Martin Simek interviewt Martin Simek

‘Liefde is noch het konijn noch de hoed’

Martin Simek (68) interviewt zichzelf over de liefde. Het bleek voor hem makkelijker om te ontdekken wat liefde níet is dan wat wel. ‘Liefde is het mirakel dat je uiteindelijk alleen als cavia kunt ondergaan.’

‘Mag ik iets vertellen voor we beginnen?’

Ja graag.

‘Het komende schooljaar begint onze zoon Chacha (13) aan de havo in de Amsterdamse Dapperbuurt en in Calabrië aan het liceo artistico, het artistieke lyceum. Het wordt de provinciehoofdstad Catanzaro of Squillace, een prachtig bergstadje met een lange artistieke en ambachtelijke traditie. Squillace heeft Chacha’s voorkeur, maar het ligt voor velen een beetje uit de route. “Chacha”, zei de rector van het artistieke lyceum, “we hebben dit jaar nog maar acht aanmeldingen. En de eis van het ministerie is minimaal negen leerlingen om een eerste klas te mogen beginnen. We zitten er enorm mee.” De rector keek er ernstig bij.

Medium dscn5830

“Preside, scusate”, (Rector, pardon) zei de anders tamelijk introverte Chacha zakelijk, “waarom laat u een van de huidige eersteklasleerlingen niet zakken?”

Het gezicht van de Calabrese rector lichtte op. Hij keek onze zoon bijna verliefd aan. “Chacha, ik beloof je: we vinden een plekje voor je op onze school. Je lijkt me iemand die ook wel twee jaar in één kan doen.”

Waar hij straks ook naar school zal gaan, voor het eerst wist ik die ochtend daar in Squillace: Chacha gaat het redden in het leven, ook zonder mij. En dat is voor een vader van bijna 69 een hele geruststelling.’

Waarom wilde u dit kwijt?

‘Omdat liefde natuurlijk geven is, maar je geeft niets als je geen vertrouwen kunt schenken. Alleen dat gaat niet op commando, de ander moet het verdienen.’

Gaat vertrouwen in iemand krijgen zo snel?

‘Bij mij wel. Bij mijn vader ook. We zaten met z’n allen aan tafel. Mijn moeder diende de soep op. Vader had ongetwijfeld een zware dag achter de rug, zoals zes dagen per week. Ik, mijn broers en vooral mijn moeder deden er alles aan om hem zijn loodzware arbeid in de cementfabriek, waartoe het regime hem had veroordeeld, te doen vergeten. Gewoonlijk vroeg hij wat wíj die dag hadden gedaan. En we babbelden er dan vrolijk op los, vaak de dingen mooier makend dan ze waren. Hij had al zorgen genoeg.

Mijn moeder verstond de kunst om van haast niets een maaltijd te bereiden. Die avond had mijn vader een muur om zichzelf opgetrokken. We durfden nauwelijks te praten. Tot de stem van mijn vader de stilte in tweeën sneed: “De soep is koud.” Mijn moeder begon zich te excuseren. Dat maakte me nog bozer. “Het-is-niet-de-soep”, zei ik langzaam en duidelijk. Mijn vader keek me wat langer aan dan gewoonlijk en knikte. Ik wist: hij is er trots op dat ik hem doorheb.

Mijn moeder gaf me haar vertrouwen pas op haar sterfbed. Ze wilde altijd dat ik me wat meer aanpaste, want ze was bang dat ik mijn leven onnodig compliceerde. Pas op haar sterfbed zei ze: “Blijf zoals je bent.” Ze heeft me een groot cadeau gegeven, maar je kunt niet geven wat je zelf niet hebt. Zij had zichzelf altijd op de laatste plaats gesteld. Ze gaf zichzélf weg in plaats van liefde. Liefde heeft een veel spannender gezicht dan goedheid.’

En hoe zit het met de liefde waar seks en erotiek bij betrokken zijn?

‘Voor mij werden vrouwen een schuilplaats, met hen kon ik een wereld scheppen die buiten niet bestond’

‘Daar werd bij ons thuis nooit over gesproken. Mijn moeder was zeer gelovig en wekte soms de indruk meer gebukt te gaan onder het feit dat ze niet met mijn vader in de katholieke kerk was getrouwd dan onder het communisme. Mijn vader was een filosoof en dacht na over van alles, maar over liefde valt niet te filosoferen. Liefde is noch het konijn, noch de hoed. Liefde is het mirakel. Hij schreef er prachtige, mysterieuze gedichten over, maar ik wist niet eens hoe een naakte vrouw eruitzag. Wat dat betreft had ik meer aan de medische encyclopedie en de gaten in de muur tussen de mannelijke en vrouwelijke tenniskleedkamer. Op dat gebied ben ik honderd procent autodidact.

