Lieve Esther,

Lange tijd vond ik mijn leven mislukt. Daar was genoeg aanleiding voor, meende ik. Ik begreep mijn ouders niet, zat te knoeien met mijn opleiding, heb mijn studies niet afgemaakt en als schrijver had ik niet dat succes waarop ik hoopte. Daarnaast waren mijn verhoudingen een troep.

Maar gaandeweg veranderde het gevoel van mislukt zijn. En dat heeft te maken met de intrigerende vraag die jij me stelde – en waarover je me steeds vragen stelt – hoe het nu zit met het begrip ‘erkenning’.

‘Wat heb je aan je leven als je werk niet wordt gezien’, vroeg je me, en vraag je me, terwijl jij het antwoord daarop eigenlijk beter zou moeten kennen dan ik, want jouw werk wordt minder ‘bekeken’ dan mijn stukken gelezen.

We hebben er al veel over gesproken, maar ik geef het antwoord nog een keer in deze brief.

Op het moment dat je iets wil uitdrukken wat je belangrijk vindt, wordt die erkenning vanzelf een plek naar achteren verschoven. Ik schreef destijds vooral omdat ik beroemd wilde worden en daarmee hoopte een lekker hapje op de seksuele kraam te zijn die op die markt trouwens zelf ook gratis wilde graaien. Maar door al die competitiestrijd maak je jezelf opeens wijs dat je verliefd bent, dat je een bepaalde vrouw ‘moet’ hebben, en je bent bereid daar alles voor op te geven. Je verovert een vrouw met je gedichten, maar als je haar hebt verdwijnt de poëzie razendsnel. Dan hoop je op beroemdheid, omdat je van je vrouw af wil en eindelijk iets aantrekkelijks wil. Dan blijkt dat het makkelijker is een jonge meid te veroveren dan om roem te vergaren, vooral als je niet zo veel talent hebt – en dan vul je je leven verder met een seksueel misverstand, want ze is weliswaar jong en mooi, maar Jezus Christus, wat is ze ingewikkeld! Daar moet je ook van af! Ondertussen heb je kinderen. Het wordt een rotzooitje. Je wil dan erkenning. Maar om wat? En voor wat? Je hebt ondertussen ontdekt dat roem beïnvloed wordt door het lot, door toeval, door een goed netwerk. Je verzet je daartegen, omdat je je misdeeld voelt, maar dat heeft geen zin.

En dan, opeens, vooral als kunstenaar, ontdek je dat je domweg wilt werken. Als een amateur. Dat je moet werken om te werken. Dat is het moment waarop roem je niks meer kan schelen. Trouwens, seksueel ben je ook die meester niet meer. Je wilt vooral rust.

Ik denk vaak dat een en ander te maken heeft met een verzoening met de dood. De dood komt steeds dichterbij. Na je 55ste begin je aan de ongeneeslijke ziekte van ouderdom te lijden; je leert je pijnen als kameraden te beschouwen. Je wilt je eigen wijsheid tentoonspreiden. Je maakt kunst in het besef dat je het zelfs als voetnoot waarschijnlijk niet gaat redden, maar dat geeft niet; je wereld is al kleiner geworden. Je doet het voor je familie, en voor die paar liefhebbers.

Ik herinner me heel goed dat ik dacht: verdomme, ik voetbal niet zo goed, verdomme: ik kan geen schaakkampioen worden, wat jammer: ik zal nooit een gitaarvirtuoos worden, verdorie: al mijn vrienden zijn intelligenter dan ik, krijg de kolere: wat zijn er veel collega’s die beter schrijven dan ik.

Je gaat met de hoed in de hand door het leven.

En opeens merk je dat het om andere dingen gaat.

Een mooi verhaal van je dochter aan de eettafel. Een schitterende film die je hebt gezien en die je heeft ontroerd, omdat hij je verzoent met de ouderdom; een boek waarom je keihard moet lachen.

Dus zit niet bij de pakken neer en ga weer aan het werk.