Ton den Boon

Liefdesvirus

Ton den Boon, Taal van het jaar nul: Kroniek van het Nederlands in 2000. Uitg. Van Dale Lexicografie, 121 blz., ƒ19,90

Klagen over de teloorgang van het Nederlands is in menig dagblad columnistensport nummer één. Hoon en nijd richten zich daarbij vooral op de infiltratie van Engelse woorden, debet aan de totale pervertering van het Nederlands — naar het schijnt.
Onzin, het Nederlands is vitaler dan gedacht, zo blijkt uit het onlangs verschenen boekje Taal van het jaar nul. Auteur Ton den Boon is een autoriteit bij uitstek, want hoofdredacteur van De Grote Van Dale. Alle woorden die het afgelopen jaar voor het eerst door een dagbladjournalist werden gebruikt, verzamelde hij door de database van zijn eigen Van Dale te koppelen aan de digitaal opgeslagen kranten zoals die te vinden zijn in de «pers databank».
Uit dit serieuze onderzoekje blijkt dat Engelse woorden meestal al binnen het jaar waarin ze het Nederlands binnensluipen een oerhollandse Nederlandse variant krijgen. Zo werd «lovebug», een 2000-woord, al snel «liefdesvirus». En «parabouncen» kreeg het veel onschuldiger equivalent «ballonspringen». «Shaming» veranderde in «schaamtestraf», nog op de dag dat het woord voor het eerst in een Nederlandse krant opdook.
Gelukkig memoreert Den Boon de context waarin deze woorden voor het eerst verschenen. Het Amerikaanse «shaming» is een in de Angelsaksische wereld al veel langer bestaande strafvariant waarbij de naam van de delinquent opzettelijk door het slijk wordt gehaald. De veroordeelde wordt verplicht zich in het openbaar te verontschuldigen tegenover zijn of haar slachtoffer of zichzelf publiekelijk als misdadiger te afficheren. Een zekere Diamanten Adje, een zwendelaar met een aanzienlijke staat van dienst, blijkt de eerste Nederlander die deze twijfelachtige eer te beurt valt. In maart 2000 moet hij een advertentie in De Telegraaf en de NRC plaatsen waarin hij zijn ware aard onthult.
Diamanten Adje toont aan dat deze kroniek van neologismen tevens het aanzien van 2000 biedt. Want hoewel Den Boons onderzoek ook veel merkwaardige, maar weinig schokkende samenstellingen opleverde als crackkelder, flipperkastsituatie en huiskamervoyeurisme brengt het ook prachtige doorkijkjes naar het huidige tijdsgewricht als buitenspelmachine, drollencarrousel, knuffelfonds, plofzones, en het werkwoord «ninabrinken», dat zoveel betekent als «beduvelen». En de aloude frustratie op de werkvloer komt steeds meer in het teken te staan, althans lexicologisch, van de computer. Neem de «wringpols», of «moparm» (waarmee schoonmakers kampen) en waarin de echo doorklinkt van de oudere «muisarm».
Door de digitale toegankelijkheid van de Nederlandse dagbladen hoefde Den Boon zich voor het eerst niet meer te verlaten op «schoendooslexicologie», zoals hij de oude methode noemt. En al heeft het boekje weinig om het lijf, door de bijna wetenschappelijke verantwoording is het minder vrijblijvend dan al die lollig bedoelde taalboekjes die door veel uitgeverijen op de markt worden gesmeten.