Mijn talent lag vooral in intimiteit scheppen, maar op het moment suprême wist ik niet wat er precies van mij verwacht werd. En ook niet wat ik van mezelf moest verwachten. Lange tijd voelde ik me betrapt, als een meisje per ongeluk of expres mijn stijve aanraakte, en had zelfs de neiging om me te verontschuldigen. Ik weet niet hoe ik erbij kwam, maar ik was ervan overtuigd dat je pas een stijve mag krijgen op een duidelijk teken van de vrouw. Op aanvraag, zeg maar. Toen ik op mijn bijna-twintigste, na de Russische inval, over de grens ging had ik nog maar één meisje gehad. Of beter gezegd zij had mij gehad.’

En toch wekt u de indruk dat u het gered hebt.

‘Daar moet ik tennis voor danken. Tennis zoals ik het voorsta is een soort paringsdans tussen de speler of speelster en de bal. De dominante partij – de speler/speelster – moet eerst het vertrouwen van de bal krijgen, voor hij hem mag meppen. In die paringsdans gaf ik les op de Nederlandse tennisbanen. Mijn eerste vriendinnen waren ouder en goed gesitueerd. Ik had meer tijd en aandacht voor ze dan hun mannen. Dat ik groen was vonden ze nog leuk ook. Van hen heb ik geleerd hoe vrouwen in elkaar zitten en wat ze fijn vinden. En dat bescheidenheid veel erotischer is dan gorillagetrom op de borst. En dat snapte ik heel goed, want zo is het precies ook op de tennisbaan.’

Wat hebt u nog meer van vrouwen geleerd?

‘Dat vrouwen van binnen onontdekte continenten zijn, of in ieder geval de vrouwen waar ik op viel. En dat het avontuur ligt in ze te exploreren, veel meer dan in ze te versieren. Voor mij werden ze een schuilplaats, met hen kon ik een wereld scheppen die buiten niet bestond. Een wereld waarin alles gulheid en openheid werd. Een van hen, ze was negen jaar ouder, is een paar jaar geleden overleden. Toen ik het briefje kreeg van haar broer – “Ik schrijf u op nadrukkelijke wens van mijn zuster” – dacht ik eerst aan een auto-ongeluk. Pas toen ik haar leeftijd onder ogen kreeg, besefte ik dat het allemaal heel lang geleden was.’

En wanneer schakelde u om? Want een beetje Casanova neemt tamelijk jong afscheid van de oudere vrouw, is het niet?

‘Op mijn 26ste viel ik voor het eerst voor iemand die jonger was dan ik, als een blok. Een koele schoonheid, een Nederlandse Monica Vitti uit Antonioni’s Il deserto rosso. Onbereikbaar, introvert, een schoonheid die in het voorbijgaan slachtoffers maakt zonder daarmee bezig te zijn. Zo was zij. En ik was het slachtoffer.

Ze bewoog alsof haar bewegingen werden gedirigeerd door haar ongelooflijke vracht blonde, golvende haar tot op de billen, die ook al een heel sterk punt waren. Als ze niet naar je keek had je alle kans om je aan haar te vergapen, want haar lange nek scharnierde altijd in slow motion, alsof ze je niet in verlegenheid wilde brengen door je te betrappen op het moment dat je bijvoorbeeld naar haar tepels keek, die op haar hoge borstkas door de dunne stof staken, zo mooi dat je de borsten niet eens miste. Die had ze nauwelijks, wat haar meisjesachtigheid accentueerde.

Mijn officiële verloofde was een mannequin en vloog de hele wereld over. Ze was dertig en liep haar eerste modeshow op haar vijftiende. Als ze even in Nederland was, speelden we echtpaartje in haar huisje met het rieten dak in Noord-Holland, of in mijn halve woninkje om de hoek van de Albert Cuyp. Op feestjes, premières, boekpresentaties, openingen, werd ik door haar voorgesteld als “een veelbelovende” of – nog erger – “geniale” Tsjech. “Mooi zo”, zeiden dan de gevestigde uitgevers, hoofdredacteuren, regisseurs, producenten en geldschieters, “en wat doet hij precies?” En als ik dan verlegen wegkeek zei zij die iedereen kende met haar zangerige, hoge, licht geaffecteerde, stem: “Te véél om op te noemen. Hij tekent prachtig, schrijft gedichten in zijn moedertaal en tennist, hè liefste.” En dan kuste ze me en trok me mee.

