Lieve jongens

Een slangenkuil, die kunstwereld. In Amsterdam net zo goed als in Parijs. En de filmwereld? Vol onuitstaanbare types. Schilder en regisseur Paul de Lussanet (Laren, 1940) over zijn collegae. Sans rancune
De Lussanets Lieve Jongens is binnenkort in het Filmmuseum te zien.
‘JE MOET EENS een regisseurscontract lezen, dan wil je nooit van je leven nog een film maken. Je mag helemaal niets maar uiteindelijk ben je voor alles en iedereen verantwoordelijk. De regisseur is een pispaal. Hij staat in theorie boven de vedettes, maar die worden in de regel eerder gekozen dan de regisseur. Iedereen in de filmfamilie, zeg maar de vierentwintig mensen die zich op de set bevinden, bemoeit zich met de film. Te beginnen met de kapster: “Ik wil best wel meedoen, maar ik zie het scenario niet zo zitten. We kunnen er toch over praten.” Zo gaat het. En meestal op het moment supreme, als je die bemoeienissen absoluut niet kunt gebruiken.

Ik heb vooral een gruwelijke hekel aan cameramannen en directors of photography. In feite zijn zij de vedettes van de film. Ze dwingen de film koste wat kost in een bepaalde richting. Zelfs Frans Weiss moet bekennen dat hij nog nooit een vette close-up van Robbie Muller heeft gekregen, die weigert dat pertinent. Cameramannen denken dat zij de film maken. Het zijn onuitstaanbare mensen. Ze hebben allemaal dezelfde neigingen, aandachttrekkers zijn het. Ze zeggen altijd dat ze zich naar de regisseur plooien, maar doen dat nooit ofte nimmer. Dan overleg ik met eindeloos veel geduld met de acteurs en dan zeuren ze: Paul, je hebt je huiswerk niet goed gedaan, hoe heb je dit nu weer gedecoupeerd?
Acteurs zijn lastige mensen. Vooral Rutger Hauer is een vervelende dwingeland, die gaat janken als hij zijn zin niet krijgt. Hij heeft een half jaar achter me aangelopen voor een rol in Mysteries. Vervolgens probeerde hij de regie van de film over te nemen. Ga zelf eens met je billen bloot, man, dacht ik, en dan niet als acteur. Rutger was gefrustreerd omdat hij met tegenspeelster Sylvia Kristel niet het filmpaar van de eeuw is geworden. Hij heeft altijd kritiek. Lina Wertmoller is er ook in gestonken, die heeft samen met hem een scenario moeten schrijven.
Ik betreur de moedeloosheid in de Nederlandse film. Mijn generatie had het heilige vuur, we hadden geen tijd om onze sokjes te wassen. Iedereen hoopte in mijn dagen dat de film steeds beter zou worden, iedereen zette zijn schouders eronder. We stonden in de rij voor Cinetone. Je ging gewoon, wat er ook draaide, je ontmoette er gelijkgestemden. We brachten hele nachten door in cafes in de Regulierdwarsstraat, achter Tuschinksi, daar zat de hele filmwereld. Elk jaar hadden we ons Biovakantieoord-uitje naar Cannes. Dikke mik, men kende elkaar van haver tot gort.
De glamour is verdwenen. Rijk de Gooijer die zijn Gouden Kalf wegdondert, Dick Maas die snottert dat zijn volgende films maar in het Engels moeten, Seunke die pas over acht jaar weer een grote film wil maken.
Ik word gek van de entrees die films nu halen. Men is nu al tevreden met dertigduizend bezoekers. Destijds waren we pas tevreden met honderdvijftigduizend bezoekers. Niemand gaat meer naar de film. Het is een bezoeking om naar een filmtheater te gaan. Of de film is al begonnen, of je krijgt een kwartier lang alleen maar reclame, of de film wordt stopgezet voor een ijsje.’
‘DE KRITIEKEN OP mijn films waren niet mals. Pas bij het vertonen van de rough cut krijg je in de gaten wat mensen van de film vinden, kan je bange vermoedens krijgen. Dan moet je bepaalde mensen goed in de gaten houden, vooral de filmboeren, de geldschieters en de distributeurs. Als die beginnen te schuifelen of proberen weg te vluchten in het donker, zit het goed fout. Ik heb wel eens iemand teruggehaald. Slechte recensies zijn vreselijk, je krijgt een enorme optater. Verweer heeft geen zin, je kan hoogstens proberen een ander soort publiciteit te krijgen. Maar uiteindelijk ben je toch afhankelijk van de recensiecijfertjes. Voor Lieve jongens kreeg ik van die rat Frank Zaagsma een nul. Nooit meer iets van hem gehoord. Een goede recensent geeft nooit een nul, die weet hoeveel werk er in een film zit. Ik was vooral bang voor Peter van Bueren, we hebben Mysteries uitgebracht tijdens zijn vakantie.
