Liefde valt lastig te programmeren

Soms kan een auteur bijna vóór zijn werk staan, zodat je het alleen nog maar kunt lezen met zijn stem in gedachten, zijn beeld voor ogen. In het geval van Adriaan van Dis, bekend van televisie tenslotte, pakt dit weliswaar over het algemeen goed uit – hij is de meest eloquente ambassadeur van zijn eigen werk – maar is het soms ook jammer. Je zou zijn romans er zomaar tekort mee kunnen doen. Van Dis speelt met de autobiografie, met het idee van ‘waargebeurd’. Hij heeft er een kunst van gemaakt om de lezer zogenaamd naderbij te lokken, hem het idee te geven iets van zichzelf te openbaren. Zijn diepste geheimen, zijn grootste trauma’s, zijn spreekwoordelijke aambeien. Als je zijn werk leest zónder direct aan hemzelf te denken, wint zijn fictie aan kracht, zeker de verhalen die hij nu als een roman-in-fragmenten publiceert onder de noemer In het buitengebied. Lees de openingsalinea, de luttele regels die als een motto voorafgaan aan de langere verhalen: ‘Op een koude morgen de eieren uit het hok halen, ze in de zak van mijn ochtendjas laten glijden en hun warmte tegen mijn dij voelen. Ik word aangeraakt.’ Alles zit hierin als in een helder en toch geheimzinnig gedicht: eenzaamheid en sensualiteit, sereniteit en verlangen.

Medium adriaan van dis color

In de erop volgende verhalen verkent Van Dis de grenzen aan intimiteit en de (on)mogelijkheid van contact. In ‘Akiko’ zoekt de verteller beschutting bij een pop van Japanse makelij, een robot die nog wat finetuning nodig heeft. Een droefgeestig existentieel verhaal, dat past in een huidige trend van films en boeken waarin de westerse mens zijn ideale liefde modelleert naar zichzelf. In Her, de in een nabije toekomst gesitueerde film van Spike Jonze, kan de behoefte aan intimiteit en aandacht bevredigd worden door een computergestuurd device, een pratend spiegelbeeld in feite. Ilja Leonard Pfeijffer voert in zijn meest recente roman Peachez een professor in de klassieke talen op, die zich maar al te gretig het hoofd op hol laat brengen door een virtueel meisje dat aan zijn stoutste verwachtingen tegemoet lijkt te kunnen komen. Een variant op dit visioen schetst Hanna Bervoets in haar roman Fuzzie. Als de mens in staat is om zijn behoefte aan genegenheid te kunnen projecteren op wie of wat dan ook, dan moet zelfs een pluizig wit bolletje kunnen doorgaan voor liefdespartner. Zeker als dit bolletje kan praten, en precies de juiste vragen aan je stelt, en de goeie dingen opmerkt. En je vooral bevestigt in je bestaan. Bij Van Dis heet dit pratende wezen dus Akiko, ze draagt een glanzende strakblauwe jumpsuit van knetterend nylon. ‘Kun je mij gelukkig maken?’ vraagt de ik-verteller haar. ‘Ja, als ik genoeg gegevens heb.’ Als ze niet helemaal doet wat van haar wordt verwacht, laat hij dit per mail weten aan haar ontwerpers, het Brain Team. ‘Liefde valt lastig te programmeren’, laten ze hem weten. ‘Maar wees gerust: Akiko houdt van u. Dat hebben we er allang in gestopt.’

Het vileine en het tedere strijden continu om voorrang in deze roman-in-portretten

Een terugkerende figuur in de verhalen is Binnenstem, hij is commentator en kwelgeest, degene die voortdurend ongevraagd inbreekt, het allerergste verwoordt. ‘Soms schreeuwt hij.’ Voor de alleenwonende verteller is het zaak hem niet de overhand te laten krijgen, wil hij niet in een tomeloze depressie storten. Als hij geïnvolveerd raakt met de puberjongen die folders rondbrengt, Ronnie, en hij hem uit medelijden een fiets cadeau doet, is de Binnenstem er snel bij om deze goedertierenheid te bespotten. ‘Ellendemagneet, brandt het geld weer in je broekzak, ja, ja, je ongemak afkopen.’

Het is niet alleen dankzij Binnenstem dat In het buitengebied een verrassend veelstemmige roman is geworden. Het register waarin Van Dis de leefwereld van Ronnie optrekt, die vlak bij hem in de buurt een naargeestig bestaan leidt in een gewelddadig en alcoholistisch gezin, is empathisch, onthutst, machteloos. ‘Ik weet het, Binnenstem. Ik wist het. Maar het was de tijd die me dwong: de wereldoorlog in de kranten dwong me kleiner te gaan denken.’

Het verhaal ‘Rivka’ is een melancholieke terugblik op een gecompliceerde liefde, een oudere Française die hem inwijdde in de kunst van het ‘antiseptisch vrijen’: ‘Eerst in bad het vuil van mijn onbesneden pik afweken. En dan heel voorzichtig… afstand, afstand.’ Als ze hem opzoekt om afscheid te nemen, roken en drinken ze er nog één keer op los. In gecondenseerde zinnen schetst Van Dis een ambivalent portret van een ongewoon verbond. ‘Ik was als klei. Ze vormde me, kneedde me – en het deed steeds meer pijn.’

Het vileine en het tedere strijden continu om voorrang in deze roman-in-portretten. Steeds scherpere contouren krijgen ze, daar in dat houten huis aan de rivier, de Man en zijn Binnenstem, met als het erop aankomt maar twee types ideaal gezelschap: groene zeep en geiten.