Openingsfilm Sisters in Law; is het Idfa geschikt voor engagement?

Liefde in Afrika

Het Idfa in Amsterdam opent met de docu mentaire Sisters in Law van Kim Longinotto, over het lot van vrouwen in Kameroen. De vraag rijst wat het nut van geëngageerde werken is wanneer zij vrijwel exclusief op festivals draaien.

Het regelmatig vertonen van do cumentaires in de bioscoop is een netelige kwestie. Al jaren daalt het aantal bioscoopbezoekers over de hele wereld, waar door de vraag aan de orde is of documentairemakers niet beter hun waar op televisie of het internet kunnen uitstallen. In de bioscoop is het risico van lege zalen immers levensgroot. Toch zijn er uitzonderingen, bijvoorbeeld films in de populaire Michael Moore-stijl of Darwin’s Nightmare, de documentaire van Hubert Sauper over de Tanzaniaanse vis industrie, die een hit is dankzij goede recensies en mondreclame.

Of Sisters in Law van de Britse regisseur Kim Longinotto mensen op dezelfde manier zal aanspreken, moet nog blijken. Haar film over een rechtbank in een klein stadje in Kameroen maakte eerder dit jaar een triomftocht langs festivals en werd in Cannes geselecteerd voor de regisseursdagen. Longinotto trad naar voren met het Emmy-genomineerde The Day I Will Never Forget (2002), over vrouwelijke besnijdenis en het lot van meisjes in Kenia, met Runaway (2001), over jonge vrouwen in Iran, en met Divorce Iranian Style (1998), waarin de regisseur het Iraanse echtscheidingshof van binnen belicht. Over deze laatste film zei Longinotto eerder dit jaar in een interview met The Guardian: «Het heeft iets opwindends wanneer een film in de bioscoop draait. Het grote scherm heeft iets speciaals. Het was altijd mijn droom Divorce Iranian Style te vertonen in de plaatselijke bioscoop in het stadje waar de vrouwen in mijn film wonen. De bioscoop is die ene plek in Iran waar mannen en vrouwen samen mogen zitten. Maar vertoning heeft daar tot nog toe niet plaatsgevonden.»

Waar Sisters in Law wél in de bioscoop zal draaien, is in Amsterdam op het International Documentary Film Festival (Idfa). Bij het zien van vooral deze film, waar het festival mee opent, rijst de vraag wat het nut van maatschappelijk en politiek geëngageerde werken is wanneer zij vrijwel exclusief op festivals draaien. «Nut» is evenwel een problematisch begrip, want moeten documentaires eigenlijk wel nut hebben?

Een andere Idfa-film met een ogenschijnlijk publieke boodschap is La Persona de Leo N. van Alberto Vendemmiati, een sfeervol portret van een Italiaanse transseksueel die een geslachtsoperatie ondergaat. De film handelt over een sociaal fenomeen: het accepteren van transseksualiteit. Toch staat vooral het persoonlijke centraal, waarbij de regisseur het belangrijkste stijlelement, de close-up, effectief aanwendt. Het is een film over gezichten, over maskers en de wijze waarop mensen deze gebruiken om spellen te spelen. De regisseur wil laten zien dat het uiteindelijk gaat om de mens achter het masker en niet om de wereld waarin hij, beter gezegd zij, leeft.

Heeft La Persona de Leo N. geen grote ambities voor wat betreft maatschappelijke im pact, met haar oeuvre toont regisseur Longinotto zich wel degelijk bewust van de mogelijkheden van film als massacommunicatiemiddel. Haar visie, vervat in het stuk in The Guardian, is bijvoorbeeld dat mannen en vrouwen tot inzicht in hun leefwereld zouden kunnen komen door het samenzijn in de bioscoop. Dat idee impliceert dat cinema een doorgeefluik voor verlicht denken zou kunnen zijn, of moeten zijn. Tegelijkertijd lijkt de regisseur zich te realiseren dat dat een utopische gedachte is.

De afstand tussen de westerse kijker en de potentiële kijker in Afrika is evident in Sisters in Law. Kijken wij in Amsterdam naar de perso nages in deze film of kijken wij met hen mee? Zijn zij exotische objecten voor de westerse blik? Of laat het werk de westerse kijker toe zó te kijken dat hij zich kan verplaatsen in de positie van de personages en kan voelen wat zij voelen?

