Interview: Paul Kennedy

«Liever de duivel die je kent»

Amerika vecht op verschillende fronten tegelijk: militair, economisch, diplomatiek en in public relations. Het imperium is overbelast. Had Paul Kennedy zeventien jaar geleden dan toch gelijk? Een interview.

WASHINGTON – «Ik beleef geen plezier aan mijn eigen gelijk.» De Britse historicus Paul Kennedy denkt er niet lang over na. Hij schuift naar het puntje van de bank, in zijn riante huis, pal naast de campus van de prestigieuze Yale- universiteit in New Haven, Connecticut, waar hij college geeft en directeur is van het befaamde Center for International Security Studies. «Ik ben er ook niet trots op.» Toch is hij weer bereid met een journalist te praten over het boek dat hem zeventien jaar geleden wereldberoemd maakte.

Dat is anders geweest. Een jaar na verschijning van The Rise and Fall of the Great Powers (1988) had hij er schoon genoeg van. Hij kreeg de ene cameraploeg na de andere over de vloer, uit alle landen. Dagelijks werd hij om zijn mening gevraagd. Een Britse journalist plaatste hem zelfs in het rijtje Burke, Marx, Keynes en Toynbee. Henk Hofland beschreef in 1990 hoe de beminnelijke Brit hem telefonisch om genade had gesmeekt. Nee, hij wilde de journalist niet te woord staan, ook niet toen die hem vertelde dat hij «om de hoek» stond en slechts even langs wilde komen om te vragen hoe het hem sinds de verschijning van het boek was vergaan. Kennedy kon niet meer. De deur bleef dicht. Soms betreurde hij het, zo bevestigt hij nu, dat hij ooit op het idee was gekomen voor zijn boek.

In The Rise and Fall of the Great Powers be schrijft hij opkomst en ondergang van grote wereldmachten als Ming China, de Republiek, Spanje & Portugal, Engeland, Habsburg et cetera. In het laatste hoofdstuk, dat alle ophef veroorzaakte, voorspelt hij niet alleen een uiterst duistere toekomst voor de Sovjet-Unie – toch vrij accuraat – maar schrijft hij ook dat het land waar hij zelf lesgaf, de Verenigde Staten, het «risico loopt» aan «imperial overstretch» ten onder te gaan. Letterlijk: «Dat wil zeggen: beleidsmakers in Washington moeten het blijvende gegeven erkennen dat het totaal van haar wereldwijde belangen en verplichtingen tegenwoordig veel groter is dan haar macht om die allemaal tegelijk te verdedigen.»

Te veel zelfvertrouwen was onterecht, schreef Kennedy, want in de strijd om de wereldmacht was economisch vermogen uiteindelijk altijd doorslaggevend geweest. Amerika zette dat op het spel door hoge begrotingstekorten, een nega tieve handelsbalans en al te kostbare defensie verplichtingen. De nieuwe rivalen, Chi na en Japan, sponnen er garen bij in hun economische opmars. «De machtspolitieke implicaties van de verdeling van welvaart», Kennedy’s centrale fascinatie, zouden er wel eens voor kunnen zorgen dat zij Rusland en Amerika zouden verdringen van het wereldtoneel.

Kennedy nu: «Ik schreef niet dat Amerika koste wat het kost ten onder ging. Ik ben mezelf altijd dankbaar geweest dat ik dat laatste, controversiële hoofdstuk voorzichtig heb op geschreven, anders dan de veel stelliger, historische hoofdstukken die eraan voorafgingen. Ik erkende dat met goed politiek leiderschap de kosten van de ‹imperiale overbelasting› waren te bestrijden. In veel opzichten ben ik geen fan van Clinton, maar dat verstandige staatsmanschap kwam er in de jaren negentig.»

Maar ondanks de slagen om de arm overkwam Kennedy in de jaren negentig wat Francis Fukuyama (The End of History) gebeurde na 11 september. In het collectieve Amerikaanse be wustzijn kreeg hij een plaats als valse profeet. De Amerikaanse economie zakte immers niet verder weg, maar trok juist weer aan. Langzaam verdween ook het jaarlijkse begrotingstekort. Militair leek Amerika’s macht onaantastbaar – zeker in cijfers – en door de communicatierevolutie en investeringen in nieuwe technieken nam het aandeel van de VS in de wereldeconomie voor het eerst in decennia zelfs weer toe. En niet zo’n beetje ook. Globalisering werd amerikanisering. En Amerikanen, toch al niet geneigd tot pes simisme, doopten de Brit van Yale «Dr Doom».

