Office of Stategic Influence

Liegen over leugens

Het Amerikaanse Office of Strategic Influence is niet meer. De Pentagon-afdeling, die in verband met de strijd tegen het terrorisme leugens moest verspreiden, is binnen een week nadat het project uitlekte opgeheven. Zeggen ze.

President Bush zei manhaftig dat hij het Amerikaanse volk altijd de waarheid zou vertellen. Defensieminister Rumsfeld zei dat het Pentagon nooit leugens zou verspreiden en dat ook nooit had gedaan. Het Office of Strategic Influence bestond evenwel al ruim vijf maanden, sinds de WTC-aanslagen van 11 september. Deze afdeling van het Pentagon, die doelbewust leugens zou verspreiden in de strijd tegen het terrorisme, werd gefinancierd uit het noodfonds van tien miljard dollar voor de bestrijding van het terrorisme. De afdeling betaalde honderdduizend dollar per maand aan pr-bureau Rendon voor deskundig advies.

Dat het Office of Strategic Influence is opgeheven, betekent nog niet dat het leugenplan daarmee van de baan is. Het zal ongetwijfeld in een andere vorm alsnog worden gerealiseerd, maar dan diep verborgen in de organisatie en ver weggemoffeld in het budget. Als je gaat liegen, moet dat immers niet van tevoren in de krant worden aangekondigd. Zelfs als je de waarheid spreekt, word je dan niet meer geloofd. Niet voor niets zijn politieke en psychologische oorlogvoering, desinformatie en media manipulatie in alle landen altijd allereerst het werk van geheime diensten: militaire inlichtingendiensten, centrale buitenlandse inlichtingendiensten, binnenlandse veiligheidsdiensten en recherche. Geschat wordt dat tien tot dertig procent van het budget van bijvoorbeeld de CIA voor dergelijke taken is bedoeld.

De strijd om de «hoofden en harten» van de bevolking in eigen land en binnen het eigen bondgenootschap, in neutrale landen en in vijandige naties, is sinds mensenheugenis de kern van alle agitatie en propaganda. In tegenstelling tot wat Rumsfeld beweert, zijn het Pentagon en de CIA al sinds hun ontstaan actief op deze terreinen. Met inbegrip van het professioneel vervaardigen van leugens voor mediaverspreiding en opiniebeïnvloeding.

Het boek War on the Mind van de Britse onderzoeksjournalist Peter Watson gaf een kwart eeuw geleden al een gedetailleerd overzicht van de manier waarop psycho logie en beïnvloeding werden gebruikt door militairen van alle Navo-landen, in oorlogs- en in vredestijd. Watson meldde onder meer dat het Pentagon voor alle conflict gebieden in de wereld taakgroepen heeft van psychologen, antropologen, sociologen, politicologen en zelfs criminologen. Die brainstormen als reclamemakers, niet over advertentie-uitingen, maar over leugencampagnes. Ze krijgen doorlopend informatie aangeleverd over nieuwe roddels en geruchten, en vooral over psychologische en sociale «kwetsbaarheden» van de vijand. Ze bedenken op grond daarvan «grijze» propaganda: een geraffineerde mengeling van waarheid en leugens.

Communicatiewetenschappers en mediadeskundigen helpen bij het in omloop brengen van de verhalen. Een op het eerste gezicht onwaarschijnlijk verhaal kan bijvoorbeeld min of meer gelijktijdig op verschillende plaatsen in de wereld in circulatie worden gebracht, via bronnen die ogenschijnlijk onafhankelijk zijn van elkaar: zo lijkt het bericht zichzelf te bevestigen. Het verhaal moet indruk maken en tot de verbeelding spreken, en voorzien zijn van de juiste woorden en beelden zodat zelfs sceptici het niet kunnen weerstaan. Het moet gericht zijn op bepaalde thema’s om het gewenste effect teweeg te brengen.

