Liefde voor Cash, maar dan te laat

Muziek

De grootste vijand van de singer-songwriter is de bar. Vaak aan de andere kant van de zaal, buiten zijn zicht, maar de bron van geroezemoes en van rinkelende of stuiterende glazen. Het is, zeker in Nederland, moeilijk een zaal stil te krijgen en stil te houden, zeker wanneer je enige wapens daartoe een akoestische gitaar en een microfoon zijn. Er zijn trucs voor, maar dan nog: die moet je beheersen, en onverschrokken toepassen. Wanneer de Ier Damien Rice optreedt zonder zijn band zet hij het eerste nummer bijna onhoorbaar stil in. Hij zingt zacht, of zo ver van zijn microfoon dat hij praktisch onversterkt is. Alleen wie zich inspant, hoort zijn muziek. Het resultaat is dat de aanwezigen elkaar manen tot stilte.

Dat zelf doen heeft twee grote risico’s: je maakt al snel een verongelijkte indruk, en wanneer het publiek er geen gehoor aan geeft ook nog een onmachtige. Niemand kan het effectiever dan Fred Eaglesmith, een Canadees met Fries bloed. De regels bij zijn optredens zijn helder. Wanneer Fred Eaglesmith zingt, wil hij stilte. En wanneer Fred Eaglesmith spreekt, wil hij dat eveneens. Het arsenaal oneliners dat hij paraat heeft voor aanwezigen die zijn regels overtreden is indrukwekkend. Een paar jaar geleden wees hij in Ekko in Utrecht een praatzieke bezoeker aan. ‘Save your breath, buddy. You’re gonna need it for your inflatable date.’ Het bleef nog lang stil aan de bar.

In Ottersum trad hij iets later op met zijn band. Hij vertelde een lang verhaal om een nummer in te leiden. Dat doet hij graag, en kan hij goed. Een bezoeker op de eerste rij fluisterde zijn buurman iets in zijn oor. Eaglesmith wees de man aan, en stak zijn vinger toen de lucht in. ‘It’s a monologue. Mono is Latin for: one.’ En toen wees hij zichzelf aan.

Wat hier helpt in de overtuigingskracht is de fysiek van Eaglesmith: het is een beer van een vent. En zijn stem: alsof hij net voor de show nog een keer met een rasp over zijn stembanden is gegaan.

Man en muziek vallen hier samen: zijn van country en plattelandsliefde doortrokken nummers zijn zelf ook rauwdouwers, en schuwen tegelijk het sentiment niet. Eaglesmith is de man van de bolster en de pit. Dat hij wel een paar klassieke nummers maar geen klassiek album op zijn naam heeft, komt door zijn vaak wat onhandige keuze voor de productie. Op Dusty (2004) stonden bijvoorbeeld prachtige nummers, maar iemand had Eaglesmith ervan overtuigd dat een drumcomputer een goed idee zou zijn.

Nee, dan zijn nieuwe album 6 Volts. ­Opgenomen met een kleine band, en één microfoon. Het album klinkt daardoor dof en extreem sober, maar de nummers passen er goed in. ‘I’m dangerous/ To myself’, zingt Eaglesmith met die onweerstaanbare, hier van spijt doordesemde stem. De personages in zijn nummers bevinden zich, zoals gebruikelijk, aan de rafelrand, met meer voornemens dan daden. Op één na: Johnny Cash. In het gelijknamige nummer looft Eaglesmith zijn held, uiteraard, maar vooral hekelt hij iedereen die pas enthousiast werd over Cash nadat hij Hurt van Nine Inch Nails had gecoverd. Het is in al zijn verbittering een fascinerend nummer: zelden worden pop­nummers geschreven over mensen met dezelfde smaak, maar om de verkeerde redenen. ‘You sure do like Johnny Cash now/ Now that they put him in the ground.’

Fred Eaglesmith zal het onwaarschijnlijk toelichten tijdens zijn komende soloshows. En wee degene die hem dan tegenspreekt.

Fred Eaglesmith, 6 Volts. Fred Eaglemith speelt 10 februari in Paradiso, 11 februari in de Harmonie in Edam, 14 februari in Ekko in Utrecht, 24 februari in ’t Keerpunt in Spijkerboor en 25 februari in 013 in Tilburg