Dat had een duidelijk neveneffect: steeds minder journalisten belden aan. Vandaag de dag is Paul Kennedy gewoon weer thuis te bezoeken. Natuurlijk, Kissinger is Henry, en de historicus laat niet onvermeld dat zowel vader & zoon Bush, als Hillary & Bill Clinton aan zijn universiteit afstudeerden, maar anders dan in 1988 bepaalt hij bij presidentsverkiezingen niet meer de richting van het gesprek over Amerika’s toekomst.

In dat laatste, apodictische hoofdstuk blikte Kennedy twintig jaar vooruit. Inmiddels zijn er zeventien verstreken. Goed staatsmanschap wist aanvankelijk de doem van de imperiale overbelasting af te weren, maar in recente jaren is het opnieuw staatsmanschap dat hem alsnog gelijk lijkt te geven. Niet alleen de fiscale kwetsbaarheid is terug («een Filips de Tweede-achtige situatie»), dit keer wordt de supermacht ook beperkt in haar handelen door onder meer de morele verontwaardiging in de rest van de wereld over de buitenlandse politiek van het land. Vooral de neoconservatieven, met hun ideeën over een «new American Empire», kookten, ook in Kennedy’s ogen, een recept voor «imperial overstretch pur sang».

Paul Kennedy: «Er komen hier op de universiteit nogal wat militairen voorbij. Die voelen aan hun water dat ideologen de zaak hebben overgenomen. Hoewel ze de vaderlandsliefde met de neocons delen, houden soldaten niet van ideologen. Onlangs waren hier twee hoog geplaatste mariniers, na een jaar in Tikrit. De intensiteit waarmee die Rumsfeld haatten, vond ik heel opvallend. Wat ze het ergst vonden: de spullen van het leger vallen uit elkaar, maar de soldaten mogen het niet zeggen. Als je niet blij bent met de manier waarop Rumsfeld het leger wil inrichten, of als je meent dat het niet de goede kant op gaat, dan kun je fluiten naar promoties. Dat zet veel kwaad bloed. Het is niet vreemd dat juist Murtha, een afgevaardigde met uitstekende relaties in het leger, als eerste opriep tot het terughalen van de troepen. Ook Republikeinen worden onrustig. Dat fascineert me, want laten we eerlijk zijn, van de Democraten valt weinig te verwachten. Het spijt me dat ik het zeg, maar neem mensen als Bent Scowcroft (veiligheidsadviseur van Bush sr. en voormalig mentor van Condoleezza Rice – pvo) en Henry Kissinger. De relatie tussen hen en de neoconservatieven is ongelooflijk zuur. Ik geef colleges in ‹Grote Strategieën›, van Thucydides tot Machiavelli en Filips de Tweede. Ik nam de klas mee naar een lunch met Henry. Razend interessant, want de man ontpopt zich de laatste jaren als een soort moraalfilosoof. Hij gruwt van de kruistocht mentaliteit in Witte Huis. Ten eerste, zegt hij, ziet de wereld ons niet meer met welwillende ogen, wat onze eigen schuld is en funest voor onze macht. Ten tweede is het arrogant en verkeerd te denken dat we andere samenlevingen en het wereldbeeld van hun inwoners kunnen veranderen. Hij zegt: we gaan Chinezen niet veranderen in Californiërs. We kunnen wel een werkzame relatie met ze opbouwen waarin zowel zij als wij weten hoe ver we kunnen gaan. Maar dat is het ook. Op meer inzetten is gekkenwerk.»

Maar niet alleen neoconservatieven, ook vrijemarkteconomen hebben volgens Kennedy de Amerikanen een blinddoek om geknoopt: «Het zijn gelovigen, met alle naïviteit van dien. Ze lopen voorop in de ontkenning van het cruciale inzicht dat macht altijd relatief is. Macht geniet je ten opzichte van anderen. Als de economen van de Chicago-school hun zin krijgen, verhogen de Chinezen hun welvaartsniveau tot Kansas, zoals het gezegde luidt. Dat zou betekenen dat minstens 1,4 miljard mensen over enkele decennia dezelfde levensstandaard hebben als 275 miljoen Amerikanen. Ik kan je vertellen: het land met de 1,4 miljard welgestelde burgers is machtiger dan het land met 275 miljoen inwoners. Economen komen altijd met David Ricardo aanzetten: Engeland verkoopt textiel aan Portugal, Portugal verkoopt port aan de Fransen en die verkopen weer wijn aan Engeland: iedereen wint. Al die blasé laissez-faire-economen zijn door dat argument gehypnotiseerd. Wees toch reëel, denk ik dan: wij kopen massaal Chinees plastic in, magnetrons en dvd-spelers. China koopt met de opbrengst een groot deel van onze staatsschuld. Als je niet ziet dat dit een verschuiving betekent van de machtsbalans ben je gek. Sorry, anders kan ik het niet zeggen.

