Liefde of landsbelang

Miroslav Penkov, Ten oosten van het westen. Een land in verhalen. Vertaald door Caroline Meijer en Saskia van der Lingen, € 18,90

Al in de eerste zinnen van het openingsverhaal Makedonia in zijn debuutbundel_Ten oosten van het westen: Een land in verhalen_ stelt de Bulgaarse Amerikaan Miroslav Penkov (1982) de historische kennis van zijn lezers op de proef: ‘Ik ben geboren nog geen twintig jaar nadat we de Turken eruit gesodemieterd hadden. 1898.’

Aan het woord is een 69-jarige man die met zijn vrouw Nora in een verpleegtehuis bij Sofia woont. Hij is incontinent; zij heeft een beroerte gehad, is verlamd en kan niet meer praten. Het turbulente Bulgaarse verleden springt hem onverhoeds op zijn nek als hij bij toeval een bundeltje brieven uit 1905 vindt van de eerste geliefde van zijn vrouw, een anti-Turkse partizaan. Met terugwerkende kracht wordt hij jaloers op deze heldhaftige jonge briefschrijver, die het landsbelang boven de liefde verkoos. In het leven van de ik-figuur is iets gebeurd wat hem in zijn eigen ogen tot een eeuwige lafaard bestempelt: hij heeft zijn vermoorde broer verloochend. Het verzorgingstehuis is voor hem een tehuis voor de bijna-doden die nog immer lijden onder de vele oorlogen die Bulgarije in de twintigste eeuw heeft verloren, smadelijke nederlagen die het solide zelfbewustzijn of de ideologische zekerheden definitief ondermijnden. Steeds opnieuw koos het land de verkeerde bondgenoot: nazi-Duitsland, Stalins Sovjet-Unie.

Dankzij het Congres van Berlijn in 1878 was Bulgarije dan wel bevrijd van de Turkse terreur en kreeg het land een liberale grondwet naar Belgisch model, een tsaar en een Bulgaarse Bismarck bevorderden niet de democratie. In de Eerste en in de Tweede Wereldoorlog koos Bulgarije, azend op Macedonië, voor Duitsland. Tussendoor heersten autoritaire regimes, militair en tsaristisch. Op 9 september 1944, vlak nadat Bulgarije een pro-westerse regering kreeg die zich bij de Geallieerden aansloot, zorgde een coup voor bijna een halve eeuw Moskou-communisme, tot in 1989 alles instortte en het onwennige Bulgarije kennismaakte met de democratie, een staatsvorm waaraan het corrupte land nog steeds niet gewend is geraakt. Tien jaar later vertrok de achttienjarige Miroslav Penkov naar Amerika.

Toch is zijn verhalenbundel een hommage aan het land van zijn ouders en grootouders en, via het Engels dat hij zo moeizaam leerde in Sofia, aan zijn moedertaal. Schijn en gespletenheid, daar draaien zijn verhalen om, de schijn van de communistische façade en het dubbelleven dat velen in die leugenachtige, bordkartonnen wereld moesten leiden. In Lenin kopen laat Penkov zijn Amerikaanse alter ego vaak telefoneren met de aan het oude Bulgarije trouw gebleven grootvader, een min of meer gestaald kader dat zweert bij het Verzameld Werk van Lenin. Hij vertelt over zijn verleden als partizaan en vraagt zich af waar al zijn opofferingen voor nodig zijn geweest. ‘Wat is dit voor een wereld, waarin mensen en geiten zonder enige reden aan hun eind komen in schuilholen? En dus leefde ik mijn leven alsof idealen er werkelijk toe deden. En uiteindelijk was dat ook zo.’

Dat laatste zinnetje is heel belangrijk in Penkovs verhalenbundel, waarin de ware liefde het vaak moet afleggen tegen praktische politieke keuzes. Het communisme is dood, maar het idealisme niet. Daartussen manoeuvreren de mensen die weten dat overleven op de eerste plaats komt. In De brief is dat de jonge vrouw Maria (‘Ik lieg en ik steel’), met een afwezige moeder, een vader in Engeland en zusje Magda in een zwakzinnigen­instituut. Als dat zusje zwanger raakt, probeert Maria haar te redden. Maar ten slotte kiest ze, via chantage en angst, voor zichzelf. De wendingen in deze vertelling – door Penkov elegant en subtiel aangegeven – zijn even zovele zwenkingen tussen zuivere liefde en eigenbelang. Stelen wordt in een ander verhaal (Kruisdieven) zelfs een ‘humanitaire missie’ genoemd.

Het titelverhaal is de meest complete vertelling waarin de liefde op het landsbelang botst, of het idealisme op het pragmatisme. Wie zijn vaderland ontvlucht wint en verliest. ‘Het kost me dertig jaar en het verlies van mijn dierbaren voor ik eindelijk in Belgrado aankom.’ Aan het woord is een man uit Srbsko, een dorp dat door een rivier in twee gehuchten wordt verdeeld, een Servisch en een Bulgaars gehucht. Die gespletenheid zet zich door in de bewoners, die na verloop van tijd niet meer straffeloos kunnen pendelen en zwemmen tussen oost en west. De liefde trekt zich niets van grenzen aan, maar als de man – met de bijnaam De Neus omdat hij een keer in elkaar is geslagen – zijn geliefde Vera op de andere oever en later in Belgrado wil naderen, blijft er een barrière, die hij pas na jaren kan slechten, waarna hij ten slotte toch met lege handen blijft omdat Vera praktischer blijkt te zijn dan hij.

De grootvader in Lenin kopen heeft het over de besmetting met de hondsdolheid van het Westen en over de morele verloedering van Amerika, toch blijft hij praten met zijn kleinzoon, ex-Bulgaar in Arkansas, die met handen en voeten gebonden blijft aan Bulgarije. Miroslav Penkov vervalt in zijn verhalen nergens tot een goedkope afrekening met zijn Bulgaarse verleden of tot een schematische verdeling van de wereld in goed (westers) en kwaad (het corrupte pseudo-democratische Bulgarije). In zijn liefdevolle ‘Bulgaarse’ vertellingen laat hij de tragische nationale geschiedenis prachtig vervloeien met het privé-verlangen van zijn scheppingen. Aan het slot van het titelverhaal omschrijft De Neus, die in Belgrado weer zijn neus stoot, zichzelf: ‘Ik ben geen rivier, maar ik ben ook niet van klei.’ Penkovs personages zijn pragmatische gevoelsmensen die van beide kanten – oost en west – willen blijven leren.