De wondere toneelwereld van Carlo Goldoni

Liefde in tijden van bedrog

Met De laatste zomer van Carlo Goldoni neemt het Openluchttheater in het Amsterdamse Bos afscheid van zijn artistieke ziel en huisregisseur Frances Sanders. Twee uur komedie in hoog tempo door een kleine, gretige spelerstroep.

De toneelspeler is zojuist min of meer afgeserveerd in zijn rol van minnaar. Hij is als het ware geparkeerd bij een andere dame. De toneelspeler schakelt alvast met een craquelé falsetstem naar een van de talloze andere figuren die hij speelt, een rijke oude vrijster. Terwijl die vrouw haar oneliners kakelt, wordt hij/zij door weer een andere acteur in de bijbehorende gifgroene jurk gehesen. Zo wisselt de toneelspeler en plein publique van huid. Voor onze verbaasde ogen voltrekt zich een geestige transformatie. Sneller dan Hans Klok kan toveren. En mooier. Precies volgens de verkleedkistmagie waar deze avond op scharniert. Het raffinement zit niet in het virtuoze maar in het intens gemene, het loederige, de versierde leegheid.

Welkom in de wondere toneelwereld van Carlo Goldoni, die de figuren, situaties en intriges bedacht voor deze voorstelling, De laatste zomer. Regisseur en mede-samensteller van de avond, Frances Sanders, die met deze productie na ruim een kwart eeuw afscheid neemt als artistieke chef van het toneel in het Amsterdamse Bos, vat samen: ‘De laatste zomer is een knechtenkomedie én een intrigestuk, over burgermensen die op vakantie zijn en die vooral gokken, roddelen, vreemdgaan, elkaar de loef afsteken en smijten met geld dat ze niet hebben. Goldoni is een schrijver die zijn zaakjes bekwaam bekokstooft. Als alles in kannen en kruiken lijkt, komt er weer iemand de boel radicaal onderuit schoppen. Dit is het type toneel dat mijn dierbare leermeester Luc Boyer ooit omschreef als “groots en meeslepend liegen”. Goldoni levert snoepgoed voor toneelspelers die daarvan houden. In mijn laatste zomer mag ik daarvan een taart bakken waar een reusachtige verkleedkist naast staat.’

Die verkleedkist bestaat uit rekken met kleren en etages met rekwisieten uit ettelijke toneelmakersjaren. Zeven toneelspelers en een muzikant spelen zo’n twintig rollen.

Rollen, in de betekenis van karakters, bestonden in de Italiaanse komedie uit de zestiende en zeventiende eeuw niet. Daar kende men louter types. Toneelspelers hadden aanleg of talent (‘emplooi’ werd dat genoemd) voor specifieke typeringen van uiteenlopende mensen. De domme of de slimme knecht (Brighella, Arlecchino), de gierige of quasi-geleerde vader (Pantalone, Dottore), jonge minnaars (Amorosi), een snoevende militair (Capitano). Acteurs kenden trucs en foefjes, ze mengden die met acrobatiek, improvisatie, ze gingen gemaskerd en schakelden razendsnel van emotionele uitbarstingen naar leugenmonologen of ruzies op orkaanvolume. Een vastgelegde tekst was er niet of nauwelijks, er werd geïmproviseerd op basis van schematische scenario’s, de zogeheten canevas.

Globale inhoud, geen boodschap, geen moraal. De technisch hoogbegaafde toneelspelers bluften en schmierden zich overal doorheen met grappen, toespelingen, fysieke acts (lazzi), uitweidingen, spitsvondigheden, woordspelingen, tientallen variaties van basale emoties (schrik, eerste liefde, doodsangst), vaak vertaald in een lijfelijke choreografie (dolle vreugde bijvoorbeeld door middel van een sprong boven op de borst). Allemaal acteertechnische kwesties die zorgvuldig werden bijgehouden in ‘grappencahiers’ (generici) dan wel zakboekjes (zibaldone), dingen waarin overigens gretig werd gehandeld, zoals tegenwoordig illusionisten variéténummers van elkaar kopen.