Een ding is zeker: als je een film maakt krijg je een recensie. Je hebt zo een halve pagina in een dagblad. Bij een tentoonstelling in een galerie weet je dat niet. Schilderen doe je het hele jaar alleen en dan komt er aan het eind van het jaar iemand naar je werk kijken die bepaalt of je wel of geen tentoonstelling krijgt. En op een vernissage hoor je niet wat ze echt van je werk vinden. Schilderen heeft het voordeel dat je je dromen merendeels kunt realiseren. Bij film mag je al blij zijn als je de helft van je dromen realiseert. Alles wat mis kan gaan met film, gaat mis. Of je wordt op het laatste moment financieel afgeknepen, of de de hoofdrolspeler ziet het niet meer zitten, of de cameraman denkt al aan zijn volgende filmcontract.
Mijn laatste expositie is geopend door Jan des Bouvrie. Een bepaald kliekje in de kunstwereld doet daar minachtend over. Mensen zeggen me echter nooit recht in mijn gezicht wat ze van mij denken. Ze kijken wel uit, misschien kan ik ze ooit nog eens een handje helpen.
Kunstenaars onderling haten elkaar, het is een slangenkuil. Je helpt elkaar alleen maar in de beginperiode. Men loopt vernissages af om elkaar te ontmoeten, daar zijn ze voor. Vroeger werd er neergekeken op al die vernissages, maar voor de generatie van Rob Scholte geldt dat allang niet meer. Die zijn ermee begonnen te gaan eten bij Excelsior.
Ik schilder nog steeds in dezelfde stijl als dertig jaar geleden. Wat een armoede, zeggen criticasters dan. Maar ik probeer het citroentje van mijn talent zoveel mogelijk uit te knijpen. In Nederland heeft men de neiging zich hals over kop in een nieuwe stijl te storten. Maar je mag je daarin niet drie keer vergissen, dan ben je er geweest.
Stel je voor: een schilderij van mij hangt bij mijnheer X aan de muur en die krijgt twee keer mijnheer Y op bezoek die tegen hem zegt: Heb je nog steeds die shit-Lussanet aan de muur hangen? Je moet toch eens bij Art & Project kijken, daar hangt nog eens goed spul. Als mijnheer Z dat ook nog eens tegen mijnheer Y zegt, kan ik het wel schudden. De meeste mensen verzamelen met hun oren, niet met hun ogen. Maar ik denk niet als een marketeer na over de vraag wat het beste verkoopt. Ik schilder nu eenmaal graag vrolijk. Ik heb geen zin om die hele zielige mensen met grote klokhuizen te gaan schilderen.’
'HET FEIT dat ik uit Laren kom, heeft me enorm geholpen. Ik heb er veel baat bij gehad dat ik tijdens verjaardagen van familieleden speeches moest houden. Daarom weet ik mij goed te redden op coterietjes en vernissages. Ik zou voor de flinkigheid wel eens opnieuw geboren willen worden in Coevorden. Kijken of ik het dan red.
Mijn ouders waren er erg op tegen dat ik ging schilderen. Mijn vader was ingenieur en werkte bij Philips. In Laren ging je nadat je de school had afgemaakt in de zaak van je vader werken. Omdat mijn vader geen eigen zaak had, raadde hij mij aan economie of rechten te gaan studeren. Ik moest mijn eigen brood verdienen. Ik ben toen maar economie gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Na twee jaar dacht ik: dit is niets. Ik heb mijn propedeuse nog gehaald, maar ben in feite een gesjeesde student.
In zekere zin hadden mijn ouders gelijk, een schildersopleiding sluit niet aan op het normale maatschappelijk leven. Als schilder moet je veel opofferen. Trouwen en kinderen krijgen is uitgesloten. Veel kunstenaars om mij heen zijn wel getrouwd, daar kwamen alleen maar drama’s van. Die mensen werden dan uiteindelijk tekenleraar op een middelbare school. Of illustrator voor een reclamebureau. Dat werd mijn schrikbeeld. Als je nu van de Rietveld komt, kan je art-director worden. Maar die mensen zullen op hun vijfendertigste denken: was ik maar schilder geworden.
Ik ging naar Parijs. Ik zag in Nederland geen toekomst, ik vond de Munttoren zo laag. Ik heb nooit spijt gehad van die keuze. Parijs was een schildersstad, daar kwamen alle heetgebakerden van de wereld bij elkaar. Ik ben blij dat ik eerst daar heb gewerkt. Als ik direct uit het Gooi in de Amsterdamse kunstwereld was terechtgekomen, was ik neergesabeld. Ik behoorde tot de generatie die de oorlog niet bewust had meegemaakt. Wij waren te licht en te glamourous, zeker voor de jaren zeventig. Jan Cremer en zijn vrienden waren pleiners, ik was een hockeyjongen uit Laren. Alles wat niet uit de arbeidersklasse kwam, deugde niet. Je moest je bij alle clubjes invechten. Maar omdat ik in Parijs had gewoond, had ik een voorsprong. Ze wilden op me springen, maar ze durfden niet. Gerard Reve opende mijn eerste tentoonstelling, die vond het niet erg om een tentoonstelling van een hockey-jongen te openen.