Het exotische element is er zeker – in de vorm van komedie. Sisters in Law opent met Afrika-muziek en een camera die glijdt langs groene bomen en armoedige huisjes. In het stadje Kumba verschijnen de hoofdpersonages bij de rechtbank. Ze zijn vrolijk en hebben kleurrijke kleding aan. Vera Ngassa is de officier van justitie, Beatrice Ntuba is de rechter. Vooral Ngassa spreidt een fijn gevoel voor drama tentoon. Als een man voor haar verschijnt die ervan wordt verdacht een baby te hebben gekidnapt, zegt zij bits: en nu de waarheid, waarna zij doet alsof zij boos is door te klikken met haar tong.

Dit laveren tussen komedie en tragedie vormt de rode draad in de film. In een zaak waarin een moslimvrouw haar man voor de rechter daagt wegens verkrachting en mishandeling ontbrandt een discussie tussen een vrouwelijke politieagent en buurtbewoners. Mannen, zegt de agente, zijn nu eenmaal «bruten».

Niet alleen mannen zijn monsters. Regisseur Longinotto nuanceert haar feministische blik met een pijnlijke verhaallijn waar een vrouw haar nichtje van een jaar of acht herhaaldelijk heeft geslagen met een kleren hanger van ijzerdraad. Justitie-officier Ngassa is woest, te meer wanneer de vrouw om genade smeekt met «Please Sister!» Ngassa: «Don’t you sister me!» Deze reactie, in het Engels, brengt opnieuw de kwestie van exotisme versus realiteit naar voren. Onduidelijk is of de personages Engels spreken omdat zij dat nu eenmaal doen in een rechtbank in Kameroen of omdat de camera’s draaien en ze weten dat westerlingen kijken. Vaak spreken ze wel een streektaal met elkaar, Kameroen telt immers bijna driehonderd talen, met Frans en Engels als officiële talen.

Hoe dan ook, taal wordt een drager van betekenis in Sisters in Law. Wanneer zij Engels met elkaar spreken, krijgen hun woorden een wonderlijke, poëtische inslag, door zinsneden als «Even if a man provides oxygen for you, he has no right to beat you», en Vera Ngassa die snijdend zegt: «That man is a disdainful man. Very unrepentant in his ways.» In de context van de zaak – de man staat immers terecht voor verkrachting – is haar archaïsche Engels hilarisch. Maar het mooie is dat de zwarte humor ook overkomt in de rechtszaal in Kumba. De beschuldigde begint namelijk te huilen, waarop de rechter tegen hem zegt: kom op, je bent tenminste niet hier voor moord. Zelfs zijn advocaat wordt boos: «Verman je! Wees niet bang: zij komt heus wel bij je terug.» Dan richt de advocaat zich weer tot de rechter en met ritme en een dramatisch timbre in zijn stem zegt hij: «Laat genade uit uw gouden pen vloeien.» Maar daar is geen sprake van. Rechter Ntuna stuurt de man voor langere tijd de gevangenis in.

De feministische ondertoon krijgt een bijkomend accent in een van de laatste scènes, wanneer Ngassa de vrouw bezoekt die schuldig is bevonden aan kindermishandeling. De vrouw is ontroostbaar. Ngassa probeert haar ondanks alles moed in te spreken. Het is een klein, intiem moment, maar het resoneert door het hele werk. Ja, Afrika is wreed, maar in Afrika bestaan ook barmhartigheid en liefde.

Sisters in Law snijdt grote thema’s aan. De vraag over het nut van de documentaire film blijft. Het is leuk om naar te kijken, in Nederland, maar het valt te betwijfelen of het werk zal bijdragen aan een verbetering van de positie van vrouwen in Kameroen. Heeft het werk dan effect? Het is goed gemaakt en het is vermakelijk, en dat is ook van waarde.

Het Idfa vindt plaats van 24 november tot en met 4 december. www.idfa.nl

_______________________

Een kakkerlak in de wasbak

In de schaduw van het Idfa vindt van 22 tot en met 30 november de zesde editie plaats van het Shadow Festival, waar bij vlagen briljante documen taires te zien zijn.