Oké, misschien wordt de taart wel groter, maar dat gold destijds, in de negentiende eeuw, ook voor Engeland. Maar daar beseften politici tenminste dat de taart niet alleen groeit, maar dat jouw eigen taartpunt tegelijk kleiner wordt, en dat is waar het om draait in internationale machtsverhoudingen. Hier voert nagenoeg niemand dat debat. Alleen zo’n provocateur als Mearsheimer wijst erop, juist omdat hij zo’n verdraaide realist is (John Mearsheimer schreef ‹The Tragedy of Great Power Politics› (2001), staat bekend als een «offensive realist», en is verbonden aan de University of Chicago – pvo). In Engeland ging het er verhit aan toe, in het House of Commons, rond 1830, 1840. Het debat ging toen niet alleen over de graanwetten en de bescherming van de landbouw, maar vooral om wetgeving die moest voorkomen dat andere landen, zoals België en Nederland, Britse stoommachine gedreven machines zouden verkrijgen, waarmee Engeland concurrentievoordeel zou verliezen. De vervaardigers van de machines en hun belangenbehartigers in het parlement wensten de vrijheid om te exporteren. De textielproducenten waren te gen. Zij zeiden: ‹Jullie zullen kortetermijnwinst boeken met de verkoop van onze technologie, maar over tien jaar verslaan ze ons met eigen wapenen. Wilt u dat?› En zo is het gegaan. Je kunt wel zeggen: ‹Wij zullen altijd voor blijven›, maar dat is een intellectuele stoplap waar niemand wat aan heeft.»

Voor Kennedy is het een belangrijk punt. Een uur later komt hij er weer op terug: «Er is iets raars aan de hand. Economen kunnen enthousiast vertellen over de groei van China, een systeem waar de onzichtbare hand van Adam Smith toch nog vaak verdomd herkenbaar is. Maar hier bij de naburige marine opleiding, in Newport, hoor ik over de uit gebreide voorbereidingen en allerlei scena rio’s waarbij de VS de Volksrepubliek China binnenvallen. Weer een dag later vertelt een trotse topman van het luchtvaartbedrijf Boeing me dat China ‹ge-woon fan-tas-tisch› is, hij verwacht er in tien jaar tijd tienduizend passagiersvliegtuigen te verkopen. Weer in dezelfde week vertellen enkele van mijn studenten me wat ze hebben gezien op een lange reis door China: de ecologische en sociale rampen die zich in dat land voltrekken. Bij de koffie lees ik vervolgens hoe de Chinese overheid zich op die rampen voorbereidt met opzwepende anti-Japanse propaganda. In godsnaam, laten we het hoofd niet in het zand van de laissez-faire-economen steken. De toekomst van China is ongelooflijk belangrijk voor ons allemaal.»

In Kennedy’s werk is de wisselwerking tussen economische, militaire en politieke macht cruciaal. De centrale these van zijn boek uit 1988 is dat militaire en politieke heerschappij op den duur niet zijn te hand haven zonder economische voorsprong. Tegelijk is tussen de een en de ander dikwijls sprake van «lag time», zoals Kennedy het noemt. Toen het Spaanse rijk militair op zijn hoogtepunt was, was de economie al op haar retour. Toen Amerika, aan de andere kant van de analyse, in de jaren dertig verreweg de grootste industriële productie ter wereld draaide, oefende het nog niet de politieke invloed uit die daar mogelijk uit voortvloeit.

Kennedy: «Ook in de opgewonden jaren negentig verloor ik mijn historische instinct niet dat me vertelde dat een natie waarin slechts vier procent van de wereldbevolking woont niet kan verwachten tot in de eeuwigheid over vijftig procent van de wereldwijde macht te beschikken.

Nee, ik sta niet alleen in het debat. Onlangs was Clinton hier op de campus. Hij zei: ‹Wij moeten werken aan een wereldorde die goed is voor Amerika, ook wanneer wij niet meer de nummer één zijn.› Ik viel van mijn stoel. Zoiets hoor je nooit, van geen enkele Amerikaanse politicus. Adembenemend!»

Bush is het niet gegeven, volgens Kennedy: «De man is politiek volstrekt autistisch. Hij zoekt geen tegenstand, wil geen buitenstaanders in zijn kring. J.F. Kennedy nam iemand als Arthur Schlesinger jr. erbij om een ander geluid te horen, om te weten hoe het ook kon, of hoe het niet moest. Een Duitse collega wees me op de overeenkomsten tussen Bush en keizer Wilhelm, ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Ook de keizer en zijn regeringskring konden geen externe informatie verwerken die niet paste in het denkraam van de interne discussie.