Ik behoor tot de loners en die zijn in de regel niet rancuneus. Rancuneus ben je als je tot een bepaalde groep behoort, vooral als het met de een beter gaat dan met de ander. Wat dat betreft is de kunstwereld een mand vol krabben. De Amsterdamse kunstwereld is echter niet zo hard als die van Parijs, je kan je hier meer permitteren. Maar er zijn bepaalde codes en mores waar je je aan te houden hebt. Als je als een olifant tekeer gaat, word je afgeschoten.
Ik zie ze wel eens aan de bar van cafe Weber of de Smoeshaan zitten, te oude toneelspelers of schilders met alzheimer. Heel treurig, en vaak vooral financieel heel treurig. Zo wil ik beslist niet worden. In Frankrijk kom je dat soort mensen ook wel tegen - wat er niet aan brandhout in het beroemde cafe de Flore zit. Parijs is echter veel groter dan Amsterdam, daar kan je je nog verstoppen. Het leven in een metropool is heel anders dan het leven in een uit zijn krachten gegroeid dorp. Amsterdam is bovendien een stuk gezelliger; met een derde van het budget dat je in Parijs nodig hebt, kun je hier als een vorst leven.
Mensen die badinerend praten over de grachtengordel, missen veel. Je kan hier alles kopen, alles ligt op loopafstand. De sfeer is bijzonder gezellig en komt overeen met bepaalde buurten in Parijs, zoals het het zesde arrondissement. Er wordt wel eens gezegd dat de grachtengordel helemaal niet bestaat. Nou, ga maar eens op zaterdagmorgen op de boerenmarkt bij de Noorderkerk kijken. Advocaten die een leuke anorak aantrekken in plaats van een pak. Mensen die niet in de grachtengordel wonen, schelden er het hardst op, inclusief de Cherry Duynsen die iedere avond naar Haarlem moeten terugrijden. Iemand uit de grachtengordel draait niet snel een kengetal, Huizen is al te ver weg. Voor iedere nul kan hij in de stad tien geschikte mensen tegenkomen.
De tamtam is van groot belang, je kunt niet alles uit de krant halen. Je hoort goeie dingen. Ik ben graag op maandagochtend thuis, mensen hebben briljante ideeen gekregen in het weekeinde en bellen mij dan op: zullen we eens in restaurant de Hoefslag een boom over kleuren opzetten? Je moet toch af en toe je neus laten zien, en dat kan je beter in de grachtengordel doen dan in Coevorden. Als ik drie maanden in Frankrijk ben, worden de telefoontjes allengs minder, zelfs die van Jan des Bouvrie. Dan moet ik snel weer terug naar Nederland.’
'IK VOEL ME niet onbegrepen of ondergewaardeerd als regisseur. Mysteries is een van de schoonste en meest esthetische Nederlandse films ooit gemaakt. De dramatische spanningsboog van Mysteries deugde niet, dat was het enige. In Amerika was de film een succes, in Seattle werd ik op straat herkend.
Ik ben met filmen gestopt omdat ik mijn films niet goed genoeg vond. Ik verdiende geen nieuwe kans. Bovendien wilde ik niet langer met andermans geld spelen en zag ik mijzelf niet tot in lengte van dagen antichambreren bij het produktiefonds. Als ik wil mag ik morgen een film voor Matthijs maken, al is het dan een klein filmpje. Ik baal er nog steeds van dat ik A rebours van de Franse symbolist Huysmans nooit heb kunnen verfilmen. Ik ben er twee jaar mee bezig geweest, het had een hele esoterische film moeten worden. Ik ben eens met Blokker gaan lunchen en die lachte me een beetje uit. Wie zit daar nou op te wachten, zei hij. Wie schetst mijn verbazing toen in Eline Vere, naar een scenario van Blokker, A rebours werd gelezen.
Froukje Fokkema heeft mij onlangs gevraagd mee te werken aan twee schildersfilms die ze gaat maken, een over de familie Kroller-Muller waar ze niet uitkwam en een over Pyke Koch. Dat steekt toch weer een veer in mijn reet. Dat zo iemand uit een veel jongere generatie mij vraagt. Mijn naam werd eens in een cultuurquiz op de televisie genoemd, dat hoor ik dan van mijn moeder of de werkster. Ik was er blij mee, het geeft me toch voldoening dat ik nog op de landkaart sta.’