Liegen pro deo

Eindelijk heeft Marc D., ‘het monster van Charleroi’ annex veelvoudig moordenaar en kinderverkrachter, een verdediger gekregen, want iedereen heeft, ongeacht wat hij of zij voor een smeerlapperij heeft uitgehaald, recht op juridische bijstand.

Beroepscriminelen in ruil voor criminele-advocatenhonoraria, amateur-criminelen tegen pro Deo uitgekeerde schertsbedragen, maar dat is allemaal geen probleem, want de free publicity die dit soort zaken genereert, is met geen miljard Belgische franken te betalen.
Ja, iedereen heeft recht op juridische rugdekking, Adolf Eichmann zowel als Johan de Hakkelaar. Wie zal dit elementaire grondrecht in twijfel trekken?
Niettemin, het lijkt mij een moeilijk beroep. Soms komt het voor dat een verdachte netjes heeft bekend. Dan kan zo'n advocaat zich op de verzachtende omstandigheden concentreren, die er altijd zijn. Vader was alcoholist, moeder financierde de jonge Bols door te tippelen en ook anderszins is de jeugdige tasjesdief het produkt van een verscheurde jeugd.
Soms is de delinquent trouwens gewoon krankzinnig, zoals de voornoemde Marc D., al zal zijn verdediger straks ongetwijfeld worden geconfronteerd met het complicerende feit dat zijn cliënt zich tussen alle gekkigheid door ook een bekwaam handelsman heeft betoond.
D. heeft bekend. Hij kon moeilijk anders. Het compromitterende bewijsmateriaal is in zijn tuin gevonden. Het grote probleem voor een advocaat, lijkt mij, is een verdachte die ontkent, terwijl zijn raadsman onderwijl al te goed weet dat de man guilty as hell is. De verdachte heeft gemoord en geroofd, gefolterd en verkracht - en onderwijl moet zijn raadsman ontkrachten wat niet te ontkrachten valt, met als mogelijke consequentie dat, na al die advocatenslimheid, dit ongure element straks weer gewoon over de Keyserlei of door de Kalverstraat flaneert.
Het is een moeilijk beroep, de advocatuur. Menig delinquent moge niet of nauwelijks toerekeningsvatbaar zijn, menig pleiter moet na zoveel jaren praktijk tenminste schizofreen zijn geworden. Althans, de strafpleiters, want in de meer bedaagde sectoren van het advocatenberoep - bijvoorbeeld het belastingrecht of het vennootschapsrecht - wordt men zowel héél oud als héél rijk, zonder dat de levensavond door zoiets als schuldgevoel wordt verduisterd.
Vroeger kende de vaderlandse balie nog het verschijnsel van de ouderwetse maître, de strafpleiter naar Frans model. François Pauwels bijvoorbeeld, of M.H. Huygens. Zij waren de Nederpolderse achterneven van Perry Mason, rollenden oogs en machtigen gebaars, geknipt voor het populistische systeem der juryrechtspraak, dat in Nederland gelukkig nooit ingang heeft gevonden. Meenden zij werkelijk wat zij betoogden? Ik waag het te betwijfelen. Meent mijn advocaat werkelijk wat hij zegt, als ik morgen, tegen alle feiten in, onder mijn dubbele lustmoord probeer uit te kronkelen?
Ja, iedere verdachte heeft recht op juridische bijstand. Niettemin stel ik eigenlijk op zo'n beroepsleugenaar geen prijs, zodat ik heb besloten overmorgen, in zaal 6b van het pand Parnassusweg 222, mijn eigen verdediging te voeren.