Erik Menkveld over Anneke Brassinga

Liefde is een smekend fantoom

Heen

In de hondsdagen versterft het wilde gezang.

Bij de kom in het gras is de merel komen drinken

vier lange teugen voor hij weer vloog –

wat leeft, leeft van schrik en beven.

Ik ken iemand; hij ligt in zijn groene graf,

het is nog vers. Hij zwijgt daar

als de schuwe vogel die hij altijd was.

Ook ik ben nog nooit zo stil geweest.

Er is beangstigend weinig te vrezen.

De zomer weelderig, de warme aarde

rustplaats waar overal

schaduwen lijken te groeien uit stralende zon.

Anneke Brassinga’s IJsgang is het aangrijpendste boek dat ik de afgelopen tijd las. Dat heeft waarschijnlijk te maken met een belangrijk thema in die bundel, een thema dat Brassinga’s werk al vanaf Zeemeeuw in boomvork (1994) en vooral Verschiet (2001) overheerst: dat van het rouwen. Rouwen om de slagen van het lot: het verlies van ‘onmisbaren’ (hier in het hartverscheurende Heen). Verlies dat gepaard gaat met een angstige ‘onopgewassenheid’ tegen de wereld, met het gevoel niet meer mee te kunnen en willen met al het voortvarende, niet omkijkende, nieuwe. Maar vooral ook met het onherroepelijke besef op een dunne laag ijs te lopen in het leven, waar je ieder moment doorheen kunt zakken en maar al te vaak ook doorheen zakt.

Nu is rouwen al gauw aangrijpend, ook voor buitenstaanders. Het is evenwel niet uit simpel medegevoel of ‘herkenning’ dat IJsgang mij regelmatig de keel toe snoert. Dat komt door de onnavolgbare, ongeknakte taal waarmee de dichteres in deze bundel het hoofd boven water probeert te houden, bitter protest aantekent tegen ‘deze smerige wereld’ van vergankelijkheid, vernietiging en bederf en mij als lezer deelgenoot maakt van haar worsteling om weer de oever op te krabbelen. Alles in IJsgang is verzet tegen de neiging in het titelgedicht om zich maar weg te laten -zinken na weer eens door het ijs gezakt te zijn bij deze zoveelste dode, en het ijskoude water hoog op te trekken ‘tot de kin/ als lakens’, zoals kinderen samen in bed, broertje en zusje stel ik me voor, en zich weer woordenloos verbonden te weten ‘in het ijle van vroeger’.

Met de bijbelse vrouw van Lot identificeert Brassinga zich in het openingsgedicht van de bundel. De vrouw van Lot, die voor de vernietiging van de schitterende stad aan zee waar ze leefde de woestijn in moet vluchten, maar die ‘liever stilstaat’, om te zien hoe ze alles wat haar lief is verliest en daardoor van verdriet in een zoutzuil verandert. Die vrouw van Lot houdt in Brassinga’s gedicht de wacht bij wat haar ontnomen wordt, maar tegelijkertijd wacht ze ergens op.

Brassinga’s verzamelde gedichten tot aan IJsgang, die in 2005 verschenen, dragen de titel: Wachtwoorden. Behalve woorden die toegang verschaffen tot de wereld zijn het ook de woorden waarmee ze het zal moeten doen tijdens het wachten.

Wachten waarop?

Redding?

Troost?

Het zelf onvermijdelijk ‘heimelijk en traag in humus opgaan’?

Dat ze geen ‘redding’ verwacht, maakt Brassinga de lezer op een haar kenmerkende opgewekt-hardhandige wijze duidelijk in IJsgang. Alle traditionele troost of hoop, waar de mens het in de loop der eeuwen mee gedaan heeft, slaat ze zichzelf cynisch en met meedogenloos taalvertoon uit handen. Zo beschrijft ze in De goede afloop het hiernamaals als een Bounty-paradijs waar alle verloren ‘onmisbaren’ weer van achter bloeiende bomen aan komen hollen.

De pythagorese zielsverhuizing zou aan haar ook wel besteed zijn, roept ze in een ander gedicht: ze zou best een tijdje steen willen zijn aan de nachtzijde van een verre, tijdloze planeet, om het tijdgebonden bederf van het aardse leven ‘als vlees en been’ even te kunnen vergeten. De schrilheid van haar toon geeft mij niet de indruk dat Anneke Brassinga een dergelijke zielsverhuizing als een reële mogelijkheid tot verzachting van het leed beschouwt. Evenmin als de mystieke ‘raking van binnen’ of het loslaten van ‘doel en bestemming’ die hier en daar in de bundel opduiken. De enige troost lijken uiteindelijk ‘liefkozingen’ te bieden: ‘de melancholieke, in zekere zin/ argeloos zo vingertop-lichte, die amper kervend zijn’.

Over de liefde gaat het in de reeks KV 133, andante, oftewel het langzame deel van Mozarts vijftiende pianosonate, waarop zij de componist van repliek dient. Ze kenschetst haar gesprekspartner als een kunstenaar die het zware opheft, ‘luchtig’ maakt: een ‘geboren gewichtheffer – ook/ de schaduw die aan alle dingen kleeft,/ smet van leed, telt mee/ bij de zwaarte die wordt opgeheven’. Tegen die zwaarte-opheffende Mozart zegt ze: ‘Ik ben het met je eens./ Liefde in deze smerige wereld,/ is een smekend fantoom/ dat zich niet vangen laat.’ Zelfs de liefde is een hersenschim.

Wat rest er dan voor wie zijn zee van herkomst kwijt is en ‘versmacht’ in de woestijn? Een luchtspiegeling? De illusie van schoonheid, een paar goedgekozen woorden tijdens het doelloze wachten op niets? Een mozartiaanse licht- en luchtigheid met behoud van zwaarte?

Brassinga lijkt zich in deze bundel de ‘geboren gewichtheffer’ Mozart tot voorbeeld gesteld te hebben, al weet ze de zwaarte lang niet overal elegant op te heffen.

Gelukkig maar.

Dat ze haar gehavende en woedende pogingen luchtig overeind te blijven of te krabbelen in IJsgang telkens weer volbrengt met een adembenemende, taalacrobatische grimmigheid maakt er juist de indrukwekkende kracht van uit.