Rond de oorlogen in Irak en Afghanistan is bijvoorbeeld opvallend veel zorg besteed aan milieu en feministische thema’s, teneinde vooral de pacifistische neigingen bij de groenen in Europa en elders te neutraliseren. Er is namelijk maar heel weinig voor nodig om het vliegwiel van de publieke verontwaardiging op gang te krijgen. Zodra het eerste bloed is gevloeid, komt de scheiding der geesten vanzelf op gang. Waarbij aan de eigen partij een overschot aan helderheid en edelmoedigheid wordt toegeschreven, en aan de andere partij een overschot aan verblinding en kwaadaardigheid.

Het is ongebruikelijk dat het Pentagon in vredestijd en in burgerzaken het voortouw neemt. Dat is allereerst de taak van de CIA. Het boek Inside the Company van ex-agent Philip Agee gaf 25 jaar geleden als eerste een zeer gedetailleerd inzicht in het buitengewone raffinement waarmee de CIA personen, groepen en landen dagelijks tegen elkaar uitspeelde. Men is sindsdien doorlopend bezig geweest om Agee het spreken en leven onmogelijk te maken.

Propaganda en censuur worden in de populaire literatuur altijd behandeld met een eenvoudige verwijzing naar Hitler en Stalin, hoewel hun technieken erg primitief waren. Vaak wordt voorbijgegaan aan het feit dat tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog ook de westerse mogendheden zich geenszins onbetuigd hebben gelaten. Naarmate Amerika steeds meer de leidende mogendheid werd, werden het Witte Huis, het State Department en het Pentagon invloedrijker als dagelijkse nieuwsbronnen in de wereld.

De keurige voorzitter van de Senaatscommissie voor buitenlandse betrekkingen William Fullbright klaagde in zijn boekje The Pentagon Propaganda Machine al tijdens de Vietnamoorlog dat het Amerikaanse ministerie van Defensie meer geld aan informatievoorziening uitgaf dan de twee grote persbureaus, de drie grote omroepen en de tien grootste kranten van het land tezamen. In de jaren tachtig gaf het Pentagon bijvoorbeeld om de paar jaar een nieuwe editie uit van een «standaardwerk» over de ontzagwekkende bewapening van de tegenstander, Soviet Military Power. Regeringen en parlementen van bondgenoten, ook van Nederland, voeren vrijwel blind op de daarin verstrekte zogenaamde harde feiten en cijfers. De kritische militaire deskundige Tom Gervasi liet later in zijn Annotated and Corrected-versie tot in detail zien dat in die uitgaven vrijwel geen pagina stond zonder grove leugens en verdraaiingen. Na de ineenstorting van het Oostblok bleek dat hij op vrijwel alle punten gelijk had.

Gedurende de hele Koude Oorlog werden de politiek en de media van Europese bondgenoten systematisch beïnvloed. Het meeste wat daarover naar buiten is gekomen had betrekking op Italië, waar de P2, de pseudo-vrijmetselaarsloge, tot een jaar of tien geleden nog als een spin in het web van de macht zat. Zo is daar het voorbeeld van een door de CIA vervalste foto waarmee de CIA probeerde de Bulgaarse communist Antonov medeschuldig te maken aan de moordaanslag door de Turkse fascist Agça op de paus. Pas na een proces van vele jaren kwam uit dat Antonov er niets mee te maken had.

Inmiddels had de onbevredigende afloop van de Vietnamoorlog voor tweespalt gezorgd binnen de Amerikaanse beleids elite. Commissies van het Amerikaanse Congres deden uitgebreid onderzoek naar verdenkingen van herhaalde mediamanipulatie door de buitenlandse en binnenlandse veiligheidsdiensten, de CIA en de FBI. Zo bleek de federale politie een omvangrijk programma van desinformatie te hebben gerund ter destabilisatie van bewegingen als Black Power, onder de codenaam Cointelpro.

