Liefde voor een robot

Kazuo Ishiguro, Londen. 5 oktober 2017 © Ben Stansall / AFP / ANP

Klara zit in de etalage, ze probeert zo veel mogelijk zonnestralen op te vangen, en het is wachten tot iemand haar meeneemt. Klanten, vaak ouders met kinderen, inspecteren deze KV, oftewel Kunstmatige Vriendin. Er worden gekke gezichten naar haar getrokken en voortdurend vragen gesteld. Is deze Klara een B2, wil iemand weten, afkomstig uit ‘de vierde serie’? Heeft ze zonabsorptieproblemen? Is het dan niet verstandiger om een nieuwer model te kiezen, zeker aangezien de B3 ook al op de markt is?

Klara zelf, de verteller van deze roman, hoort het meeste zwijgend aan; de antwoorden moeten komen van de Cheffin die de winkel runt. Klara is de beste, herhaalt die steeds in iets andere bewoordingen, u zult er geen spijt van krijgen. Toch duurt het tientallen pagina’s voor ze verkocht wordt – aan het zieke meisje Josie, dat haar moeder duidelijk maakt dat ze juist deze robot wil. Klara gaat met moeder en dochter mee naar het platteland, omgeven door een wereld waarin kunstmatige intelligentie en genetische manipulatie volkomen gangbaar zijn. Het blijft in het midden in welk jaar we ons bevinden, of op welke plek, maar dat we in de toekomst zijn beland is duidelijk. Josie krijgt thuis les via iets wat een ‘rechthoek’ wordt genoemd, kinderen van rijke ouders worden ‘opgetild’ (en krijgen zo het beste onderwijs). En tegen de eenzaamheid zijn robots zoals Klara ontworpen.

Klara en de Zon is Kazuo Ishiguro’s eerste roman sinds hij in 2017 de Nobelprijs voor de Literatuur won, en in veel opzichten is het een typische Ishiguro. Het tempo is rustig, de hoofdpersoon valt vooral op doordat ze zo opmerkzaam is. Klara is het soort protagonist dat jou als lezer moeiteloos in vertrouwen neemt of in elk geval lijkt te nemen, beleefd en plichtsgetrouw zoals butler James Stevens dat was in Ishiguro’s klassieker De rest van de dag. Nog sterker doet deze nieuwe roman denken aan Laat me nooit alleen, waarin eveneens een door technologie gedreven maatschappij wordt geschetst en ook de vraag centraal staat wat mensen nou eigenlijk kenmerkt. En of er iets is wat ze fundamenteel anders maakt dan kloons of robots. De sfeer is er een van subtiele vervreemding.

Zijn wij uiteindelijk allemaal goed na te bootsen – en dus vervangbaar?

Klara en de Zon is een roman als een liefdevolle houdgreep, zo langzaam wordt de spanning opgevoerd, zo ingehouden wordt er verteld vanuit de eerste persoon (zoals altijd bij Ishiguro). De stijl laat zich het best typeren als functioneel: geen humor of relativering, geen ingewikkelde metaforen of reflecties, maar concrete scènes met heldere handelingen en dialogen. Die toon doet soms wat kinderlijk aan en stelt het geduld hier en daar op de proef, maar past wel uitstekend bij het verhaal. En bij Klara, die logischerwijs amper stilstaat bij artificiële intelligentie of bij de aanwezigheid van robots; ze kent immers geen wereld zonder. Op sommige momenten klinkt ze zo gewoontjes dat je als lezer bijna vergeet dat ze gefabriceerd is. Tot ze er plots zelf op wijst dat haar gezichtsveld in vlakken is verdeeld: regelmatig neemt ze mensen eerst waar als wiskundige vorm. En bij een van de allereerste aanblikken van Josies moeder en haar starende blik beseft Klara ‘dat er heel wat signalen waren die ik nog niet had leren begrijpen’.

Maar ze leert snel en doet keurig wat er van haar verwacht wordt, daar in dat gebroken gezin op het platteland, waar blijkt dat Josie een zus had die overleden is. Klara bekommert zich om Josie, houdt haar gezelschap, praat waar dat gewenst is. En ondertussen warmt ze zich aan de Zon, haar God die ze bovennatuurlijke kwaliteiten toedicht – ze weet niks van planeten of wetenschap, zonne-energie kent ze niet. Het fijne van Ishiguro: hij bespot Klara niet over zulke dingen, hij is een schrijver met mededogen voor zijn personages; en wij bevinden ons domweg in Klara’s universum. Mogelijk speelt deze hele roman zich wel af in een wereld waar de Zon inderdaad een God is.

En terwijl Klara zo steeds meer routines opbouwt, wordt duidelijk dat Josies moeder stiekem een ander plannetje heeft: als Josie overlijdt, moet Klara haar plaats innemen. Dit roept de intrigerende vraag op waar naastenliefde ophoudt en angst voor de eigen eenzaamheid begint.

Een andere boeiende vraag die door deze hele roman aanwezig is maar gelukkig nergens expliciet wordt behandeld – Klara blijft immers aan het woord – is in hoeverre Klara fundamenteel verschilt van Josie en haar moeder. Als robots steeds menselijker overkomen, en op het blote oog net mensen zijn, wat maakt ze dan alsnog anders? Of eigenlijk: wat maakt ons mens, bestaat er zoiets als een ziel, of zijn wij uiteindelijk allemaal goed na te bootsen – en dus vervangbaar?

Ishiguro is zeker niet de eerste fictieschrijver die zich aan zulke thema’s waagt, artificiële intelligentie rukt in fictie meer en meer op. De verdienste van deze roman is dat Ishiguro het onderwerp zonder waarschuwend vingertje of analytisch metaperspectief presenteert, en zich volledig verplaatst in de robot zelf. Die zakelijke, waardevrije toon houdt hij het hele verhaal vol, tot het ontroerende einde aan toe, waarin Klara zich moeiteloos, met schijnbaar zelfs enige tevredenheid schikt in het einde van een Kunstmatige Vriendin, wanneer ze op de Stort belandt. En toen pas besefte ik het voluit: Ishiguro had me precies daar waar hij me hebben wilde. Ik was niet alleen gehecht geraakt aan deze machine, ik leefde werkelijk met haar mee.