De Griekse schuld en het Hollandse voorbeeld

Liever de koopman dan de dominee

Het IMF acht verdere kwijtschelding van de Griekse schuld onvermijdelijk. De eurolanden weigeren, Nederland voorop. Dat was ooit anders. In de zeventiende eeuw stond ons land aan de basis van een moderne, rationele aanpak.

Financiële vergevingsgezindheid is niet bepaald het eerste waarmee Nederland in Europa geassocieerd wordt. ‘Als de [Griekse] schuld onhoudbaar is, is het niet zo dat we maar deels moeten kwijtschelden of een beetje minder rente vragen’, zei voormalig minister van Financiën Jan Kees de Jager tegen Het Financieele Dagblad. In plaats daarvan moest Griekenland van De Jager nog harder snijden in eigen vlees, ook al begint de werkloosheid de 25 procent te naderen.

Van de steeds luider wordende roep om verdere schuldverlichting voor Athene wil ook De Jagers opvolger, pvda’er Jeroen Dijsselbloem, niets weten. Volgens het imf komt Griekenland er zonder gedeeltelijke kwijtschelding nooit meer bovenop. Afgelopen week, tijdens een nachtelijke persconferentie, botste een met haar ogen rollende imf-voorzitter Christine Lagarde hier openlijk over met voorzitter Jean-Claude Juncker van de eurogroep. De eurogroep houdt haar poot stijf, Nederland voorop.

Ook in eigen land worden debiteuren relatief hard aangepakt. Zo zijn huiseigenaren in Nederland persoonlijk aansprakelijk voor eventuele restschulden bij de verkoop van hun woning. In veel staten in de VS is het daarentegen gebruikelijk dat de bank alleen aanspraak maakt op de woningwaarde. Op een dalende woningmarkt moeten Amerikaanse banken daarom direct een verlies nemen, terwijl ze in Nederland hoogstens uit eigen beweging schulden kwijtschelden.

Hoewel Nederland vandaag de dag met opgeheven vingertje schuldenaren de les leest, was het in de zeventiende eeuw juist het meest vooruitstrevende land in Europa in de omgang met wanbetaling en insolventie. Aan het begin van de zestiende eeuw was er nog nauwelijks een groter schandaal denkbaar dan het bankroet. De schuld voor wanbetaling werd eenzijdig neergelegd bij de debiteur. Alleen hij moest de zware gevolgen van zijn falen dragen. In het plakkaat van 1540, uitgevaardigd door Karel V, werd insolventie als een misdaad betiteld. Voor wanbetalers was alleen de zwaarste straf genoeg. Verzuimden rechters en officieren de doodstraf op te leggen, dan werden ze zelf persoonlijk aansprakelijk gehouden voor de schulden. Zelfs ‘banquerouten’ die uiteindelijk wel hun schulden betaalden, moesten volgens het plakkaat ter dood veroordeeld worden.

In de lokale praktijk werden zulke wetten lang niet altijd uitgevoerd. In Leiden en Rotterdam konden debiteuren in bepaalde gevallen boedelafstand doen, hun bezittingen verkopen en vervolgens gevrijwaard worden van arrestatie, geseling of executie. De schuldenaar werd echter wel ‘te pronk’ gesteld voordat hij boedelafstand kon doen. In de loop van de zestiende eeuw verdwenen in de grote handelssteden de fysieke sancties. Al was het alleen maar omdat het volkomen onpraktisch was om elke ‘banquerout’ te executeren. In plaats daarvan kwamen schaamtesancties. Nog steeds bleef bankroet echter een deels strafrechtelijk karakter hebben.

Aan het eind van de zestiende eeuw vonden de autoriteiten in de Lage Landen een andere manier om met het schuldprobleem om te gaan. ‘De ontwikkeling van de handel en de daarmee verworven respectabiliteit van de koopman droegen er gaandeweg toe bij dat de insolventie uit de criminele sfeer werd gehaald’, stelt rechtshistoricus Eric Dirix vast. Het opkomende kapitalisme leefde bij het nemen van risico’s. Maar met meer risico’s kwam vanzelf ook meer falen.