Na twee, drie dagen, hooguit een week, vloog ze weer naar een land met mooi weer voor een fotoshoot met de bekendste fotografen en oogverblindende mannelijke fotomodellen. “Ach, die lieverds, die houden allemaal van elkaar”, lachte ze mijn zorgen weg, als ik soms vroeg hoe ze heetten om eventueel naar een spoor in haar agenda te kunnen zoeken.

Als ik aan haar dacht was ik jaloers. En als ik aan mijn studente psychologie Monica Vitti dacht was ik nergens. Ik was geïntimideerd door haar oogverblindende uiterlijk en superieure zwijgen. Op een keer vroeg ze zomaar of ik mee ging naar haar ouderlijk huis. “Graag”, zei ik. Ik wilde graag haar ouders ontmoeten, zo van het ene moment op het andere, spontaan, zonder de plichtplegingen die in die tijd in Nederland nog aan zo’n bezoek vasthingen. Ze woonden in Buitenveldert. Toen we uit de lift stapten deed ze open met haar eigen sleutel. Er was niemand thuis. We stonden wat in de woonkamer, ze trok haar jas uit en liet hem zo op de grond vallen. En weer dat mysterieuze zwijgen. Toen ineens zei ze: “Kom”, en liep in één keer door naar de keuken. Ik drentelde achter haar aan. Ze wees op de grond. “Hier ben ik op mijn zestiende verkracht door een keurige man die aanbelde en vroeg of hij de telefoon even mocht gebruiken.” Ik besefte dat het nu mijn beurt was om te zwijgen.

Lief zijn voor haar en haar laten lachen was vanaf dat moment mijn enige ambitie. Soms liepen we hand in hand, heel even, en dan weer niet. Ze was een emotionele stotteraar. Soms raakte ze me even aan als ze moest lachen, maar meer om houvast te zoeken, want ze was lachen niet gewend. Nu pas werd ze eigenlijk echt mijn jongere vriendin. Haar superioriteit bleek een onverwerkt trauma. Ze zag er plotseling ook heel anders uit. Minder statig, verlegen zelfs. Het sensuele en superieure had ze alleen nog maar met derden erbij. Maar zodra de deur achter ons dichtviel, liet ze haar masker op de deurmat liggen. Voor het geval iemand zou aanbellen. Ze werd als het ware van mij. Niemand anders kende haar zo. Hoe eervol ik het ook vond, ik vond het masker tot mijn schrik aantrekkelijker. En dat terwijl ik er juist zo trots op was dat ik maskers hielp afnemen.

‘Iemand die je uit pure liefde op zijn tijd op je flikker geeft, daar heb je pas echt wat aan’

Mijn mannequin had ook een masker, dat ze thuis stap voor stap voor me afdeed. Haar geaffecteerde hoge stem werd dieper, echter, het werd haar eigen stem. Ze durfde op het laatst zelfs zonder make-up naast me te slapen. Ik tekende haar dan in het ochtendlicht en nam foto’s als ze nog sliep. Dat was míjn foto van haar, alleen voor in mijn portemonnee. Toen ze hem zag moest ze huilen dat ze lelijk was en ik moest zweren dat ik hem nooit aan iemand zou laten zien. Dat “geniaal’, zoals ze me noemde, bedoelde ze niet als grap. Dankzij haar leerde ik dat complimenten zwaarder op je kunnen drukken dan kritiek. Ze dwarrelde met mijn tekeningen naar de belangrijkste uitgevers en bladen en keerde verbaasd onverrichter zake terug. “Ze hebben hun fingerspitzengefühl verloren”, zong ze dan vanaf de drempel.

Toen ik op een keer in de auto met mijn onvaste stem een liedje van Ramses meezong, riep ze dat ik een plaat moest opnemen. Toen wist ik het zeker. Ze meende het echt. Ze was krankzinnig van liefde, maar wat is dan liefde? vroeg ik me af. En omdat ik het antwoord nog niet wist, besloot ik in ieder geval vast af te strepen wat liefde níet was.’

En?

‘In ieder geval niet een ander verafgoden en blind bewonderen. Ook niet je aan een ander vastklampen. En zeker niet – mijn specialiteit – van alles projecteren op een leeg doek. De daarop volgende maanden breidde ik mijn vriendinnenkring uit tot vier in een poging om er de ideale vrouw van te maken. Even leek het te lukken. We zouden zelfs met z’n allen aan de viering van mijn dertigste verjaardag beginnen. Het was een jubileum op meerdere fronten: ik was ook tien jaar in Nederland en het moest de mooiste dag uit mijn leven worden.

Het werd een fantastisch feest. Ik was euforisch. Overstromend van geluk riep ik uit “Ziju taky za vás!” (“Ik leef ook voor jullie!”) voor mijn ouders, broers en vrienden die ik in Tsjecho-Slowakije had moeten achterlaten. Ik was nog bezig aan de vertaling toen een enorme ruzie losbarstte. Diezelfde avond, toen ik alleen in m’n bed lag, streepte ik af: polygamie is het ook niet.’