Neem Rumsfeld. Die zou met Wolfowitz de ‹Revolution in Military Affairs› ontketenen. Alles moest lichter, een nieuw soort oorlog voeren met louter precisiebombardementen, robots, sensors et cetera. Hij gooide er direct een aantal brigades uit. Maar robots kunnen geen straat gevechten leveren in Fallujah. Juist toen het leger de grootste afslankoperatie in decennia onderging, werd hun verteld de handen uit de mouwen te steken om zonder heldere opdracht de Eufraatdelta in te duiken. Militaire macht komt in soorten en maten. Dus als Congres en Witte Huis erop blijven staan dat Amerika het imperium wereldwijd in stand houdt, dan zullen er belangrijke beleidswijzigingen moeten komen. Je ziet het Rumsfeld niet doen.

Deze regering heeft zichzelf in de nesten gewerkt, heeft zichzelf een oorlog met de islam op de hals gehaald en bestiert de over heids financiën à la Filips de Tweede. Volgende week voert het Huis van Afgevaardigden waarschijnlijk weer een paar belastingverlagingen door. Daar voel ik me ongemakkelijk bij. Ik weet niet of dit keer de zaken met verstandig beleid ten goede gekeerd kunnen worden. Tegelijk zijn de ontwikkelingen niet onvermijdelijk. Neem de projecties van Goldman Sachs. Daarin wordt uitgegaan van hetzelfde ononderbroken hoge groeipercentage voor China tot het jaar 2050. Ik geloof niet in ‹ononderbroken›. In de negentiende eeuw was Amerika de grootste groeier, maar als je ziet hoe dat ging! Boom-bust-boom-bust… it crashed its way up. Wie gelooft er nu nog in rechte lijnen in deze verraderlijke dagen? Kom over vijf jaar nog maar eens terug, dan zullen we het zien.»

Paul Kennedy legt momenteel de laatste hand aan The Parliament of Man: The Past, Present and Future of the UN, een boek over de geschiedenis van de Verenigde Naties. Nee, zegt Kennedy, die organisatie is niet opgericht uit louter naïeve, idealistische overwegingen, zoals het in Amerika modieus is te denken. De oprichters voorzagen grote oorlogen: «De oprichters waren redelijke realisten.»

We spreken over de meest recente historische boeken van de grote greep, een genre («large history») waartoe Kennedy’s magnum opus behoort en waarvoor hij nog altijd een grote voorliefde aan de dag legt: Kagan, Kaplan, Mearsheimer, de Brit Niall Ferguson. Die laatste schreef in zijn vorig jaar verschenen Colossus: The Price of American Empire dat Amerika weliswaar een imperium heeft opgebouwd, maar niet het lef en de wil heeft om dat, zoals Engeland destijds, permanent te bemannen en te verdedigen. Tegelijk schrijft Ferguson dat als er toch één land de supermacht moet spelen, deze rol het best aan Amerika kan worden toebedeeld. Kennedy kan zich er wel in vinden. Als hij mocht kiezen, zou ook hij voor de VS kiezen. Kennedy: «Liever de duivel die je kent… Toen koning Charles de opstandelingen nog maar ternauwernood buiten de deur wist te houden, stelde hij zichzelf gerust met het beeld van zijn broer James, en hij wierp hem toe: ‹Je denkt toch niet dat ze mij gaan vermoorden om jou ervoor in de plaats te krijgen?›»

Bij de deur komt Kennedy er nog op terug: «Europeanen moeten niet denken dat de problemen van de wereld plotseling als sneeuw voor de zon verdwijnen als supermacht Amerika afhaakt. Over de onmogelijkheid van een gezamenlijk Europees beleid hoef ik het met een Nederlander niet te hebben, maar je begrijpt toch wel: het definitieve failliet van Amerika’s aanzien, macht en verantwoordelijkheden zou wel eens een enorme chaos tot gevolg kunnen hebben.»

Eenmaal in de tuin probeer ik het nog een keer, maar nee, Kennedy blijft erbij, hij verheugt zich niet in zijn klaarblijkelijke gelijk over de «imperial overstretch» van Amerika. Dan zegt hij, met een on-Amerikaanse, duivelse glimlach: «Een optimist zal ik wel nooit worden, zeker niet als ik gelijk blijf krijgen.»

T

Met dank aan Wouter Jurgens