Lier op stelten

Eindelijk zou de Vlaamse schrijver Felix Timmermans worden herdacht zonder een grote boog om zijn zwarte oorlogsverleden te maken. Maar in Vlaanderen doet men liever aan vergeten dan verwerken. ‘De Fee durfde gewoon niet nee te zeggen, ook niet tegen de Duitsers.’
OVER HET oorlogsverleden van de Vlaamse schrijver Felix Timmermans wordt oorverdovend gezwegen. En zoals zo vaak het geval is met Vlaanderens onverwerkt verleden, is ook hier het taboe de moeder van alle mythen. Zo wil de Vlaamse stad Lier ‘de Fee’ vijftig jaar na zijn dood blijven eren als de brave, volkse en leutige schrijver van Pallieter. Politiek en artistiek ongevaarlijk. En zo willen anderen Timmermans op het schavotje stellen naast notoire ‘zwarten’ als August Borms.

Op dat braakland tussen wat de enen niet willen weten en wat de anderen uitvergroten, laaien de passies weer op in Lier, een halve eeuw nadat de Fee in de oorlogsjaren een Duitse literaire prijs in ontvangst nam. Het plan voor een borstbeeld doet de overlevenden van verzetsgroep De Witte Brigade steigeren. En een tentoonstelling Timmermans Goes Contemporary stuit op een muur van politieke gevoeligheid en artistiek provincialisme.
DINSDAG 28 januari 1947. Een vriesochtend in de Antwerpse provinciestad Lier. Een pastoor klampt een gardevil aan en vraagt de weg naar het sterfhuis van Felix Timmermans. ‘Pater’, antwoordt de agent na een militaire groet, 'ik heb negen maanden in Buchenwald doorgebracht. Ge zult begrijpen dat ik niet weet waar de Heyderstraat is.’ De pastoor barst uit in een verwensing voor de onwillige staatsdienaar: 'Man, ge zult nooit in den hemel komen!’
Vijftig jaar later weerklinkt de echo van de agent in een pamflet van de Witte Brigade en de Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen en Rechthebbenden en Oorlogsinvaliden. Zij verzetten zich tegen de komst van een borstbeeld van de auteur op het Timmermansplein. En ze vragen het stadsbestuur vriendelijk om dat beeld in het Timmermansmuseum te plaatsen, 'zodat het geen aanstoot zou geven aan de vele Lierenaars, die daardoor steeds opnieuw zouden herinnerd worden aan de bezettingstijd’.
De wonderjaren waren in 1947 al een tijdje voorbij voor Felix Timmermans. De Lierenaars hadden de man die hen Pallieter en Boerenpsalm schonk, verstoten. De Fee was niet langer goed, hij was niet langer wit, hij was zwart, fout. De Fee overleed aan een hartkwaal, maar ook aan de angst dat hem represailles zouden treffen. Het bleef uiteindelijk beperkt tot een Duits hakenkruis op zijn gevel.
Lier likte zijn wonden. Nog in hetzelfde jaar van zijn dood verscheen er een lijvig boek met 'herinneringen aan Felix Timmermans’ onder de titel Zo was 'de Fee’… Liever dan te wachten op een eventueel proces hoopte men met één boek 'het misverstand’ te doen vergeten. De auteur, ene Mark Edo Tralbaut, gaf zijn stadgenoten er duchtig van langs: 'Lier, uit de kluiten gewassen snertdorp van zelfgenoegzame schoenfrikken en opgeblazen muziekinstrumenten-fabrikanten, van dikbuikige vlaaikensbakkers en rappe voetbalvirtuozen, van verrimpelde kantwerksterkens en geduldige parelrijgertjes’.
