Liefde kan blind maken

De biografie Tussen Lenin en Lucebert: Mathilde Visser, kunstcritica (1900-1985) had zomaar anders kunnen heten. Tussen Chroesjtsjov en Courbet bijvoorbeeld. Of Tussen Mao en Malevitsj. Tussen Stalin en Sandberg. Tussen Tito en Tzara. En ga zo maar door. Want Mathilde Visser volgde de machthebbers uit het Oosten en begaf zich tussen legio kunstenaars van de avant-garde. Wat die met elkaar deelden was een vurig geloof in één idee en een hartgrondige afkeer van alle andere. Het waren mannen met visies die in de loop van de eeuw onherroepelijk herzien zouden worden. Kopstukken die zouden vallen, stromingen die tot stilstand kwamen. Aan hun volgelingen de taak om zich tot nieuwe generaties, nieuwe ideeën te verhouden. Visser was een van hen.

Jules Chapon, ‘Portret van Mathilde Visser; kop en schouders & en face’, 1984. Olieverf op textiel, 92 x 73 cm © Jules Chapon / Collectie Joods Historisch Museum

Igor Cornelissen, in de actieve jaren van Visser journalist bij Het Vrije Volk en redacteur bij Vrij Nederland, bracht in Tussen Lenin en Lucebert haar netwerk in kaart aan de hand van dagboeken, brieven en gesprekken. Bekende en minder bekende mensen vullen de biografie als bewoners van dezelfde tijd, met Visser als aangewezen hoofdpersoon vanwege de positie die zij innam. In een wereld met harde grenzen, strijd en achterdocht, waarin de kaarten elk moment anders geschud konden zijn, stond zij ergens voor en bleef daar staan.

Nog voor de oorlog kwam ze los van haar welgestelde, joodse milieu. Films uit de Sovjet-Unie brachten haar op het spoor van de revolutie, een aanraking met het surrealisme had haar, zoals ze later aan Stedelijk Museum-directeur Willem Sandberg schreef, ‘bevrijd uit de burgerlijke leugen’. De breuk met haar familie kwam niet uit eigen wil. Vader mr. Lodewijk Ernst Visser, president van de Hoge Raad, was aan het begin van de oorlog zonder enig protest afgezet en gestorven. Broer Ernst doodgeschoten, moeder Cornelia Visser-Wertheim gestorven in Westerbork. Visser was al uit Nederland weggegaan, eerst naar Berlijn en toen naar Parijs.

Ze kende er tout le monde. Van name dropping had ze een handje en dat plaveit de weg voor de biograaf. Ze hoorde Dalí in het café zeggen dat hij de billen van zijn Gala zo fijn vond. Ja, ze kende ze, allemaal. Maar iedereen kende iedereen, in die tijd, in die stad. De ontwikkeling van haar politieke overtuiging zoals Cornelissen die schetst, is hier interessanter dan de roddels uit de kunst. En daarbij niet de vraag waarom ze communiste werd, maar waarom ze het blééf.

In 1936 werd Visser lid van de pcf, de Franse communistische partij met intellectuelen onder de gelederen. Ze ontmoette haar geliefde Zdenko Reich, communist uit Joegoslavië, en trad op als tolk van Tito toen ook die in Parijs verbleef. In Rusland begonnen rond deze tijd de grote zuiveringen van Stalin, in Parijs vierde men nog feest. Visser was van huis uit bemiddeld en vierde mee in avondjapon en een ‘hanenveren boa’ van haar moeder. Van een kerstfeest in huize Visser in 1938 herinnerde een vriendin zich later de hamer en sikkel in de kerstboom.

Mathilde Visser was ronduit sjiek voor een communist maar overtuigd van de zaak

Visser was ronduit sjiek voor een communist maar overtuigd van de zaak. Toen André Gide schreef over de teleurstelling na een reis door de Sovjet-Unie met vriend Jef Last vielen beiden uit de gratie. Visser stak een stokje voor de publicatie van werk van Last en Gide draaide ze de rug toe. We zien haar in de val van de geschiedenis lopen. Cornelissen: ‘Ze was een gevangene geworden van haar politieke keuze. Trouw aan een afgod die honderdduizenden de dood injoeg. (…) Liefde kan blind maken. Met kritiekloze trouw aan een ideaal is het niet anders.’

In 1949 keerde Visser na een verblijf in Zwitserland en Belgrado alleen terug naar Nederland. Jarenlang had ze zich opgehouden met de Joegoslavische communisten, ze was getrouwd geweest met Reich, en nu lag er het conflict tussen Stalin en Tito. Ze koos de kant van Stalin en in haar Dertien jaar belevenissen met de Joegoslavische communistische partij kregen oude kameraden ‘onaangename karaktertrekjes’. Het was in Nederland niet genoeg voor lidmaatschap van de cpn, wel werd ze er een veel gevraagd begunstiger voor cultuur en politiek. Cornelissen had nog een titel voor zijn biografie, op de achterflap van zijn boek: ‘Goudvink tussen de roodborstjes’.

Kunstcritica werd Visser pas op 56-jarige leeftijd, over de helft van de biografie. Ze had toen een landhuis in Laren met een tuinarchitect en een Duitse herder met een Slavische naam die autoriteit moest voelen, ‘net zoals de mensen uit het land van zijn voorouders’. Ze ging schrijven voor het communistische dagblad De Waarheid in het jaar dat de Guernica van Picasso in het Stedelijk hing.

Tussen Lenin en Lucebert is een heerlijk vlotte biografie met kleine eigenaardigheden. Er is de wonderlijke keus van Cornelissen om Visser door het hele boek heen bij voor- en achternaam te noemen. Dat schept een afstand die doet vermoeden dat de biograaf zijn vingers niet helemaal aan de standvastigheid van zijn onderwerp wilde branden. Het motto van Cees Fasseur geeft te denken: ‘De lezer is in het algemeen mans genoeg om na lezing van een eerlijk gebracht, gedetailleerd levensverhaal zijn eigen conclusies te trekken over het karakter van de hoofdpersoon.’

Toen Visser eenmaal cpn-lid mocht worden, bleef ze dat tot het einde, óók toen ze vanaf 1972 ging schrijven voor Het Financieele Dagblad, ook toen zovelen al waren afgehaakt, ook toen er ruimte was voor twijfel. Na haar dood verzuchtte de familie dat de ondergang van Sovjet-Unie en communisme haar bespaard was gebleven. De deksel die zij op haar neus kreeg kwam als een icoon van een beroemd Russisch schilder, door haar aangeschaft voor dertigduizend gulden, die vals bleek.