De slagzin van het Shadow Festival verwijst naar «inventieve en uitdagende» documentaires. Dat is vaak hoog gegrepen, een rookgordijn voor pretentieuze werkjes, zoals Malerei Heute (Duitsland, Stefan Hayn en Anja-Christin Remmert), waarin een uur lang schilderijen te zien zijn die iets zouden moeten vertellen over de veranderingen in Duitsland tussen 1998 en 2000. Of Bildungscamper (Nicola Hochkeppel), waarin een uur lang super8-filmpjes te zien zijn van de vakanties van een of ander Duits gezin. Beide werken zijn slecht en hemeltergend saai.

Gelukkig is er de openingsfilm 9m2 van Jimmy Glasberg en Joseph Cesarini, die wél «inventief en uitdagend» is. De makers hebben een tijdlang digitale camera’s beschikbaar gesteld aan gevangenen in de Baumettes-gevangenis in Marseille. Het resultaat is, zeggen zij, een «cinematografisch experiment» waaruit een film is voortgekomen.

De artistieke meerwaarde van deze ongewone werkwijze is dat de kijker een plaats krijgt «toegewezen» in de cel. Anderhalf uur lang delen wij die negen vierkante meter met afwisselend vijf paren. Door de stijl van de eerstepersoonsverteller – één gevangene hanteert telkens de camera zodat de kijker zijn blik deelt – krijgt het werk iets krachtigs en confronterends. De blik is ruw en wankel. Dat versterkt het gevoel van claustrofobie in de kleine ruimte. Sommige shots hebben geen andere betekenis dan dat zij het resultaat zijn van de verveling van de «cameraman». Toch krijgen deze beelden enorme betekenis in de context van de film: een kruipende kakkerlak in een vieze wasbak suggereert langzame aftakeling, infectie en zelfs woede en haat terwijl een pot kokend water vooruitwijst naar komende strubbelingen tussen celmaten.

De actie is beperkt tot de ruimte binnen vier muren, maar het verhaal treedt buiten deze grenzen. Gevangenen bespreken de corruptie van het Franse rechtsstelsel, de opkomst en kracht van de Arabische cultuur in het land, de nieuwste automodellen en het talent van voetbalheld Zinedine Zidane, die een product is van de straten van Marseille, dezelfde straten waar de gevangenen in opgroeiden. En zij praten over zichzelf, over hoe zij het haatten koranonderwijs te krijgen in hun geboorteland Marokko; hoe je water kunt koken met een elektrische kabel en twee stukjes metaal; en wat de geneugten zijn van het luisteren naar de muziek van Sade.

Doorgaans speelt één gevangene voor journalist terwijl zijn maat vragen beantwoordt. En het verbaast hoe goed beiden hierin zijn. Vaak slaagt de «journalist» erin ontboezemingen te ontlokken. Langzamerhand denkt de kijker steeds meer na over deze bijzondere mensen in deze bijzondere situatie. Na verloop van tijd merk je dat je ook over jezelf gaat nadenken. Er ontstaat dan nog een beperkte ruimte met vier grenzen, en dat is het scherm waarop de beelden van 9m2 zijn geprojecteerd.

Dat is inderdaad gekmakend. De spanning is voelbaar en de verwachte confrontatie tussen de gevangenen blijft niet uit. Op een gegeven moment wordt een scrabbelaar zo woest dat hij het bord omver gooit en boos op zijn bed gaat liggen. In weer een andere cel ijsbeert een enorme kerel terwijl zijn kompaan tegen hem schreeuwt. Zij wekken de indruk dat zij man en vrouw zijn.

En alsof het gaat om een heus postmodernistisch meesterwerkje – waar het trouwens niet ver van verwijderd is – vestigt een gevangene op zelfbewuste wijze de aandacht op het werk zelf. Hij zegt: kijk, ze praten altijd over zaken als zero tolerance, maar ze hebben geen benul. Niemand kan weten wat dit is; een dag in de gevangenis, een jaar in de gevangenis. Niemand behalve wij, die hier nu alles aan het filmen zijn en zo onze eigen wereld maken.

Gawie Keyser

_______________________

«Wanneer donderen jullie eens op?»

Het Idfa van Ally Derks

Ally Derks is het Idfa en het Idfa is Ally Derks. Vanaf de eerste editie in 1988 is zij als directeur in hoofdzaak verantwoordelijk voor de filmselectie en reist daartoe over de hele wereld. «Dat ik de keuze bepaal (…) is de policy van het festival en dat zal ook zo blijven», zei ze in de Filmkrant van december 1994. In hetzelfde interview: «Natuurlijk is de samenstelling van het programma een puur subjectieve keuze en heeft die keuze alles te maken met mijn gevoelens en mijn ontroering.»