De officiële rapporten over de activiteiten van de centrale inlichtingendienst werden op hun beurt gecensureerd, onder meer op aandrang van George Bush senior — toen CIA-directeur, later gepromoveerd tot vice-president en vervolgens tot president. De voormalige Washington Post-verslaggever Carl Bernstein (bekend van de Water gate-onthullingen) meldde bijvoorbeeld in Rolling Stone dat bij de hearings binnens kamers was vastgesteld dat «meer dan vierhonderd Amerikaanse journalisten» in de loop van de voorafgaande kwart eeuw «opdrachten van de Central Intelligence Agency hadden uitgevoerd». Het ging hierbij om mensen die specifieke CIA-taken toegewezen hadden gekregen, niet om het wijdverbreide gebruik om regelmatig onderling inlichtingen uit te wisselen.

Vrijwel alle grote media hadden hieraan willens en wetens meegewerkt, zo schreef hij: de wereldwijde persbureaus AP, UPI en Reuters, spraakmakende dagbladen als de New York Times, de invloedrijke weekbladen Time en Newsweek en de grote omroepen ABC, CBS en NBC. De opdrachten liepen uiteen van spionage tot «het planten van geraffineerd uitgekiende stukken desinformatie» (in hun eigen en andere media).

Nadat deze publicatie het taboe had doorbroken, gingen ook twee reporters van de New York Times op nader onderzoek uit. Ze meldden dat de CIA op verschillende tijdstippen meer dan vijftig kranten, nieuwsdiensten, radiostations, tijdschriften en andere communicatiemiddelen in mede-eigendom had gehad of had gesubsidieerd. Een dozijn nieuwsorganisaties in het buitenland was volgens het congresonderzoek niet door de CIA gefinancierd, maar geïnfiltreerd door betaalde CIA-agenten. Een aantal Amerikaanse uitgeverijen, waaronder enkele van de bekendste, zoals Praeger, had ten minste 250 boeken in het Engels gepubliceerd die mede waren geproduceerd of gefinancierd door de CIA. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog hadden minstens dertig en misschien wel honderd Amerikaanse journalisten bij Amerikaanse nieuwsorganisaties onder de dekmantel van verslaggeving in feite gewerkt als geheim agent in loondienst. Op een bepaald moment waren er maar liefst achthonderd van deze «propagandakanalen», merendeels buitenlandse journalisten.

Toen hem later in een interview werd gevraagd of de CIA dergelijke agenten weleens vertelde wat ze moesten schrijven, antwoordde voormalig CIA-directeur William Colby: «O, zeker, de hele tijd». Wisner (het eerste hoofd van de afdeling voor ondergrondse activiteiten van de dienst) zei op zijn beurt dat het netwerk een soort jukebox was waarmee men met een druk op de knop in elke taal van de wereld de melodie ten gehore kon brengen waarvoor de CIA op dat moment in de stemming was. «We hadden op elk moment ten minste één krant in elke buitenlandse hoofdstad», zo voegde een CIA-man eraan toe.

Het politieke proces werd op deze manier wereldwijd stelselmatig bijgestuurd. Veel buitenlandse regeringsleiders werden overigens eenvoudigweg uit de weg geruimd, zoals de Congolees Loemoemba, de Zuid-Vietnamees Ngo Dinh Diem en de Dominicaan Trujillo. Op de Cubaanse leider Castro werden niet minder dan zeven moordaanslagen gepland, de een nog buitenissiger dan de ander, verscheidene in samenwerking met de maffia.

Zowel binnen als buiten de VS voelden beleidsmakers zich wel wat ongemakkelijk met bevindingen als die van de congrescommissie. In Washington werd besloten dat mediamanipulatie niet langer mocht. Maar in de kleine lettertjes werd daaraan toegevoegd: binnen de VS zelf. Ook mediamanipulatie in het buitenland die rechtstreeks terugwerkte op de Amerikaanse informatievoorziening («blowback») werd in theorie verboden. Maar in de praktijk bleek dit al snel vergeten, en met name onder de conservatieve presidenten Reagan en Bush senior (1980-1992) bloeide het hele spel opnieuw op.

