstukken ondergebracht in Insteken, Omslaan, Doorhalen en Af laten glijden, alsof de werkelijkheid in een helder patroon aan elkaar gebreid moet worden, want: «Er is veel. Er was alles in de wereld. Maar nu is er te veel. Te veel van het goede, te veel van het slechte. Er moet geordend worden.» Em, de vertelster, heeft zich uit haar gewone stadse leven teruggetrokken om aan een rustige baai haar leven te overzien en op zoek te gaan naar de ware betekenis van zichzelf, van de liefde, van de werkelijkheid: «Alles is bedekt onder een vliesdunne, doorzichtige betekenislaag die alleen door zorgvuldig krabben te verwijderen is. Niet te zacht, want dan gebeurt er helemaal niets. Maar als je te hard krabt, vernietig je wat je juist wilde ophelderen. De wereld is een nieuwe rol plakband waar ik een stukje van nodig heb. Ik kan het begin niet vinden.» Ze vraagt zich af wat nou «echt» is, wat zich onttrekt aan haar vermogen tot vormgeven. Of waar feit en fictie, werkelijkheid en taal, de dingen en de gedachten elkaar raken.

Em zit gevangen in de verhaaltjes van het leven, in de fictie die realiteit is geworden — zoals een van de personages uit de verhalen van Esther Gerritsen over zichzelf opmerkt: «Ze moet kiezen en geloven wat ze verzint, maar ze verlangt naar meer waarheid dan dit.»

Als alles fictie is, waar is die fictie dan een afgeleide van? Van waarheid. Er groeit een verlangen om deze waarheid weer haar vorm te geven. Zonder voorbehoud het liefst.

En zolang dat nog niet lukt — om weer bloot te zijn en, nu «echt», opnieuw te beginnen — is het beter om even ergens anders te zijn, om de dingen, het verloop van weer een verhaal voor te zijn.

Ook uit Sneeuwbeeld, het debuut van de jonge Thomas van Aalten blijkt ditzelfde verlangen naar een pauze, om zich te kunnen her oriënteren: «Ik zou willen dat ik stil kon staan, terwijl de toekomst aan me voorbijgaat. Het is niet dat ik niet verder wil, maar ik wil alleen een mooi vertrekpunt.» Deze roman werd door de kritiek weer eens bestempeld als een exempel van de zinloosheid van het bestaan zoals die door jonge mensen ervaren zou worden. Maar de hoofdpersoon in Sneeuwbeeld wil gewoon even met rust gelaten worden, niet meer vermoeid worden met negatieve vooruitzichten (die hem worden opgedrongen). Hij wil alleen maar tijd, gewoon wat tijd om zelf te kiezen waar dat leven van hem naar toe moet. Naartoe kán gaan.

De pauze wordt ook verbeeld door Miek Zwamborn. In haar roman Oploper, «een dagboek van een reis», lezen we het ijle verslag van een vijf maanden durend verblijf op een mobiel kraaneiland. Ze is daar de enige vrouw tussen tweehonderd mannen. De extreme routine in de wereld van staal maakt elke stilstand, elke poëtische hapering in haar gedachten bijzonder. Ze observeert. Werkt wel mee ook, maar blijft een buitenstaander, omdat ze tegelijkertijd aan iets anders bouwt dan al die mannen: aan een zelfportret: «Nu begrijp ik weer waarover het gaat. Een geel schijnsel valt over het staal. Ik weet het zeker; dit is mijn portret.» Ver verwijderd van haar dagelijks leven zoekt ze naar een bruikbare constructie van zichzelf. Onzeker over een werkelijk doel, moet ze elke dag opnieuw vullen, elke dag opnieuw bedenken wie ze is en waar ze is. Het is een test, om erachter te komen «of ze ooit iets zal kunnen maken dat mooier is dan de werkelijkheid». Maar welke werkelijkheid? Ze creëert, spint van ragfijne draadjes, korte aaneengeregen zinnen, haar eigen wereld. Zo op de voorgrond geplaatst wordt het gewone bijna sprookjesachtig: «Een van de mannen verschijnt in een groene overall. Hij beweegt zich bijna niet. Hij is net een struikje.»

Ook in deze roman staat het eigen bewustzijn, het extreem van binnenuit beleven van het bestaan, centraal. Door zich los te maken van materieel bezit moet de vertelster ontdekken of ze eigenlijk wel zo bijzonder is, en in staat om dingen te veranderen — zichzelf bijvoorbeeld: «Middelmaat, daar ben ik bang voor. Wat denk je wel? Dat je anders bent zeker.» Doordat ze op reis gaat zonder duidelijk doel, wordt het doortikken van de tijd, het ouder worden, even stilgezet, om haar in staat te stellen nieuwe aanhechtingspunten te vinden.

