Slau en zijn landelijke muze

Lieve Jan

Het beeld van Slauerhoff zoals dat oprijst uit zijn werk en andere briefwisselingen hoeft na de (slordige) uitgave van zijn correspondentie met jeugdliefde Heleen Lambers niet te worden bijgesteld, maar de intimiteit tussen beiden in dit ‘plaatsvervangend dagboek’ levert wel erg mooie gemoedsuitstortingen op.

Van een liefde die vriendschap bleef: Briefwisseling tussen J. Slauerhoff en Heleen Hille Ris Lambers Bezorgd door Wim Hazeu, Letterkundig Museum (serie Achter het Boek no. 39), distributie Bas Lubberhuizen, 142 blz., € 23,50

Brieven van Slauerhoff zijn zeldzaam en kostbaar. Voor een ansichtkaart met de groeten aan Henny Marsman tel je al gauw een kleine tweeduizend euro neer. Het is dus wel heel bijzonder als een hele verzameling brieven in één keer op de markt komt. Dat gebeurde vijf jaar geleden. Zeventig brieven, gericht aan Heleen Hille Ris Lambers, op een enkele na allemaal van Slauerhoff – hijzelf bewaarde slechts een enkele brief van haar – werden met steun van het Mondriaan Fonds door het Letterkundig Museum aangeschaft voor ruim vijftigduizend euro.

De verzameling is interessant omdat Heleen Lambers een goede, levenslange vriendin van de schrijver was. Even leek het zelfs of ze met elkaar gingen trouwen, maar eerst wilde Heleen niet en later Slauerhoff niet meer. Ze waren even oud en kenden elkaar van toen ze nog op school zaten. Slauerhoff was kind aan huis op de pastorie van dominee-vrijdenker Cornelis Hille Ris Lambers in Jorwerd, het dorp dat Geert Mak tachtig jaar later tot prototype van seculerend Nederland maakte. In het gezin met negen kinderen schoof Jan moeiteloos aan. Aanvankelijk raakte hij verkikkerd op de jongere Annie, maar al gauw op Heleen. Zij groeide uit tot zijn muze van de landelijke liefde. Gedichten als Pastorale, De terugkeer, De gouvernante en Voor de verre prinses heeft hij met haar voor ogen geschreven. Ze bleven elkaar schrijven toen hij de wereldzeeën bevoer en telkens ziek in het vaderland terugkeerde, en zij haar leven wijdde aan de verpleging van anderen. O ironie. Als de vriendschap dan geen liefde mocht worden, waarom zat de verpleegster dan zo mijlenver van haar patiënt? Overal nam Slauerhoff haar portretjes met zich mee en prikte ze aan zijn kajuitwand. Zelden zagen ze elkaar nog. En als het eens gebeurde, was het maar voor korte tijd. Het was zoals in het gedicht Landelijke liefde I: ‘Zoo was het altijd:/ Verschijnen, verdwijnen, weerzien, afscheid’. Wat resteerde waren de brieven. Daarin legt Slauerhoff zijn ziel bloot.

In deze briefwisseling, die de periode 1927-1936 beslaat, de laatste tien jaar van zijn leven, komt Slauerhoff naar voren als de eeuwige twijfelaar, niet in staat een keuze te maken over waar zich te vestigen, welke betrekking te aanvaarden, welke vrouw de zijne te noemen. Een tijdlang lijkt hij die vrouw gevonden te hebben, de danseres Darja Collin, en meteen neemt de noodzaak Heleen te schrijven af. Hun doodgeboren zoontje luidt echter het einde van het huwelijk in. Geregeld schrijft hij zijn vriendin dat hij alles maar laat komen zoals het komt. Zo’n willoze houding moet wel een gevolg zijn van de ziektes die zijn lichaam langzaam sloopten. Aan den lijve ondervond hij dat het geen zin had van alles te willen, als het lot bepaalde dat hij telkens weer op zijn ziekbed werd teruggeworpen. Vooral tegen het eind van zijn leven eisen zijn kwalen en wat eraan te doen was een ruime plaats in de correspondentie op. Telkens worden er plannen gemaakt om in Merano in Italiaans Tirol te gaan kuren. Heleen woont er, ze verpleegt er een zieke legerkapitein. Maar even zo vaak worden de plannen getorpedeerd door nieuwe aandoeningen. Hij lijdt aan tbc, een ziekte die hij al vroeg in zijn leven heeft opgelopen maar die telkens weer de kop opsteekt. Het is een geheim, aangeduid met puntjes of een omslachtige omschrijving; de weinigen die ervan weten mogen er niet over spreken. Maar als arts heeft hij verschillende artikelen aan tbc gewijd en een van zijn lievelingsboeken, Thomas Manns De Toverberg, waarin het leven van de hoog in de bergen kurende tbc-patiënten in de breedte verteld wordt, beveelt hij iedereen aan.

De bezorger van de brieven, Slauerhoff-biograaf Wim Hazeu, noemt de correspondentie het ‘plaatsvervangend dagboek’ van de dichter, en inderdaad legt Slauerhoff als in een dagboek zijn belangrijkste levensvragen aan Heleen voor. Hij doet echter niet nauwgezet verslag van zijn wederwaardigheden. Daarvoor schreef hij te zeer in kennelijke haast, ook gezien het moeilijk leesbare handschrift, de talloze spelfouten, niet-lopende zinnen, inconsequente redeneringen. Aan de andere kant: omdat ze elkaar zo goed kenden, konden ze ook snel tot de kern komen. Als een aandachtige, lieve vriend geeft Slau zijn jeugdvriendin advies. Hij troost haar, spreekt haar moed in en toont zijn gevoel voor humor: ‘Het is ellendig dat je zooveel teleurstellende ervaringen door moet maken maar ik heb ook ruimschoots mijn deel gehad. – Und Leiden ist das schnellste Rosz dass tragt zur Volkommenheit’, waarmee hij haar Meister Eckhart voorhoudt, en laat daar droog op volgen: ‘Niet dat ik daar dicht bij zou zijn.’