Het draconische insolventieregime stond op gespannen voet met de eisen die de groeiende commercie stelde. Het belemmerde ondernemerschap en verstoorde de sociale rust. Faillissementen verliepen vaak wanordelijk, omdat de gefailleerde debiteur de stad ontvluchtte en zo veel mogelijk bezittingen meenam. In het oud-Hollands recht werden ‘banquerouten ende fugitiven’ vaak in één adem genoemd. Bovendien was er lange tijd geen garantie dat de boedel van een gefailleerde debiteur eerlijk werd verdeeld onder de crediteuren. Wie als eerste kwam en beslag legde op de boedel kreeg het meest.

In 1627 werd daarom in Amsterdam besloten een ‘Camere van Desolate Boedels’ op te richten. De Desolate Boedelkamer werd gevestigd op de eerste verdieping van het stadhuis op de Dam. Boven de ingang van de Kamer hing een reliëf met een afbeelding van de val van Icarus. Icarus was een Griekse mythologische figuur die vleugels maakte om te ontsnappen uit zijn gevangenschap. Bij zijn vlucht werd Icarus overmoedig. Hij vloog te dicht bij de zon, waardoor de was van zijn vleugels smolt en hij ter aarde stortte. Dat iconische beeld was ongetwijfeld niet willekeurig gekozen door de oprichters van de Desolate Boedelkamer. In de nieuwe wereld van de commercie zouden er mensen zijn die door onkunde, roekeloosheid of pure pech betalingsproblemen kregen. De Desolate Boedelkamer bood deze Icarussen van het kapitalisme een zachte landing.

Bij wanbetaling meldde de crediteur bij de Desolate Boedelkamer dat de debiteur ‘in sodanige ongelegenheyt van saaken was geraakt, dat hij genoodzaakt is, sijne betaalingen te suspendeeren’. Twee commissarissen werden door de Kamer benoemd om een inventaris te maken van de bezittingen en schulden van de wan­betaler. Bankrekeningen werden bevroren en panden verzegeld. Niemand kon na de interventie van de Desolate Boedelkamer spullen van de wanbetaler verkopen, contracten met hem sluiten of onderpand uitwinnen. De debiteur kreeg daarop zes weken de tijd om tot een akkoord te komen met zijn crediteuren. Als twee derde van de crediteuren instemde met het akkoord en de commissarissen geen frauduleuze handelingen constateerden, werd het geratificeerd. Alle crediteuren, ook zij die niet hadden getekend, waren dan gebonden aan de inhoud van het akkoord.

Hendrick van der Burgh was een van de vele Amsterdammers die in 1697 bij de Desolate Boedelkamer meldde dat hij zijn ‘deugdelyck aghterweezen’ (resterende schuld) niet kon betalen. Hij had schulden van 8869 guldens uitstaan bij maar liefst 58 crediteuren. In juni 1697 kwam Van der Burgh tot een akkoord met de meerderheid van zijn crediteuren. Hendrick moest ‘voldoen ende betalen acht per cento over elex deugdelyck aghterweezen’. Nadat de acht procent was voldaan zouden de crediteuren het resterende bedrag kwijtschelden en stond het Van der Burgh weer vrij om te ‘handelen en negotieeren’ als voorheen. Mocht Van der Burgh in de toekomst echter weer ‘komen te prospereren’, dan moest hij alsnog ieder van zijn crediteuren ‘soveel voldoen en betaalen als ’t hem eenigzintz moogelyck sal zyn’.

Hendrick van der Burgh was niet de enige Amsterdammer die tot een akkoord met zijn crediteuren kwam. Het archief van de Desolate Boedel­kamer bevat duizenden crediteuren­akkoorden. ‘Veel crediteuren gingen liever een nadelig akkoord aan, in plaats van de boedel insolvent te doen verklaren’, aldus rechtshistoricus Goswin Moll in zijn boek over de Desolate Boedelkamer. Omdat zonder akkoord crediteuren een kostbare faillissementsprocedure moesten doorlopen was het afsluiten van een coulant akkoord vaak voordeliger. Want ook toen al waren er vele klachten over de kosten van curatoren.