Het bewustzijn van al deze personages is hyperactief. Er is zoveel te zien en tegelijkertijd is alles al eerder gezien — in Bevoorrecht bewustzijn: «Je kijkt niet meer. Je herkent. Je doet niets. Je kleurt in. Alles bestaat al. Je vervolmaakt de toekomst.» De toekomst moeten vervolmaken is een zware taak, vooral als er geen bruikbare maatstaven meer zijn, geen kader waarbinnen beslissingen afgewogen kunnen worden. Men schrikt van het opgedron gen idee dat aan hen «de toekomst» is, zoveel keuzes, zoveel mogelijkheden — maar welke toekomst zal het moeten worden? Wie bepaalt dat? Ieder voor zich dus.

Zo op het eerste gezicht zijn alle personages in deze romans extreem met zichzelf bezig en maakt hun solipsisme het onmogelijk om contact te onderhouden met de omgeving. Maar al die ikken vormen wel samen een kring, proberen wel bij elkaar aan te sluiten. Ze verlangen ernaar hun eigen ego te meten aan een omgeving. Ze zijn geen a-sociale solipsisten, integendeel. Maar: er kan alleen sprake zijn van contact als de ander eenzelfde soort bewustzijn heeft, net zo denkt.

In A Heartbreaking Work of Staggering Genius wordt door al die individuen wel degelijk sámengewerkt: vrienden en gelijk-gemotiveerden vormen een netwerk, bijvoorbeeld rondom het zelfopgerichte tijdschrift Might — de ik-figuur drukt zich daar expliciet over uit: «Ik heb een gemeenschap om me heen nodig, ik heb feedback nodig, ik heb liefde nodig, echt contact, geven en nemen.»

Het verlangen is er. Als dit nihilistische boeken zijn, dan zou ik ze lief-nihilistisch willen noemen. Er wordt geleefd in een wereld waarin geloof is ingeruild voor ironie; deze jonge mensen zijn ironisch geboren, lijkt het. Maar ironie heeft slechts een tijdelijke werking. Er moet toch iets meer zijn dan dit dubbel bewustzijn.

De afstand tot de wereld kan worden overbrugd door zich te hechten aan een ander, de afstand te delen — zoals Em in De baadster verlangt aangeraakt te worden en daarin een bevestiging vindt van haar lichaam, van de werkelijkheid: «Ik wil dat Marnix van mij houdt. Marnix is als de wereld die ik wil aan raken, maar waar ik niet mee samenval.» Liefde, Geluk, Waarheid, al die grote woorden sluipen vanuit de leegte weer binnen in de literatuur — via de achterdeur. Het wantrouwen van het eigen beleven overheerst nog, maar wel wordt geprobeerd hier doorheen te kijken. De achterdeur van het slot te halen.

Ieder op zijn eigen manier.

Maar is het niet gewoon omdát al deze schrijvers in de twintig zijn, tussen jeugd en volwassen worden, volwassen doen, in staan, dat de herbezinning het voornaamste thema is in hun romans? Is dat niet al eeuwenlang een thema in de literatuur? Ja, misschien, maar wat interessant is aan deze boeken, is dat naar méér wordt gezocht, naar meer tijd, niet om nog even te mogen rondlummelen, maar om te zoeken naar meer waarheid, meer wer kelijkheid. Er wordt geprobeerd om ergens achter te komen en dit ook uit te spreken.

Als aan het eind van Oploper «Miek» in de spiegel kijkt, schrikt ze van het beeld dat haar aankijkt: «Vreemd, ik ben jonger geworden.» Er ís iets veranderd, haar manier van kijken. De verwondering wordt langzamerhand een beetje héroverd. Toch nog.

Een mooi vertrekpunt.

Esther Gerritsen, Bevoorrecht bewustzijn. Uitg. De Geus, 126 blz., ƒ29,90; Miek Zwamborn, Oploper. Uitg. Meulenhoff, 142 blz., ƒ29,90; Said El Haji, De dagen van Sjaitan. Uitg. Vassallucci, 172 blz., ƒ34,90; Maria Barnas, De baadster. Uitg. De Arbei derspers, 207 blz., ƒ32,9o; Thomas van Aalten, Sneeuwbeeld. Uitg. Podium, 173 blz., ƒ29,90.