Liefdesverlies en doodsgewin

Huub Beurskens, Suikerpruimen gevolgd door Het lam: Twee romans. Uitgeverij Meulenhoff, 192 blz., 332,50
SNELLER schrijven dan God kan lezen, dat leek alleen aan Vestdijk voorbehouden. Maar Huub Beurskens kan er ook wat van. Hij publiceert in hoog tempo en wisselt schijnbaar moeiteloos essayistisch werk af met proza en poëzie. In zijn schrijven is hij nooit te beroerd om de grenzen van zijn kunnen en de mogelijkheden van de verschillende genres te verkennen. Beurskens is een nieuwsgierig schrijver, een rusteloos zoeker naar de mogelijkheden van zijn vak, iemand die risico’s durft te nemen, lak heeft aan gebaande paden en gevestigde opvattingen.

Tegelijkertijd demonstreert hij zijn lust tot avonturieren goed te kunnen combineren met het conventionele verhaal. Zelfs met de meest clichématige en kitscherige uitingen daarvan, zoals Bouquetreeksromannetjes van het soort dat opzichtig de onderbuik bespeelt, doet hij zijn voordeel. Hij laat al die contrasterende idiomen op elkaar botsen en dat leidt dan tot teksten waar het nodige leesplezier aan valt te beleven.
BEURSKENS presenteert zijn nieuwste boek, Suikerpruimen gevolgd door Het lam, als een dubbelroman. Hij brengt er twee novellen in bij elkaar waarin de disciplines die hij al sinds jaar en dag combineert, schilderen en schrijven, tot onderwerp worden gemaakt. Een spel met het autobiografische dat vooral versterkt wordt door het tweede deel van de bundel, Het lam. Daarin gaat hij een stapje verder en keert hij via een geraffineerde vertelconstructie terug naar zijn geboortestreek in het noorden van Limburg.
Op het eerste oog lijken de twee verhalen nauwelijks iets met elkaar gemeen te hebben, maar achteraf blijkt dat de schijn bedriegt. List en bedrog, de ondoorzichtigheid van schijn en wezen of feit en fictie bepalen op allerlei momenten de intriges waaraan dit literair tweeluik zijn kleur ontleent. In beide verhalen mondt die verwarring uit in de meest kwaadaardige en destructieve verbinding van fantasie en werkelijkheid: het beramen en voltrekken van een moord.
MAAR VOOR het zover is, wordt de lezer in Suikerpruimen ondergedompeld in een suikerzoete idylle, al wordt onmiddellijk aangeduid dat die in de knop gebroken zal worden. Het betreft een liefdesvakantie op het Griekse eiland Samos van twee midden-twintigers, de droogstoppelachtige Stein - een afgemeten type - en de van romantiek overkokende Patty John, een middelbare-schooljuf die wel raad weet met haar charmes. Het is een uitje dat hun bronsttijd recht doet, omgeven als het is met de nodige rozegeur en maneschijn. Zo'n feeëriek samenzijn mag natuurlijk nooit ofte nimmer oplossen in de geur van dood en bederf. Het geluk van Patty John zal pas echt volmaakt zijn ‘als er geen enkel mens op het eiland bleek te zijn gestorven in de week dat we hier waren’, zo bezweert ze haar minnaar euforisch.
Die wens wordt jammer genoeg niet bewaarheid. Maar geen nood, redeneert Stein, die het leven vooral ziet als een 'hypothetische, logische, getalsmatige ordening’. Fouten van de natuur moet je kunnen herstellen. Dus vliegt hij na een leugen om bestwil - zakenreis naar Londen heet het - even op en neer naar Samos om alles in gereedheid te brengen voor hun herhalingsoefening in de herfst.
Tijdens hun eerste verblijf maakten ze enkele wandelingen over de diverse kerkhoven, en aangezien hun tweede vakantie een exacte kopie van de eerste moet worden, heeft Stein zijn tussenbezoekje aan Samos gebruikt om met steekpenningen de onwelgevallige sterfdata op de grafstenen te laten wijzigen. Hem speelt vooral de illusie van onbezoedeld geluk door de kop, maar Patty John weet inmiddels wel anders. Die heeft - zij het onbewust - al een verbond met de dood gesloten. Wanneer Stein namelijk een Fantablikje ziet waaruit het achtereind van een dode hagedis steekt, fantaseert hij hoe gruwelijk het einde van dit 'gefolterde dier’ moet zijn geweest. Haar gevoeligheid inzake de dood kennende, probeert hij Patty John uit de buurt te houden. Tevergeefs. Zij ziet wat hij ziet. Sterker nog, de aanblik van het tafereel prikkelt haar fantasie op een zelfde manier als die van Stein.
Een gedachte te weerzinwekkend voor woorden, waarmee haar volgende minnaar te maken krijgt, Ruben. Hij is in alles het tegenbeeld van zijn voorganger; een kunstyup van het type performance-artiest. Patty John is hals over kop verliefd geworden op hem en meteen getrouwd. Nu Stein heeft ervaren dat het leven zich niet laat dwingen, is hij er met enige pathos uit gestapt. Maar ook de verhouding met Ruben krijgt geen eeuwigheidskeurmerk. Ze probeert zich van hem te ontdoen en daarbij komt een eigen idee van hem voor een kunstwerk van popart-allure goed van pas. De mannenverslindster zit dan alweer hoog en droog op Samos, waar ze zich begerig laat 'minetten en pommeransen’ door een achttienjarige leerling, Arthur. Soap in optima forma, maar toch ook weer meer dan dat.
ZONDER DAT er een al te zware toets wordt aangeslagen, lijkt dit tweeluik onder meer te gaan over echt en namaak in de kunst en het leven. De personages bewegen zich in een sfeer van gunst en afgunst, van bedrog en eigenbelang, van seks en erotiek, en ze demonstreren op die manier het motto dat liefdesverlies doodsgewin is. Niet in het minst in de meer algemene zin dat mensen elkaar, als het erop aankomt, zonder gêne gebruiken en misbruiken.
In Het lam staan een schrijver en een bewonderaar van zijn werk, Casper Wittel, elkaar op de tenen bij een pas de deux die eindigt in een dodelijke verstrengeling. Dat is zeker niet wat de auteur voor ogen stond toen hij in een moment van zwakte Casper informatie verstrekte over zijn schrijfplannen. Zoiets hoor je niet te doen, zegt een oude schrijverswet, want dan wordt het onderwerp vogelvrij. Zoiets gebeurt dan ook. Als Casper Wittel in de voetsporen van zijn grote voorbeeld treedt en het Noordlimburgse land voor langere tijd bezoekt, intervenieert hij zo brutaal in zijn plannen dat hij diens gevleugelde Shaeffer-pen zowat lamlegt. Hij bezoekt zijn geboorteplaats en daarmee dringt hij zijn herinneringsterritorium binnen, de kleigroeven en het carnaval en daarmee het dorado van zijn verbeelding waaruit al die verrassingen voortkomen, 'wendingen, begoochelingen en niet te vergeten hyperbolen, onwaarschijnlijk- en ongeloofwaardigheden die ons door ’s levens hyperboulie worden geleverd’.
Huub Beurkens reikt ze aan in een gevarieerd en aanstekelijk proza, waarin becommentariërende opmerkingen en lyrische fragmenten moeiteloos met elkaar worden verbonden en woordstapelingen fraai contrasteren met bijna mathematisch-exacte beschrijvingen. Daar hoort af en toe ook een slip van zijn hectische Shaeffer-pen bij.