Derks werd in 1988 door het Nederlands Film Instituut gevraagd om een internationaal documentairefestival in Amsterdam te organiseren. Zij nam haar studiegenoten Willemien van Aalst en Adriek van Nieuwenhuyzen van filmwetenschappen in Utrecht met zich mee. De eerste editie trok krap drieduizend bezoekers; in 2004 kwamen er 120.000. Dit jaar wordt dat record waarschijnlijk – traditiegetrouw – verbroken.

«Ally nam een duidelijke leidersrol op zich, ze was direct het gezicht van het festival», herinnert Willemien van Aalst zich: «Ze kan goed mensen aan zich binden.» Dat blijkt, want veel medewerkers van het Idfa zitten er al jaren. Van Aalst bleef er tot 1999, Van Nieuwenhuyzen is nog steeds Derks’ linkerhand. «Wanneer donderen jullie eens op?» hoort financieel directeur Jolanda Klarenbeek soms van collega’s die later bij het Idfa kwamen. Ook zij is al zestien jaar betrokken bij het festival. «Ooit moeten we weg, dat weten we. Maar we hebben zo’n leuke baan.»

Derks levert graag kritiek op de Nederlandse documentaire. Die zou te dicht bij het nachtkastje van de maker blijven, te weinig armslag hebben, te weinig oog voor «grote» onderwerpen. Haar voorkeur ligt bij de geëngageerde film, in de traditie van Wiseman en Pennebaker/Hegedus, en haar smaak is bepalend voor het festival. Daardoor vallen sommige documentairemakers en -genres buiten de boot.

Toen bijvoorbeeld de Nederlands-Canadese documentaire War Symphonies in 1997 een Emmy won, had Derks voor die film toch geen plek. Afgewezen makers verdenken haar soms van een persoonlijke vete. «Ze kan behoorlijk van slag raken van de mailtjes die heen en weer gaan tijdens de selectieweek», zegt Klarenbeek. «Dat wordt vaak nogal persoonlijk.» Documentairemaker Niek Koppen: «Ally kent iedereen. Er komen belangrijke mensen op het Idfa. Als zij jou selecteert, dan ziet de hele wereld jouw film. Derks heeft macht in de documentairewereld.» Beeldend kunstenaar Jeroen Kooijmans is zo rancuneus niet, maar hij vindt het wel «erg jammer» dat het Idfa zijn film over New York rond 11 september niet selecteerde. «Het is een persoonlijk tijdsdocument. Het behandelt een thema dat voor iedereen relevant is. Dit type documentaire komt nauwelijks aan bod op het Idfa. Zonde.»

Over die meer persoonlijke documentaires ontfermt zich sinds 1999 het Shadow Festival van Stefan Majakowski, dat tegelijk met het Idfa plaatsvindt. «Een starre organisatie zonder frisse, ludieke ideeën», noemde hij het Idfa in de Volkskrant: «Een soort RAI-Huishoudbeurs voor film.»

«Het is goed om een festival na zeven, acht jaar te vernieuwen», zegt Hans Otten, voorzitter van Documentaire Vereniging Difa die op het Idfa debatten organiseert. «Ally selecteert breed en niet profilerend. De kracht van het Idfa is dat het een mooie etalage biedt voor wat er internationaal speelt, maar het zou ook de voorhoede kunnen kiezen.» Kees Ryninks, hoofd documentaire van het Filmfonds: «Misschien is het nu wel tijd voor een nieuw geluid, wat meer adviezen van anderen.»

Bij dergelijke kritiek wijst Derks op de bezoekersaantallen, het enorme internationale succes van het festival en de aanhoudende belangstelling van de pers. Zolang alles goed gaat, waarom zou ze dan vertrekken? «Voor de woorden van critici is ze niet zo gevoelig», zegt Klarenbeek. «We hebben er heel bewust voor gekozen dat Ally eindverantwoordelijke voor de selectie is, met name voor de competitieonderdelen. Niemand heeft zo veel gezien als zij, ze is dé expert in recente documentaires.»

Wanneer houdt het op? «Je doet dit niet tot je 65ste, dat zegt Ally ook», aldus Klarenbeek.

Leendert van der Valk