Heleen moet echter niet al te aanminnig worden. ‘Misschien is dit ook goed te zeggen, om toekomstige misverstanden te voorkomen: ik kan niet tegen al te teedere zorg. Ik ben een ruw leven gewend, en vind dat ook gezonder.’ Ook op haar complimenten – Heleen is erg gecharmeerd van de gedichten in Een eerlijk zeemansgraf – reageert hij geïrriteerd: ‘vooral de 2de helft [van de dichtbundel] moet menschen die denken en leven zooals jij toch een gruwel zijn. Of je leest ze niet goed, òf je hebt eenmaal het partipris mijn werk goed te vinden. (ik geloof dat ook, sinds Clair obscur, 1926, ongeveer, voordien tijd moest je er toch ook niets van hebben.)’ Clair-obscur was de bundel die hij aan Heleen had opgedragen door in haar exemplaar de letters ‘l.m.d.l.a.r.’ te schrijven, een afkorting van la muse de l’amour rustique. Hierin stonden vier op haar geïnspireerde verzen, waaronder het driedelige Landelijke liefde.

Het beeld van Slauerhoff zoals dat oprijst uit zijn werk en andere briefwisselingen hoeft op basis van deze correspondentie niet te worden bijgesteld, maar de intimiteit tussen de correspondenten levert wel erg mooie gemoedsuitstortingen op. Zo reageert Slauerhoff fel als Heleen hem gebrek aan levenslust verwijt: ‘Je hebt ongelijk dat ik ’t leven niet bemin. Meer dan de meesten heb ik ervan genoten, veel te veel soms, wat mij ook geen goed heeft gedaan. In mijn werk uit ik vaak mijn weerzin tegen de leelijke kanten van de samenleving (wat niet het leven is) en het leed van anderen. (…) En is het feit dat ik ondanks de allerongunstigste omstandigheden als het varen en veel ziek zijn nog zooveel produceerde, is dat niet eerder een blijk van levenslust?’

‘Op aarde niet en niet op zee’ klonk het in Het einde en ook de brieven zijn doortrokken van dit unheimische levensgevoel. ‘Ik geloof nergens in en ben zoo veranderlijk dat ik me in geen vaste vorm kon geven en insluiten en dat zal nog geruime tijd zoo zijn. Voor kort geloofde ik nog van niet, dat ik er al was. Ik heb nu alleen de hoop dat iets dat met niets aan ’t verleden vast zit lukken zal.’ In Nederland wil hij niet wonen. Maar zijn contacten zijn ook niet van dien aard dat hij zich in een beter klimaat kan vestigen. De crisis vanaf 1929 maakt het uitzicht op een mooie carrière als arts of specialist al helemaal onmogelijk. Dan rest als laatste strohalm steeds het varen. Geen pretje: ‘Het varen vind ik ellendig.’ ‘Ik wacht met ongeduld het moment af dat ik het varen er aan zal kunnen geven. Voorgoed. Maar in Holland heb ik zoo weinig kansen op een bevredigend bestaan! Een klein dorp trekt mij nog altijd wel, maar ik haat het gedwongen zijn om te gaan met tuig. Dat is hier ook wel. Maar hier komt er telkens weer een einde aan. Een opluchting.’

In de presentatie van de brieven is het Hazeu gelukt Slauerhoff in slordigheid naar de kroon te steken. Ontelbare typfouten en typografische slordigheden ontsieren deze uitgave. Maar erger voor een gelauwerde biograaf als Hazeu en een instituut als het Letterkundig Museum, onder wiens auspiciën dit boek verscheen, is het inadequate notenapparaat. Vol fouten en onnodige verklaringen, waar noodzakelijke uitleg weer node wordt gemist. Er is fotomateriaal opgenomen, maar goede afbeeldingen van de brieven, ansichten en handschriften ontbreken. Het lijkt alsof Hazeu niet te veel tijd aan de uitgave wilde spenderen en met hulp van een assistente de brieven snel wilde bezorgen. Dat is jammer, te meer daar H.C. ten Berge vijf jaar geleden een voorbeeldig uitgegeven selectie van deze brieven bezorgde onder een iets andere titel, Van een liefde die vriendschap moest blijven. De volledigheid en wetenschappelijkheid die met deze eerste volledige uitgave worden gesuggereerd, worden ten enenmale niet waargemaakt. Enig pluspunt van deze uitgave is de opname van de bewaard gebleven brieven van Heleen Lambers. Ze komt hierin naar voren als een bijzonder empathische figuur, die voortdurend van alles voor haar jeugdliefde uitzocht of regelde, en zijn wispelturige aard voor lief nam. Haar laatste woorden aan Slauerhoff zijn exemplarisch: ‘Lieve Jan, dit is maar een babbeltje; ik zou je zoo graag willen helpen doch kan dit niet anders doen dan op papier. Ik hoop maar dat ik je nu niet verveeld heb. Laat je gauw wat hooren?’ Twee weken later stierf lieve Jan, net 38 jaar oud.