Atte Jongstra en Yves Petry

Liefde, lust en vrouwenvlees

Atte Jongstra

De tegenhanger

Querido, 478 blz., € 22,50

Yves Petry

De laatste woorden van Leo Wekeman

De Bezige Bij, 256 blz., € 19,50

Want iedereen is de weg kwijt. Frank Boeijen zong het al, zoveel jaar geleden, en ook in de literatuur is de op drift geraakte mens een geliefd thema. Atte Jongstra en Yves Petry wagen zich in hun nieuwe roman, respectievelijk De tegenhanger en De laatste woorden van Leo Wekeman getiteld, aan een rite de passage-achtige zoektocht naar verlossing, bestemming, zingeving. Een riskante onderneming, want alleen te verteren als het brein achter de zoektocht níet de weg kwijt is.

De tegenhanger van Jongstra doet zich in eerste instantie voor als een guitig jongensboek. De omvang, de talloze hoofdstukken met de «Waarin onze held op zijn schreden terugkeert»-achtige kopjes, de glasheldere verteltrant, de snel opgebouwde intrige van de man die wordt bedrogen door zijn vrouw met zijn beste vriend… Met de guitigheid is het dan echter heel snel afgelopen. Jongstra’s personage, Atte Jongstra geheten (hé!) en psychiater van beroep (huh?), gaat zich verdiepen in de vrouw-op-leeftijd en haar lustbeleving, in de hoop zijn Mary terug te winnen. Dit gaat eerst gepaard met extensieve surftochten langs pornosites, en later met een monter opnieuw gestart seksleven. Ondertussen is er een patiënt die steeds opdringeriger wordt, Hudiger genaamd (en nu moet iedere zichzelf respecterende recensent schrijven dat Atte Jongstra eerder een roman over Hudiger heeft geschreven).

In het tweede deel vindt een perspectiefwisseling plaats, en nog weer later smelten Hudiger en Jongstra samen tot één figuur. De tegenhanger ontwikkelt zich tot een soort thrillerachtige soap story, maar dan vertraagd afgespeeld. Er moet namelijk ook nog een literair spel worden gespeeld met dubbele identiteiten en verwijzingen voor ingewijden, en er moet eindeloos seks worden bedreven, ook met nonnen, juist met nonnen, hoe ouder hoe heter. Geil! zeggen ze dan in Duitsland. De suggestie is dat je uiteindelijk niet aan jezelf kunt ontsnappen, of juist wel. En de hellevaart zou iets met Dante van doen hebben.

Iéts stoort aan dit boek. Is het schrijvers’ obsessie met verwelkend vrouwenvlees? Zijn het al die pseudo-grappen? De ongebreideldheid viert hoogtij in De tegenhanger. Het lijkt erop dat Jongstra een klassieke vergissing begaat door te denken dat maniakaliteit vraagt om een maniakale, lees: ongeremde, roman. Terwijl een maniak pas indruk maakt als hij óók blijkt te kunnen fluisteren.

De laatste woorden van Leo Wekeman van Yves Petry bewijst dat een roman over aan gekte grenzende existentiële wanhoop op je af moet komen als een gestroomlijnde atleet met een iedereen — man, vrouw, non, Jongstra, Hudiger — op de knieën dwingende pen. Vanaf de openingspagina’s, over «de eerste keer» en de vele keren daarna, zijn ze verloren. Geef ons meer! En Petry geeft meer, en doet dat in afgepaste doses en in een dwingend ritme. Ook voor zijn Leo Wekeman begint de ellende met een huwelijks crisis. Als hij niet langer in toom wordt gehouden door het thuisfront kunnen de sores op zijn werk de overhand nemen. Pijnlijk geestig beschrijft Petry de pikorde op de redactie van een kleine linkse krant, en hoe die verstoord wordt door de komst van een ongenaakbaar mooie man op wie iedereen, van muizige secretaresse tot laffe hoofdredacteur, verliefd wordt.

In de vijf hoofdstukken waaruit de roman bestaat, wordt een inkijkje geboden in de gedachtewereld van achtereenvolgens Wekeman, de muizige secretaresse, de laffe hoofdredacteur, de mooie man, en tot slot weer Wekeman. Het inkijkje is zwarter dan zwart, maar omdat niemand buiten schot blijft is de boodschap goed te verteren. In feite zijn het allemaal lange tirades, persoonlijke filosofieën over met name liefde en lust, voortspruitend uit de honger naar vervulling, de zucht naar zelfverlies, maar vooral voortspruitend uit wat een enorm lenige schrijversgeest moet zijn. Een lenigheid die zich uitstrekt tot het vermogen ernstig en grappig tegelijkertijd te zijn. In de apotheose wordt Wekemans visie op de menselijke staat van zijn — «allemaal waren we afgebeulde trekdieren» — buitengewoon aanschouwelijk gestalte gegeven. Eindelijk valt Leo Wekeman samen met zijn object van verlangen, de goddelijk mooie Xavier Kingston. Voor eventjes. Een ejaculatie lang ongeveer. Daarna staat iedereen — man, vrouw, non, Jongstra, Hudiger — weer op, gelouterd en onder de indruk.