Maar vooral ongerust toonde de auteur zich over de omgeslagen stemming in Nederland, waar Timmermans voor de oorlog al even populair was als in Duitsland. 'Vrienden uit het letterkundig leven benoorden den Moerdijk hadden zich destijds laten influisteren dat Pallieter in het hatelijke plunje der SS zou geparadeerd hebben!’ En de Nederlandse publicist Piet Bakker vroeg zich bezorgd af of de Belgen Timmermans 'niet zouden begenadigen vooraleer hem te fusiljeren?’ Tralbaut putte zich honderden pagina’s lang uit om te bewijzen dat Timmermans het slachtoffer was geworden van zijn populariteit en niet kon vluchten voor de belangstelling van de Duitse bezetter.
WAT HAD Timmermans op zijn kerfstok? Hij had al lang voor de oorlog goede vrienden in Duitsland en vooral: veel lezers en kopers van zijn boeken. En daar was hij, als broodschrijver, wel gevoelig voor. Toen het Vaticaan zijn Pallieter verbood omdat het al te 'zinnen strelend’ was, schrapte hij braaf de 'blootste’ passages. Hij luisterde niet naar Stijn Streuvels die hem de raad gaf om alle exemplaren van zijn boek bij wijze van protest te verbranden op de Grote Markt van Lier. Timmermans was geen hemelbestormer en zeker geen groot ideoloog. Wel kon hij zich boos maken over de verdrukking van de Vlamingen in Franstalig België. Dat volstond al tijdens de Eerste Wereldoorlog om hem in de 'foute’ hoek te plaatsen. Hij werkte in die jaren mee aan de pangermanistische groep Jong Vlaanderen. Zoals andere activisten vluchtte hij na de oorlog naar Nederland, maar Lier haalde hem snel weer met open armen binnen. Eind jaren twintig begon Timmermans, op verzoek van zijn Duitse vertaler, Karel Jacobs, lezingen te geven in Duitsland.
De vooroorlogse aandacht van de Duitsers voor de Vlaamse telgen was opvallend. Ze zetten hun filmstudio’s open om daar De Witte van Ernest Claes en andere Vlaamse klassiekers te verfilmen. Ze vertaalden, publiceerden en promootten. Maar door de machtsovername van Adolf Hitler leek het allemaal een gigantisch vergiftigd geschenk. De enen vonden dat helemaal niet erg, de anderen zorgden dat ze wegkwamen, en sommigen - zoals Timmermans - durfden het gegeven paard niet in de bek te kijken.
Hoe verder de jaren dertig vorderden, hoe pijnlijker het werd. Hoge Duitse soldaten kwamen zichtbaar voor de hele stad aan Timmermans’ deur bellen en vroegen hem om een handtekening in hun, in gothische letters gezette boeken van Timmermans. Ondertussen begonnen ook openlijk collaborerende organisaties, zoals de beruchte DeVlag (Deutsch-Vlaamse Arbeidsgemeenschap), zijn naam en faam te gebruiken - en hij liet zich dat aanleunen. Ook toen hij in 1942 de Duitse Rembrandtprijs kreeg. En ook toen hij gevraagd werd om met August Borms en enkele Wehrmachtsoldaten voor een foto te poseren. Hij hoopte maar dat die oorlog snel voorbij was en dat het 'gewone’ Duitse volk ook ná Hitler zijn boeken zou blijven kopen. 'Aangezien er nooit een woord van mijn lippen komt dat naar politiek ruikt, kan of zal het zeker niet ter oorzake zijn van welke soort propaganda ook, dat ze (de Duitsers) mij gedurig vragen’, tekende Tralbaut uit de Fee’s mond op. 'Zij zijn er verlekkerd op omdat het hun amuseert.’
Niets ernstigs dus? Toch wel, andere schrijvers en kunstenaars waren immers minder laks en laf, en hebben niet als kleinburgers hun commercieel eigenbelang vooropgesteld. Er zijn er die niet zo selectief blind en doof zijn gebleven voor de politiek rond de cultuur in die dagen. Ook al zijn er geen ideologisch geladen geschriften van Timmermans zelf bekend, hij had kunnen weten wie die Dr. Goebbels was, die hem op een boekenbeurs in Weimar 1941 bewierookte. Het is meer dan naïef om zoals Timmermans te blijven geloven dat het geen kwaad kon om badinerende praatjes te houden over Pieter Breughel voor de DeVlag. Het moet voor 'de bange Fee’ zeker een opluchting zijn geweest dat enkele die-hards van de rassentheorieën en SS'ers hem maar 'armzalig folkloristisch’ vonden.