Carlo Goldoni (1707-1793), welgesteld Venetiaan van geboorte, opgegroeid in kringen waar komediespelen even gewoon was als ademhalen, vond die toneelpraktijk van boerse en volkse commedia niet langer bevredigend, vooral door de grove stijl en de tot plat vermaak verworden toonzetting. Het zal zijn tijd zijn geweest. De burgerlijke oppositie tegen de adel zat in de lucht. Verzet tegen onoprechtheid, leeghoofdigheid en malversatie ook. Goldoni’s vader werkte als arts, maar tegenwoordig zouden wij hem een kwakzalver noemen. Hijzelf dreef een beroerd lopende advocatenpraktijk – hij zag en hoorde om hem heen de holle retoriek van het brutale bedrog. De tijd vereiste volgens hem een genuanceerder toneel, met stemmiger nuances in de karaktertekening. Goldoni wilde daartoe best een grens overschrijden, ja zelfs een doodzonde bedrijven: hij ging teksten uitschrijven voor de van oorsprong geïmproviseerde komedies. Hij wilde er per se een kunstvorm van maken: het begrip ‘commedia dell’arte’ komt vrijwel zeker uit zijn koker.

Goldoni was tacticus genoeg om zijn tegenstanders om de tuin te leiden, hij bedreef zijn doodzonde in fases. Eerst schreef hij één enkele rol helemaal uit en wel de meest cruciale, die van Pantalone, de gierige en geile vaderfiguur, niet toevallig het meest burgerlijke personage. Daarna concipieerde en prepareerde hij steeds meer karakters, hij schreef hilarische voorvallen en hectische dialogen. Hij zocht het gelijk van de toneelmaker in de kracht van de schrijver op de vleugels van de acteur. In zijn memoires schrijft hij: ‘We hebben elkaar nodig, de toneelschrijver en de toneelspeler. We moeten wederzijds van elkaar houden. En we moeten elkaar respecteren. Servatis servandis!’

Het tot in onze tijden populaire meesterwerk De knecht van twee meesters bedacht hij als 38-jarige, beginnende dramaturg in 1745. Hij deed er vervolgens acht jaar over om de tekst tot in detail uit te schrijven. Aan dat stuk ontleent De laatste zomer in het Amsterdamse Bos het knechtenmotief. De roddel en achterklap in het middendeel is ontleend aan Goldoni’s Het koffiehuis uit 1753. De liefdesintriges en het leeuwendeel van de karakters zijn geleend uit het Villeggiatura-_drieluik, de _Trilogie van het zomerverblijf, dat niet zo lang geleden nog is gespeeld bij Toneelgroep Amsterdam onder de titel Zomertrilogie. Verreweg de meest legendarische vertolking kreeg dat stuk echter in 1993 bij Toneelgroep De Appel, gespeeld in een gigantisch waterbassin, in de regie van Erik Vos. Daar plonsden wel veertien acteurs zich door Goldoni’s teksten heen. Hier in het Bos zijn het er welgeteld zeven.

Leonardo mag dan een schuinsmarcheerder zijn en een gokbeluste riskanteling, hij is wel verloofd met Giacinta

Zo belanden we bij het gehaaide talent van de regisseur van De laatste zomer, Frances Sanders. Hoe creëer je uit ogenschijnlijke armoede (‘maar’ zeven toneelspelers) rijkdom? In de eerste plaats door het zwaartepunt te leggen waar Goldoni het legt. Een van de krachten van zijn schrijverschap is dat hij de geliefden hun rechtvaardige plek in het drama heeft teruggegeven. Niet meer (zoals in de oorspronkelijke commedia) in de marge van het toneelstuk, maar in het hart van het drama.

Leonardo, centrale figuur en klaploper uit Livorno, mag dan een schuinsmarcheerder zijn en een gokbeluste riskanteling, hij is wel verloofd met Giacinta, de schone jongedame uit dezelfde stad. En dus zullen ze elkaar linksom of rechtsom moeten krijgen, of ze willen of niet, wát voor een huwelijk daar ook uit voort moge komen. Anne Lamsvelt, een explosief actrice met een heerlijke tekstbehandeling en een stem als een kathedralenklok, en Jonas Leemans, een bourgondische jonge toneelhond met een grappige zuidelijke tongval, zij vormen het epicentrum van de handeling en worden dus ook niet lastig gevallen met dubbelrollen.