Dankzij de wet op de openbaarheid van bestuur, de Freedom of Information Act, bestond er echter een aanzienlijk risico dat systematische leugens vroeg of laat toch zouden uitkomen. Daarom werden twee innovaties geïntroduceerd. Veel dirty tricks werden van nu af uitbesteed. Enerzijds aan inlichtingendiensten in bevriende landen waar geen enkele vorm van democratie bestond, zoals in Saoedi-Arabië. Anderzijds aan een netwerk van quasi-particuliere stichtingen en bedrijven die zich eveneens aan controle onttrokken. Dit werd al duidelijk bij Irak-gate en bij Iran-contra-gate, die overigens beide na wat spraakmakende hearings uitliepen op een doorzichtige cover up.

Het ministerie van Defensie was zelf al die jaren ook volop in business. Militaire interventies in het Caribisch gebied en Centraal-Amerika werden steevast voorafgegaan en begeleid door uitgekiende propaganda die tot doel had buitenlandse critici gedurende de eerste 24, 48 of 72 uur te verwarren en dus te verlammen — en dat lukte ook steeds opnieuw. Zo was de Amerikaanse interventie in Grenada voorafgegaan door een emotionele Pentagon-campagne over de bouw van een Russisch militair vliegveld aldaar, over de aanwezigheid van Cubaanse militaire eenheden, over de dreigende gijzeling van Amerikaanse studenten en over de vondst van massagraven. Allemaal welbewust gelogen.

De Amerikaanse interventie in Panama was begeleid door een Pentagon-campagne tegen regeringsleider Noriega. In zijn bureau zouden rood damesondergoed, een pakje cocaïne en een exemplaar van Hitlers Mein Kampf zijn aangetroffen. Allemaal gefantaseerd, maar de verslaggevers vonden het natuurlijk te pikant om te negeren. De jarenlange Amerikaanse mediamanipulatie rond Nicaragua is later onder meer uit de doeken gedaan in een boekje van Edgar Chamorro die lange tijd de woordvoerder was van de anti-Sandinistische contra’s. Hij liet zien hoe gemakkelijk het was om gretige journalisten van grote media voor de gek te houden.

Wat betreft de internationale meningsvorming zijn twee andere ontwikkelingen steeds meer van belang geworden. Ten eerste het feit dat de grote Anglo-Amerikaanse mediaorganisaties in de wereld steeds dominanter werden en dat de kritiek hierop binnen de Unesco effectief is gesmoord. Ten tweede het feit dat grote pr-bureaus steeds meer knowhow in huis hebben gekregen op het gebied van nieuws-, informatie- en issuemanagement.

Aan de vooravond van de Golfoorlog werd de bewerking van de publieke opinie ook weer uitbesteed. Zie de spraakmakende onthullingen over persoonlijke martelingen door Saddam Hoessein, op alle grote tv-journaals gedaan door een «persoonlijke lijfwacht» die later iemand van de Saoedische geheime dienst bleek te zijn. Of het gruwelverhaal over de moord op 312 Koeweitse baby’s door Iraakse troepen, afkomstig van het grote pr-bureau Hill & Knowlton dat in totaal tien miljoen dollar kreeg betaald. Overigens komt maar één op de tien van dat soort leugens echt uit, meestal pas op een moment dat het er niet meer toe doet.

Het Amerikaanse congres besteedde ongeveer honderd miljoen aan het beïnvloeden van de eerste vrije verkiezingen in Servië. Op zich een behartenswaardig doel, maar toch iets waarvan de meeste burgers nauwelijks op de hoogte zijn. Israël is natuurlijk een belangrijke en ervaren speler waar het de Arabisch-islamitische wereld betreft. Zuid-Afrika was in de tijd van apartheid zeer actief. Boss-agent Gordon Winter heeft in zijn memoires uitvoerig beschreven hoe hij de politiek en de media in een land als Engeland jarenlang beïnvloedde. Bijvoorbeeld door het verzamelen van informatie over het privé-leven van politici of het uitlokken van schandalen.

Wat rond de Pentagon-onthullingen pas werkelijk verbazingwekkend is, is dat iedereen zo verbaasd was.