Lieve pap en mam,

IK BEN BOOS. Een angry young female. Of tenminste, dat zou ik graag willen.
Toen Kurt Cobain - die heel goed was in boos zijn - zakte voor zijn eindexamen, werd hij door zijn moeder uit huis gezet. Het verhaal luidt dat hij vervolgens bij vrienden logeerde en als hij weer werd weggestuurd zijn kamp opsloeg onder een brug, aan de modderige oevers van de rivier de Wishkah. Die ervaring inspireerde later tot het schrijven van het nummer Something in the Way.
Het doet me denken aan een grapje dat pap en ik hadden toen ik een jaar of negen was. Pap verklaarde dan trots dat ik geen trauma’s had aan mijn kindertijd. Vervolgens zuchtte ik diep en antwoordde: ‘Jeetje pap, nu zal ik nooit een groot kunstenaar worden!’
Ik ben ook uit huis gegaan, weg bij jullie. Maar laat ik mezelf niet voor de gek houden: dat was geen opstand. Sterker nog: van mij hoefde het niet zo. Toch, om de Kurt-factor weer wat op te krikken: met zeshonderd studenten op een campus in Amsterdam wonen, dat heeft een onweerstaanbare romantiek. Vrijheid en onoverwinnelijkheid en Albert Heijn-huiswijn. De eerste week op mezelf voelde als zomerkamp, maar dan met meer corvee. En meer drank. Het was een week vol ontdekkingen: elke dag afwassen, dat blijkt dus heel vervelend te zijn. Een kennis van me vertelde hoe hij voor het eerst de was deed. Zijn kamergenoot gooide een lading witte onderbroeken in een wasmachine, en toen nog een rode blouse erbij. 'Moet je dat wel doen?’ vroeg de eerste. 'Tuurlijk’, antwoordde de tweede, 'dat doe ik al vijf jaar zo.’ Even later kwam alles roze uit de was. 'Dat gebeurt me nou altijd’, zei de kamergenoot.
En dat is het ergste wat er kan gebeuren: dat je onderbroeken roze worden. Als er iets mis is gegaan, of als ik simpelweg behoefte heb om gevoerd en geknuffeld te worden, kom ik naar jullie en dan luisteren we samen naar David Bowie en lossen we het op. De wereld ontdekken, maar dan met vangnet en zonder rauw randje. Ik ben me keihard aan het afzetten tegen jullie, oudere generatie. Dat is toch duidelijk?
Toegegeven, bij ons ging het iets anders dan in huize Cobain. In een enorme morele chantage werd geen middel geschuwd om me weer naar het ouderlijk huis te halen, en ja, hierbij kijk ik jullie aan, pap en mam. De kat heeft kale plekken op zijn rug sinds ik uit huis ben. Herinneren jullie je ons gesprek erover? Mam, jij zei dat de plekken komen omdat de kat me mist. Pap antwoordde dat ze eerder komen omdat mam me mist, en daarom de hele dag neurotisch de kat loopt te aaien. Jullie missen me allebei, ik weet het.
En daarmee maken jullie het verdomde lastig voor me om boos op jullie te zijn. Ik mocht willen dat ik woest was. Als iedereen de hele tijd tevreden is verandert er nooit iets.
Neem nou het pensioenakkoord. Dit zou toch de ideale katalysator zijn voor mijn rebellie en afkeer van de oudere generatie. Maar er gebeurt niets. Ik voel me niet verbonden met mijn generatie; ik hoor eerder bij jullie, mijn ouders, dan bij het gros van mijn leeftijdgenoten. Ik vind mijn generatie als geheel narcistisch en egocentrisch. En toch zijn we één, mijn generatie en ik, verbonden door een simpel gegeven: we zijn niet boos.
Uitzonderingen daargelaten is de generatie die nu studeert of net de arbeidsmarkt betreedt, opgevoed door ouders die ook vrienden waren. Geen autoritaire, afstandelijke figuren, maar mensen waarmee je een goed gesprek kunt hebben. Jullie hebben ons geleerd om vertrouwen te hebben in onszelf en ons verteld dat we het wel kunnen als we ons best doen. Hoe kunnen we daar nou tegen rebelleren? En toch, we zullen wel moeten, als we willen dat er nog een paar kruimels over zijn wanneer wij ons bij de pensioenfondsen melden. Ik heb ooit gehoord dat het vroegere generatieconflict vooral werd gedreven door de angst voor ongewenste tienerzwangerschappen van de ouders; een angst die verdween na de introductie van de pil. Misschien kunnen we en masse zwanger worden om het conflict weer te doen oplaaien? Hoe dan ook: een gevoel van eenheid en een revolutionaire woede, zo atypisch voor mijn tevreden en individualistische generatie, zijn nodig als we iets willen veranderen. En we weten het. We hebben een vaag vermoeden dat het op een gegeven moment pijn gaat doen, maar we zouden niet weten hoe dat voelt; zolang de oplossing niet wordt geserveerd in hapklare brokken gaan we door met onze prettige levens en leuke feestjes. Zoals je lang geleden al zei, pap: geen grote kunstenaar zonder gepijnigd verleden. En ik begin te vrezen dat hetzelfde geldt voor revolutionairen.
Zie ik de toekomst dan somber in? Nee, eigenlijk niet. Ik studeer iets wat ik leuk vind en ben er goed in. Het liberale maakbaarheidsidee, dat ik wel kom waar ik wil wezen als ik maar genoeg mijn best doe, dat hebben jullie er goed ingeramd. Ik en mijn leeftijdgenoten zijn generatie-Pluto: zoals Pluto uit zijn planetenstatus werd ontheven, zo zullen wij moeten leren accepteren dat we niet almachtig zijn, dat we soms zijn overgeleverd aan situaties die onze krachten te boven gaan. Misschien over twintig jaar, als onze hemelhoge verwachtingen ijdel blijken, misschien kunnen we dan eindelijk fatsoenlijk woest worden. En toch geloof ik het: ik kom er wel. Wie heeft er pensioenfondsen nodig? Het zou fijner, makkelijker zijn als we ons eens lekker samen boos zouden kunnen maken. Maar, zoals het mijn generatie betaamt, denk ik dat we er alsnog wel komen. Ik ben dol op de subtiele romantiek van onderbroeken die roze uit de was komen. Pap en mam, ik ben niet boos of revolutionair en dat is jullie schuld, maar ik ben zelfverzekerd genoeg om daar dankbaar voor te zijn. Kurt Cobain schijnt het ook niet altijd even leuk gehad te hebben.

Liefs, Sacha