Tegenover hen staan Sander Plukaard en Yara Alink, vorig jaar afgestudeerd, hier in het Bos geen onbekenden. Niet alleen verpersoonlijkt dit duo de gretigheid en het grote talent van de nieuwe generatie toneelspelers, zij krijgen hier ook ruim baan om te tonen wat ze in huis hebben, overigens zonder de valkuil van virtuoos overbluffingstoneel. Yara Alink bouwt met zorg aan de rol van het zusje van Leonardo, Vittoria, een hysterische muts die niet in de gaten heeft hoeveel schade ze zichzelf al krijsend aan het toebrengen is. Alink speelt daarnaast een sterke dubbelrol. Ze maakt van Pandolfo, de louche casinochef van de speeltafels waar Leonardo zijn fortuin verspeelt, een crimineel topnummer uit Rotjeknor. Sander Plukaard speelt zelfs drie rollen, één in elk van de drie kampen waarin De laatste zomer is opgedeeld: de wat sullige vader van Giacinta, de rijke suikeroom van Leonardo en de eigenaar van het zomerverblijf in Montenero. Goed gedoseerde uitbundigheid in toneelspelen, dat is wat Sander Plukaard hier aan het doen is. De avond dat ik hem zag spelen was het net of hij nog volop aan het doorrepeteren was. Hij speelde met de olijke grijns waaruit sprak: bevalt deze figuur u al, of zal ik hem vanavond nog eens een andere kant uit schoppen?

David van Uuden (nog op de Toneelschool) is in zijn rol van de glibberige gigolo Ferdinando nog een hoop aan het uitzoeken en daar groeit nog van alles. Net als bij Eva van der Post (ook Toneelschool), die een kamermeisje, een stiefdochter, een louche adviseur en een op zijn Brabants gesluierde echtgenote bekwaam en uitermate geestig door elkaar klutst. Zo’n vruchtbare acteerstage in je afstudeerjaar, ik wens het menige aspirant-toneelspeler toe. Alberto Klein Goldewijk componeerde en begeleidt iedere avond de liederen, waarvan de teksten zijn geschreven door Erik Bindervoet, die ook aan de rest van de voorstelling heeft meegeschreven.

En dan de toneelspeler met wie ik dit verhaal begon, Jorrit Ruijs. Hij schakelt van young urban lover Guillermo naar de stokoude knecht Paolo, via nepgraaf Anzoletto naar de frivole 75-plusster Sabina. Bij Jorrit Ruijs is sprake van een schaamteloos genot in het tonen, in het demonstrerend spelen, in het briljant achter elkaar schakelen van mooi geobserveerde eigenschappen, die ontstaan uit een grote, zinnelijke toneelspelersintelligentie. Het is een genot om naar Ruijs te kijken.

Goldoni schreef tegen het eind van zijn achttiende eeuw, toen hij berooid was aangekomen in Parijs (waar hij overigens niks te zoeken had) in zijn toneelmemoires: ‘Door de tijd, door ervaring en gewoonte was ik zo vertrouwd met de dramatische kunst geraakt dat, als ik eenmaal het onderwerp had gevonden en de karakters had uitgekozen, al het overige voor mij bijna een automatisme was.’ Zo ziet het er in deze voorstelling ook uit. Je ziet het ongetwijfeld harde zwoegen er niet meer aan af. Je ziet vooral het enorme speelplezier. En je voelt aan alles de gretigheid.


De laatste zomer in het Openluchttheater van het Amsterdamse Bos, t/m 6 september, elke dinsdag t/m zaterdag, 21.30 uur. Reserveren: 020-6433286 (tussen 14.00 en 18.00 uur) of reserveringen@bostheater.nl


Beeld: De laatste zomer_, van links naar rechts: Jonas Leemas, Sanders Plukaard (in de scootmobiel), Anne Lamsvelt, Eva van der Post en Jorrit Ruijs. Op de achtergrond hoog Alberto Klein Goldewijk (Ben van Duin)._