PARTICIPATIE- VERSUS KENNISECONOMIE

Liever dom dan lui

Nederlanders moeten als het aan de politiek ligt langer, meer, goedkoper en flexibeler gaan werken. De opkomst van de bulkarbeider die daar het resultaat van is, botst met een ander heilig huisje: de kenniseconomie.

HET HEEFT IETS weg van een reclamefolder van een goedkope supermarkt, de terugkerende pleidooien voor verdere hervorming van de arbeidsmarkt. Gaat nu nog langer mee! Meer! Tegen gunstige inruilvoorwaarden! En niet te vergeten: een scherpe prijs! De zomerklapper kwam van CDA-minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hij wil mensen verplichten door te werken tot hun zeventigste. Daarmee overtroefde hij de Commissie-Bakker, die in haar rapport halverwege juni voorstelde de pensioengerechtigde leeftijd geleidelijk op te hogen tot 67 jaar.
Als het aan de CDA-ministers ligt, gaan we niet alleen langer werken, maar ook meer. In de aanloop naar het Voorjaarsoverleg opperde Maria van der Hoeve van Economische Zaken het idee van een veertigurige werkweek, afkomstig uit het christen-democratische verkiezingsprogramma. Met het stijgen van de inflatie klinkt ook het vertrouwde pleidooi voor loonmatiging steeds luider, om de prijs van Nederlandse arbeid te drukken. En natuurlijk moeten werkgevers door een versoepeling van het ontslagrecht makkelijker af kunnen van werknemers die zij niet langer nodig hebben.
Het toverwoord bij alle proefballonnen en maatregelen is participatie. Dat is niet iets van de laatste jaren. Toename van de arbeidsparticipatie wordt al twee decennia lang gezien als hét medicijn voor alle kwalen, van de concurrentie uit lagelonenlanden en de vergrijzing tot maatschappelijke uitsluiting. En dus moet iedereen aan de slag. Het huidige kabinet wil tweehonderdduizend mensen die langs de zijlijn staan activeren, onder meer door reïntegratietrajecten en participatiebanen. Wie al werk heeft, moet méér en langer participeren. Met name vrouwen gaan als het aan de regering ligt meer uren werken. Ouderen moeten langer doorgaan.
Bij dat grenzeloze vertrouwen in arbeidsparticipatie als panacee zet Paul de Beer, bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, in het laatste nummer van Socialisme & Democratie vraagtekens. Meer, langer en goedkoper produceren hoeft niet altijd slimmer te zijn. Sterker nog: het gaat ten koste van de arbeidsproductiviteit, schrijft De Beer in het blad van het wetenschappelijk bureau van de PVDA: ‘Deels is dat een direct gevolg van het inschakelen van minder productieve arbeidskrachten (laagopgeleiden, langdurig werklozen), die het gemiddelde productiviteitsniveau drukken. Het Nederlandse beleid lijkt echter ook innovatie af te remmen, doordat de lang volgehouden loonmatiging werkgevers onvoldoende prikkelt om te investeren in arbeidsbesparende technologieën.’
Inderdaad lijken de hervormingen van de arbeidsmarkt te botsen met een ander stokpaardje van het kabinet. Nederland wil een kenniseconomie zijn – ‘innovatie’ is het meest recente modewoord. Die term komt maar liefst 37 keer voor in het regeerakkoord. Een door premier Balkenende aangevoerd Innovatieplatform functioneert sinds 2003 als aanjager. Allemaal tevergeefs. Nederland is deze eeuw gedaald op een Europese ranglijst van innovatieve landen – waar het toch al niet tot de top behoorde. De ten opzichte van andere OESO-landen ondergemiddelde uitgaven aan research & development daalden in Nederland tussen 1990 en 2005 verder van twee procent van het bbp naar 1,7 procent, aldus het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Nederlandse bedrijven en uitvinders vroegen in 2007 ook acht procent minder internationale octrooien aan dan in het jaar ervoor. Het aantal aangevraagde patenten is in Nederland weliswaar traditioneel groot en blijft dat ook, maar is afkomstig van een steeds kleiner groepje aanvragers.
Paul de Beer noemt Denemarken als voorbeeld van hoe het ook kan. De Deense economische groei was tussen 1990 en 2006 bijna even groot als in Nederland. Maar zij was het resultaat van een aanzienlijk kleinere groei in werkgelegenheid en een veel sterkere productiviteitsstijging. De Beers conclusie: ‘De suggestie dat het onvermijdelijk is de arbeidsparticipatie te verhogen voor het behoud van onze welvaart en sociale zekerheid en om de armoede te bestrijden, is dus niet juist. Er vallen wel degelijk andere keuzen en afwegingen te maken.’

