Liegende teddyberen

Zo had ik haar nog nooit gezien, en ik weet nog dat ik iets wilde zeggen – maar ik wist niet wat.

Van de peuterschool kan ik me twee dingen herinneren. De eerste herinnering die ik heb, is die aan mijn kalm sprekende teddybeer. Iedere ochtend verzekerde hij me dat mijn moeder altijd weer terug zou komen – waar ze ook naartoe ging. Ik moet hem eigenlijk nog steeds terugpakken voor die opmerking, want weinig bleek minder waar. Echt een jokkebrok was hij. De andere herinnering is scherper, en er wordt niet in gesproken. Ik zit aan de ene kant van het rek, dat mijn groep scheidde van de andere. Aan de overkant zit een meisje, dat even geïntrigeerd naar mij kijkt als ik naar haar.

Volgens mij hebben we elkaar één keer aangeraakt, toen we onze handen door de spijlen staken. En ik begrijp dat jullie me misschien niet geloven, aangezien de eerste herinnering dus ook al leugens bevat. Maar het is echt gebeurd, want een jaar later kwam ik bij haar terecht op de basisschool en we herkenden elkaar direct. De eerste dagen op de basisschool heb ik vrijwel met niemand gepraat, want zij en ik hadden vanaf het eerste uur de slappe lach. Toen mijn moeder me afzette, zei ze: ‘En nu ga ik naar Elsbeth Etty toe.’ Die naam vonden we zo grappig dat we er ongeveer een week niet meer van zijn bijgekomen.

Mijn gevoel voor humor is niet echt veranderd, in al die jaren. Ik lig nog steeds weleens dubbel om Elsbeth Etty. Waar ook weinig verandering in is gekomen, is dat mensen bij god niet weten of ik een jongen of een meisje ben. Vandaag de dag gokken ze meestal, met alle gevolgen van dien, maar kinderen vragen zoiets nog heel direct. Vooral als we gingen voetballen sloeg de verwarring, en noodzaak tot opheldering, toe. ‘Hij is te goed’, raasde de tegenpartij dan, en legde de wedstrijd stil totdat ik zou toegeven dat ik geen meisje was.

Dit gebeurde wekelijks, zo niet dagelijks, en na verloop van tijd ben ik er maar gewoon bij gaan zitten. Ik wist namelijk dat mijn vriendin naar ze toe zou lopen, om hun vervolgens te vragen wie ze in godsnaam wel niet dachten dat ze waren. ‘Zij gaat door het vuur voor jou’, zei mijn moeder weleens over haar. Ze ging ook door het vuur voor me. En gelijk zou ze krijgen, over wie of wat ik dan ook was. ‘Sofie, laat je kut zien!’ riep ze wanneer de tegenstanders het echt niet wilden geloven. Een beetje gelaten liet ik daarop mijn broek zakken, en na wat starende blikken konden we eindelijk weer verder.

Een echte voetballer doet er alles aan om te winnen, ook als hij daarvoor zijn onderbroek moet uittrekken. Pas jaren later realiseerde ik me dat ik eigenlijk nooit voor haar door het vuur ben gegaan, terwijl daar toch genoeg aanleiding voor is geweest. Zoals de dag dat ze haar haren voor het eerst los had, en de gehele klas om haar heen zwierf omdat ze dat toch weleens wilden voelen – zulk soort haar.

Aan het einde van de pauze trof ik haar alleen aan, met haar hoofd naar de grond en haar haren opnieuw vast. Zo had ik haar nog nooit gezien, en ik weet nog dat ik iets wilde zeggen – maar ik wist niet wat. Dat was het hele punt: ik wist dat er iets was, wat mij van haar scheidde, maar gewoonweg niet wat. Er was iets, wat maakte dat toen mijn vader door rood reed, hij daarvoor een boete ontving, en dat haar vader voor dezelfde overtreding een gehele nacht in de cel doorbracht. Er was iets, wat ervoor zorgde dat zij met precies dezelfde schoolresultaten als ik eerst te horen kreeg dat havo wel uitdagend genoeg was, terwijl ze mij glimlachend naar het gymnasium doorverwezen.

Soms vraag ik me af of ik in al die jaren slimmer ben geworden, of juist dommer. Volgens mij was ik wijzer, als kind. Wijs, en een beetje goedgelovig. Teddyberen zijn er vaak op uit om je gerust te stellen, maar spreken daarbij niet altijd de waarheid. En leraren en politieagenten zitten er nog vaker naast. Het enige waar je vervolgens op kunt hopen, is dat je echt een verschrikkelijk goede vriendin tegen het lijf loopt – die weet wanneer het moment daar is, en ze voor je door het vuur moet gaan.