Menno Hurenkamp

Liegen binnen de marge

De geschiedenis zal ons gelijk geven, zei Tony Blair begin dit jaar, vlak voor hij zijn land in de oorlog tegen Irak stortte. Hij wist toen dat de beschuldigingen tegen het regime van Saddam Hoessein niet hard gemaakt konden worden. De geschiedenis zal ons vergeven, zei Tony Blair vorige week, toen hij moest toegeven dat de massavernietigingswapens die zijn excuus waren voor de oorlog misschien wel nooit gevonden zouden worden. Gelijk krijgen of vergeving krijgen, wat Blair betreft is het maar een subtiel verschil, want hij maakt geen aanstalten zijn biezen te pakken.

Het ligt voor de hand je op te winden over de grove leugens om de publieke opinie een oorlog door de strot te duwen. Maar jezelf wijsmaken dat politici niet mogen liegen is naïef. Ze draaien voortdurend. Want liegen kan immoreel zijn, het is niet noodzakelijk antidemocratisch. Er is een marge waarbinnen je om de waarheid heen kan zonder de bijl aan de wortel van de democratie te leggen. Bill Clinton loog over Monica — om zijn eigen huid te redden. De Partij van de Arbeid loog de afgelopen tien jaar dat ze iets zou doen aan de geluidshinder die bewoners in de buurt van Schiphol ondervonden. Ze deed dat om kiezers te winnen. Op dat soort leugens sneuvelen mensen in verkiezingen — of niet.

Timing en acteertalent verzachten een hoop bedrog. Goedbeschouwd stimuleert de democratie het liegen zelfs. De macht is een doel op zichzelf. Mensen die de macht hebben doen alles om hem te behouden. Degenen die de macht afstaan moeten zich dat realiseren. Een andere keuze dan sceptisch blijven is er niet.

Probleem is dat je zo nuchter redenerend onvermijdelijk sanctioneert dat politici ook liegen over de motieven om een oorlog te voeren. Alleen, het oneigenlijk op het spel zetten van je eigen staat is vanzelfsprekend altijd antidemocratisch. Het recente bedrog over Irak zou volgens kritische Amerikanen als Paul Krugman dan ook het ergste schandaal uit de politieke geschiedenis van de Verenigde Staten zijn.

Het binnenlandse resultaat is inderdaad bar. Een groot en groeiend deel van de Amerikanen denkt dat Bush hen heeft bedrogen. Een ander deel, zo’n 25 procent, denkt nog altijd dat Saddam Hoessein achter de aanslagen in New York zat. Ze zijn boos of ontzettend dom — niet aangenaam voor een president om je bevolking in zo’n gemoedstoestand te weten.

Maar deze traditie heeft diepe wortels. Zie de (onlangs nog eens fijntjes door Le Monde Diplomatique opgerakelde) oorlog tegen Spanje ruim honderd jaar geleden. Ook toen was er geen sprake van bedreiging voor het Amerikaanse volk. Wel van opruiende taal; niet van de bestuurders, maar van de Amerikaanse tabloids. De Spanjaard zou het Amerikaanse bedrijfsleven op Cuba en de Filippijnen dwars zitten en daar moest maar eens manu armata mee worden afgerekend. Via een campagne waarin gewag werd gemaakt van onder andere (niet bestaande) concentratiekampen werd de politiek via de publieke opinie gedwongen een oorlog te starten.

Het is maar een voorbeeld. De geschiedenis zal Bush en Blair inderdaad gelijk geven: niet als de staatslieden die bij wijze van uitzondering een just war voerden, maar als koele rekenaars die keurig passen in een lange rij.