ZATERDAG 12 juli 1997. Een halve eeuw later mag Felix Timmermans als uithangbord van Lier weer toeristen trekken. Langs de 'Timmermansroute’ gaat het van het Timmermansmuseum naar het Timmermansplein en het Pallieterbeeld. Talrijk zijn de middenstandszaken die zichzelf 'Pallieter’ noemen, en de stad houdt zijn reputatie van Lierke-Plezierke hoog met restaurants als 'De Gekrulde Zinnen’. Timmermans is weer zo ongevaarlijk als voor de oorlog. Iedereen houdt het weer op dat ene zinnetje in de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging over Timmermans en de oorlogsjaren: Fee hield zich 'buiten de politiek’. Punt.
De Lierenaars hebben opzettelijk vergeten, maar niet verwerkt. 'Er wordt wel eens over geschreven, maar niemand praat er over’, zegt een vriend van de familie Timmermans en stichtend lid van de Timmermanskring. Hij wil niet bij naam genoemd worden, want Lier is klein en hij wil de bibliothecaris en de schepen van cultuur 'die zich hebben laten rollen’ door Erno Vroonen nog onder ogen komen.
Vroonen, een in Duitsland wonende Vlaamse kunstcriticus, is het brein achter een tentoonstelling die Lier uit zijn beate, folkloristische en selectieve bewondering voor Timmermans moest halen. Met Er gebeurt iets…: Timmermans Goes Contemporary wilde hij twaalf hedendaagse kunstenaars - Belgen, Duitsers en Nederlanders - 'een dialoog met Timmermans’ doen aangaan. Net zoals Frans Verleyen, hoofdredacteur van het Vlaamse weekblad Knack, meende hij dat Timmermans als kunstenaar wel wat beter verdiende dan het eindeloos herkauwde imago van dubieuze folklorist. Want Timmermans is in de officiële geschiedschrijving van Vlaanderen niet alleen politiek ongevaarlijk, hij is het ook als kunstenaar. En dus wordt hij door de Vlaamse cultuurtoeristische sector net als Stijn Streuvels in het Bokrijkmuseum van de letteren gezet.
Er gebeurt iets zou daar verandering in brengen. Op vier locaties in Lier verschenen, te midden van de geconsacreerde Timmermans, levendige kunstwerken. Tegenover het pittoreske Huisje van verlangen, olieverf op doek van Timmermans uit 1922, toont fotograaf Jean-Paul Deridder in een reeks getiteld End of Silence de lelijke kanten van Lier anno 1997. Het beeld van een berg kasseien tussen kale bomen op een dorre grond 'dialogeert’ met het groene landschap van Timmermans aan de andere kant van de muur.
In de ruimte ernaast heeft de Westvlaming Wim Delvoye een betonmolen neergezet, uit hout gesneden en in Delfts blauw met bloemenmotief geschilderd. Delvoye kwam ook met het idee voor een reuzenbustenhouder, vervaardigd in het Lierse kantatelier. Zijn inspiratie vond hij in een Timmermans-impressie van het veld: 'in mijn gedacht geen reus, maar een reuzin’.
EN TOEN WAREN er die twee Leidse kunstenaars van het collectief de Fundatie, Onno Schilstra en Allart Lakke. Hun werk zou als een hand in de handschoen van de Lierse reus Timmermans passen, dachten ze. De Fundatie verdiept zich al lang in de schemerzones van de kunst als sociaal fenomeen, in folklore, censuur en sociale conventies. Een uitgelezen basis om met Timmermans en zijn stad een kritische 'dialoog’ aan te gaan. Schilstra en Lakke installeerden in de kelder van het Lierse stadsarchief hun Officium sensorum, het kantoor van de censor, een lugubere ondervragingscel die de Lierenaars meteen aan de oorlogsjaren deed denken.
