Liefde van werkbijen

Martin van Amerongen, soms popt hij opeens op in mijn hoofd. Wat ik dan zie is dit: een kleine, opgewonden man, met witte handschoentjes aan (hij had last van psoriasis), die vrolijk en onnavolgbaar snel pratend zijn anekdotes rondstrooit, neuriënd een kamer binnenkomt, een van de redacteuren een stuk van een freelancer toeschuift en vraagt wat hij ervan vindt, als een kwajongen aan een veel te dikke sigaar trekt, achterover in een veel te grote stoel zit.

Veel persoonlijke gesprekken heb ik niet met hem gevoerd, daarvoor was ik te zeer geïntimideerd door zijn negentiende-eeuwse bonhomie. Wat ik me door anderen heb laten vertellen is dat hij op zijn sterfbed nog De Groene Amsterdammer van die week wilde zien. Er werd toen een weeklang een dagkrant gemaakt, en tevreden snoof hij met zijn laatste krachten de geur ervan op. ‘Hij ruikt naar krant.’ Het zullen niet zijn laatste woorden zijn geweest, maar het scheelde geloof ik niet veel.

Iedere keer als De Groene een nieuw uiterlijk krijgt, zoals vorige week, denk ik even aan hem. De grootste verandering die ik onder zijn hoofdredactie heb meegemaakt, was dat De Groene van groot krantenformaat een magazine werd. Zonder enige glans overigens, gewoon op grauw papier. Ik heb het eerste nummer van die _Groene_nieuwe stijl altijd bewaard. ‘Niet schrikken, lezer!’ staat in een klein tekstblokje onder de inhoudsopgave. ‘Over twee weken bent u gewend aan het nieuwe uiterlijk en over drie weken bent u ermee verzoend.’ Ik weet nog dat de nieuwe _Groene_van de drukker kwam en aan de redactietafel werd uitgedeeld. Een van de redacteuren pakte Martin van Amerongen vast, omhelsde hem om hem te feliciteren, en ik zag dat er opeens niets over was van zijn ironische houding. Hij was oprecht geëmotioneerd omdat zijn krant er zo anders uit zag.

Het cliché wil dat nog nooit iemand op zijn sterfbed zich druk heeft gemaakt om zijn werk, het hem er alleen maar om zal gaan z’n geliefden om zich heen te hebben. Of ik zeg dit wel zo koel, ‘het cliché wil’, maar ik weet nog dat ik het voor het eerst hoorde uit de mond van mijn broer, en dat ik erg onder de indruk was. Inderdaad, dacht ik, waar gaat het om in het leven. Vooral omdat mijn broer zich altijd volkomen de blubber werkt in van die ‘echte’ banen, bij grote ondernemingen. Het leek alsof hij opeens tot een zen-achtig inzicht was gekomen, gas terug wilde nemen, met de hond wilde gaan lopen. In plaats daarvan werd hij geheadhunt voor nog weer een veeleisender functie, en liet hij de werkgever van het moment zonder problemen achter zich.

Toen mijn vader met pensioen ging – hij had een leidinggevende functie in de financiële sector – had ik net mijn rijbewijs en ging ik hem met de auto ophalen van zijn kantoor. In zijn riante werkkamer met prachtig uitzicht was hij bezig zijn laatste spullen op te ruimen. Hij schoof de onderste la van zijn bureau open, die tjokvol zat met hangmappen. Met beide handen pakte hij die mappen waaruit allerlei papieren staken, en kieperde met één beweging de hele zooi in een grote prullenbak. ‘Zo’, zei hij opgewekt.

Remco ­Campert dichtte een breekbaar ­vaarwel – ‘Hoe moesten wij verder zonder hem?’

Let wel, ik kende mijn vader niet anders dan werkend, elke avond, elk weekend, zelfs tijdens onze vakanties werd hij gebeld door ‘de zaak’.

Ik denk inderdaad niet dat mijn broer op zijn sterfbed ook nog maar één gedachte zal wijden aan zijn werk, zoals mijn vader dat ook niet deed. Werken, hoe hard je dat bij leven en welzijn ook doet, blijft in the end toch maar werken. Ik ben ervan doordrongen en tegelijkertijd heb ik me ervan losgemaakt. Toen ik hoorde dat Martin van Amerongen de geur van De Groene wilde opsnuiven, vroeg ik me even af of hij niet beter voor de laatste keer zijn neus in de hals van een geliefde kon begraven, om het meteen erna wel mooi te vinden. Zijn werk was oprecht belangrijk voor hem.

En dus moest ik zomaar vorige week bij nóg een gelegenheid aan hem denken. Robbert Ammerlaan nam afscheid van De Bezige Bij, waar hij vijftien jaar directeur-uitgever was geweest. Er was een grootse receptie voor hem georganiseerd rond de vermaarde witte trap van het Stedelijk Museum, iedereen was uitgerukt, als je de trap op liep kwam je een geroezemoes als van drie volle zwembaden tegemoet, er speelde een jazzcombo, champagne werd rondgedeeld, de saucijzenbroodjes waren warm, Donna Tartt was in da house.

Verder was het een begrafenis. Remco Campert dichtte een breekbaar vaarwel – ‘Hoe moesten wij verder zonder hem?’ –, Erwin Mortier sprak met omfloerst timbre en Ammerlaan zelf blikte terug op zijn leven, zijn werk, zijn passie. Het was duidelijk dat hij zijn toekomst zonder De Bij zwaar inzag. Zijn vrouw stond lief en blozend, en mooi aangekleed, vooraan naar hem te luisteren. Ze zal hem langer kennen dan vandaag. En het begrijpen dat hij na zijn dankwoord niet eerst op háár, maar op Donna Tartt af liep om haar te omhelzen.