‘In Praag lag mijn vader op sterven en kreeg ik dankzij mijn beroemde broer toestemming van de communistische autoriteiten om afscheid van hem te nemen. Boven zijn graf, hand in hand met mijn moeder, vroeg ik me ineens af: zou liefde soms toch op degelijkheid zijn gebaseerd?

Thuis in de Nieuwe Kerkstraat lag de vloermat vol met brieven. Alle condoleances leken op elkaar. “Het is net of je vader op je heeft gewacht.” “Je bent sterker dan je vaders dood.” “Nu is het aan jou, Martin.” Er was maar één briefje dat uit de toon viel. Alleen al omdat het geschreven was op een papiertje uit een schoolschrift. “Ik heb nog nooit iemand verloren. Ik ben benieuwd hoe dat voelt. Misschien dat je het me een keer wilt vertellen.” Ze was zeventien.

Ik was in één klap monogaam. Maar ze moest natuurlijk wel gecoacht worden. Ze moest in Rome gaan studeren, want ik wilde naar Rome.

“Wat je ook gaat doen, doe het ergens anders. Nederland ken je al”, zei ik nonchalant achterover hangend op het terras van café Mulder op het Weteringcircuit. Waar ik geen rekening mee had gehouden was heimwee. Ik gleed daar in Rome ongemerkt in de vaderrol, want ik was bezorgd om haar. En bezorgdheid is niet erotiserend, niet voor wie het is en niet voor wie het ondergaat. De prille liefde kon ik ook afstrepen.’

Nu eindelijk de Italiaanse vrouwen.

‘Ik heb Italiaanse vrouwen vaak overdreven gevonden. Maar toen zij, een elegante vrouw uit de gegoede kringen, echtgenote en moeder, bij onze eerste keer mijn rug openkrabde en riep: “Fammi un bambino!” (“Maak me een kind!”) wist ik het zeker. Liefde is geen hysterie.

De Berlijnse Muur viel. En ik was ineens in een bevrijd Praag vol stralende Tsjechische meisjes. Eenvoudig gekleed, maar dat vond ik juist prachtig. En ze hadden hun wenkbrauwen nog! En zelfs haar onder hun oksels. Ik was 42 en terug bij de bron. Dat jaar was een en al emotie. Liggend in het Tsjechische gras las ik de meisjes de gedichten van mijn vader voor. Eentje kuste mijn spatader, toen ik die probeerde te verbergen. “Je moet van álles aan jezelf houden”, lachte ze.

Het Praag van na de Fluwelen Revolutie hongerde naar openheid, vrijheid en liefde. Ik hield op met afstrepen. Ik zag in dat ik de cavia van mijn eigen wetenschappelijke onderzoek was. Zijn, in het moment zijn, je moedertaal weer spreken, je moeder mogen zien sterven en terwijl je in de centrifuge van de geschiedenis zit haar met haar laatste adem horen zeggen: “Blijf zoals je bent.” Daar kon niets overheen. Ik was krankzinnig van geluk.’

Nog één vraag. U zei eerder: ‘Liefde heeft een spannender gezicht dan goedheid.’ Hoe ziet dat gezicht er dan uit? Bent u er inmiddels achter?

‘Liefde is ook confrontatie. Een lakei kun je kopen, een raadgever ook, zelfs een coach kun je inhuren. Maar iemand die je uit pure liefde op zijn tijd op je flikker geeft, daar heb je pas echt wat aan. Haast niemand doet het, uit angst om de geliefde vrouw, man, kind, vriend, vriendin te verliezen. Liefde is strijd, geen vrede. Vrede is een adempauze, een sigaretje na het gevecht van het minnen. Dat gevecht met jezelf en met de ander onderbreek je alleen om gezamenlijk een externe vijand buiten de deur te houden. Vandaar dat echtparen vaak zo gebaat zijn bij druk-druk-druk. Zodra ze de tijd krijgen voor zichzelf weten ze niet wat ze moeten. Tijd voor jezelf nemen, tijd voor een ander, dat is pas eng.

“Van jezelf houden” klinkt alleen voor wie er niet toe in staat is als een eitje in de oren. Want van jezelf houden betekent keihard en voortdurend aan jezelf werken. Ik ben in voortdurend gevecht met mezelf en de hoofdrolspelers van mijn leven, mijn vrouw en mijn kinderen voorop. Voor figuranten ben ik mild en vijanden kunnen op mijn allerhartelijkst gespeelde sympathie rekenen.’