Vroonens moderne snaar sloeg niet aan. De Lierenaars kloegen over de kostprijs van 'dit gekke gedoe’, en over 'het gebrek aan respect voor de familie Timmermans’. 'Het zou mooi geweest zijn, maar er was helemaal geen dialoog tussen die moderne kunstenaars en de Fee’, zegt de naamloze vriend van de familie over Er gebeurt iets. 'Timmermans had zich in zijn graf omgedraaid. Allez, wat heeft een betonmolen nu met Timmermans te maken? Ze hadden er net zo goed deze kachel hier kunnen neerpoten om - ik zeg maar iets - de warmte van Timmermans te verbeelden. En dan wilden ze ook nog per se dat oorlogsverleden oprakelen. De Fee was een bang mens. Hij durfde niet nee te zeggen, ook niet toen de Duitsers hem die prijs gaven. Stijn Streuvels was uit ander hout gesneden. Als ze hem kwamen vragen voor een lezing, zorgde hij dat hij drie dagen onvindbaar was. Timmermans durfde dat niet, zo de zot houden met de Duitsers.’
De tentoonstelling zou tot 28 september lopen, maar wordt nu halverwege al afgebroken. De bustehouder van Wim Delvoye is opgedoekt, en de Leidse kunstenaars van de Fundatie hebben hun Officium sensorum ingepakt nadat ze vorige week een verbod kregen van het stadsbestuur om het tweede luik van hun kunstwerk - De operatie - uit te voeren.
DAT VERBOD KWAM er nadat de familie Timmermans het draaiboek van De operatie onder ogen had gekregen. Het zou een optocht worden met een dubbel traject. De twee stadsreuzen, Pallieter en Koningin, zouden voor het stadhuis de reus van de Fundatie ontmoeten. En de in uniformen gestoken officieren van de censorkamer zouden mee opstappen.
'Dat zou natuurlijk meteen naar de SS hebben geroken, en dat konden we toch echt niet toelaten’, zegt schepen van cultuur Guido Van den Bogaert. 'Het jaar 1997 moest een hulde worden aan Timmermans. En dan moet je de familie toch niet gaan choqueren? Okee, ik had zelf wel gezegd dat ik hoopte dat Er gebeurt iets tot reflecties en reacties zou leiden, maar niet zo. En met dat pamflet van de Witte Brigade was de sereniteit helemaal zoek.’
De Nederlandse kunstenaars noemen Van den Bogaert nu een 'doofpotmannetje’ en een 'leugenaar’. Op de Grote Markt hangt vandaag aan de gevel van het Vleeshuis een spotprent: onder een vaandel met als opschrift 'Naar waar de miljoenen vloeien’ staat een borstbeeld van Erno Vroonen. Op de sokkel is de naam 'Felix Timmermans (1886-1947)’ doorgestreept en vervangen door die van de curator. De beoogde dialoog met Timmermans werd een dovemansgesprek, en met het abrupte vertrek van de Leidenaars worden ook de zwarte oorlogspagina’s in het leven van de Fee weer gesloten.
Toegegeven, de werken van de Fundatie herinnerden iets te veel aan de groteske karikatuur van Timmermans als 'de literatuurstier van de nazi’s’. Maar op z'n minst had Lier de gelegenheid kunnen aangrijpen om vijftig jaar na de Fee’s dood die oorlogspagina’s in hun ware proporties bespreekbaar te maken. En het had ook een boeiend debat over kunst, folklore en sociale conventies kunnen opleveren.
Zolang dat niet gebeurt, krijgt de mythe vrij spel. Zolang er alleen vergeten wordt, en niet verwerkt, zal de Fee voor de enen Pallieter blijven, het olijke uithangbord van Lier, voor de anderen de 'zwarte’ die na de oorlog op het schavot had moeten staan.