Als er geen akkoord werd gesloten, dan was de laatste uitweg de cessio bonorum, in de volksmond ‘de Ces’. Het kwam erop neer dat de debiteur al zijn spullen, met uitzondering van een zeker bestaansminimum, moest verkopen. De debiteur kon vervolgens niet meer in gijzeling worden genomen of gearresteerd worden. Curatoren verkochten alle bezittingen en met de opbrengst betaalden zij crediteuren naar rato uit. Zolang de debiteur gedurende de Ces te goeder trouw handelde, werd zijn restschuld vaak kwijtgescholden. Soms was er ook een beloning als de debiteur zich inspande om een maximale opbrengst voor zijn crediteuren te genereren. Kregen crediteuren twintig procent van hun schulden terugbetaald, dan mocht ook de debiteur drie procent van de opbrengst van de verkoop opstrijken. Bij een hogere opbrengst waren de beloningen nog groter.

In de Republiek gold het principe dat schulden die niet betaald konden worden ook niet betaald zouden worden. In plaats van louter straf kwam er een ordelijke procedure. Doel was een redelijke compensatie van de crediteuren en de mogelijkheid van rehabilitatie voor debiteuren. De ‘schone lei’ werd, kortom, geïnstitutionaliseerd. Straffen werden beperkt tot gevallen waarin de debiteur tijdens de faillissements­procedure niet ‘te goeder trouw’ had gehandeld.

Natuurlijk bleven er moralisten die deze onzedelijke gang van zaken in Nederland ­veroordeelden. De Nederlandse dominee Daniel Sauterius schreef een boek met een lange opsomming van de misdaden van ‘banquerouten’. Het boek werd al snel vertaald in het Engels, Duits en Frans, landen waar de ­moralistische boodschap van Sauterius een vruchtbare bodem vond. ‘Als de banqueroeten, die ­vaderen van de fraude, de getrouwheid volkomen ­ondermijnen en ­wegnemen, wie twijfelt dan dat de ­Gemenebest spoedig geruïneerd zal worden?’ waarschuwde Sauterius zijn Britse lezers.

In de rest van Europa zouden er namelijk nog eeuwen overheen gaan voordat men even ver was als in Nederland. Zo was het aan het begin van de zeventiende eeuw in Engeland gebruikelijk om debiteuren gevangen te nemen. In 1623 besloot koning James er zelfs een schepje bovenop te doen. Gefailleerden die niet konden aantonen dat het bankroet volledig buiten hun schuld lag, werd een oor afgesneden. Pas in de wet van 1705 konden zij verlost worden van hun schulden door hun bezittingen te verkopen. Deze wet gold echter alleen voor handelaren, niet voor andere burgers. Bovendien konden schuldenaren die niet te goeder trouw waren in de nieuwe wet de doodstraf krijgen.

Zo kon het geschieden dat Rembrandt van Rijn, Nederlands grootste schilder, in 1656 failliet ging, zijn bezittingen verkocht, en ­uiteindelijk, hoewel zijn reputatie was beschadigd, zijn werk voort kon zetten. Terwijl de beroemde Britse schrijver Charles Dickens in 1824 als twaalfjarige aan het werk moest om zijn ­familie uit de schuldenaarsgevangenis te krijgen. Pas in 1868 zou gevangenisstraf voor schulden in Groot-Brittannië definitief worden afgeschaft.

De domineesbenadering, waarin wanbetaling een zonde is, werd in de Republiek losgelaten voor een koopmansbenadering. Wanbetaling geldt daarin als een niet heel uitzonderlijk economisch risico. Dat moet door zowel de debiteur als de crediteur worden gedragen.

Die rationelere zienswijze is extra interessant in de huidige crisis. Deze is immers ontstaan door exorbitante hypotheken, overgefinancierde fusies en overnames, kredieten aan bouwers van dubieus allooi en overvloedige leningen aan overheden. Kan dat geld nog wel allemaal worden terugbetaald? En onder welke voorwaarden? Of is het in sommige gevallen voor alle partijen beter om tot een schikking te komen en met een schone lei verder te gaan?

Dat het beschermen van schuldeisers altijd in het algemeen belang zou zijn, is allerminst zeker. Hoewel de anarchie van een samenleving waarin schulden te pas en te onpas onbetaald kunnen blijven onwenselijk is, moet er enige flexibiliteit zijn in de omgang met schulden. Anders is de economie als geheel het voornaamste slachtoffer. Bovendien: landen als Griekenland krakend tot stilstand laten komen onder het gewicht van onrealistische claims, daar is niets moreels aan.