In plaats van de gedroomde kenniseconomie, belichaamd door de Noord-Europese landen, koerst Nederland met zijn hervormingen van de arbeidsmarkt af op een economie ‘Angelsaksische stijl’. Met een internetbubbel achter de rug en een kredietcrisis die blijft opspelen, is dat geen wenkend perspectief meer. Ondanks de 28 miljoen banen die de dienstensector in de Verenigde Staten alleen al tussen 1979 en 1996 creëerde, zitten er haken en ogen aan het Amerikaanse mirakel. Het gaat gemiddeld om slecht betaalde banen waarvan het reële inkomen de afgelopen decennia alleen maar gedaald is. De arbeidsproductiviteit is laag en groeit amper. Waarom zouden werkgevers daar ook in investeren, als dankzij de illegale Latino’s onbeperkt goedkope arbeid beschikbaar is? Het gevolg is dat een werkelijk duurzaam economisch herstel in de VS is uitgebleven. Terwijl in Amerika de groei zat in laagbetaalde baantjes en in de financiële sector, blijven de innovatie en de groei van de arbeidsproductiviteit achter en verliest zelfs de kennisintensieve industrie snel terrein op de Aziatische concurrentie.
Zo ver is het in Nederland nog niet. Maar ook hier worden de contouren zichtbaar van een uitdijende, slecht betaalde (diensten)sector. De schoonmaak, supermarkten, horeca, callcenters en nu ook de post draaien op goedkope scholieren (met dank aan het lage minimumjeugdloon), bijklussende studenten, allochtonen, huisvrouwen en Oost-Europese arbeiders. Zelfs het uit Amerika bekende ‘banen stapelen’ is niet langer een zeldzaam fenomeen. Volgens het CBS had vorig jaar één op de twintig Nederlanders tussen de 15 en 65 jaar twee of meer banen.
De bulkarbeider is in opmars. Dat blijft zo zolang de politiek de oplossing voor alle mogelijke problemen zoekt in nog meer en goedkoper in plaats van slimmer werken. Liever dom dan lui, lijkt het motto. Dat kan averechts uitpakken. Zo wezen deskundigen er in reactie op Van der Hoevens pleidooi voor een langere werkweek op dat de werkdruk in Nederland de afgelopen jaren sowieso is gestegen. Een verdere toename leidt tot een aanzienlijk lagere productiviteit van werknemers per uur.
Het kan ook anders. Innovatie en daarmee verhoging van de arbeidsproductiviteit worden zelden genoemd als oplossing voor de vergrijzing, de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat en de internationale concurrentiepositie. Dat is opmerkelijk, stelden de Delftse economen Alfred Kleinknecht en Ronald Dekker eerder dit jaar in Economisch statistische berichten, waarbij ze wezen op de opvallend arbeidsintensieve Nederlandse economische groei van de laatste decennia: ‘Een land dat zoveel extra arbeidsinzet nodig heeft om te kunnen groeien is wel heel slecht voorbereid op de aankomende vergrijzing en de daarmee verbonden arbeidsschaarste.’ Ze spreken van een ‘verspillende manier’ waarop Nederlandse bedrijven met arbeid omgaan en een ‘stevig taboe’ op het loslaten van loonmatiging om de prijs van arbeid te laten stijgen en arbeidsbesparende innovatie te stimuleren.
Nederland is desondanks nog altijd kampioen deeltijdwerken. Mede hierdoor is de arbeidsproductiviteit van oudsher hoog. Dat stimuleren is niet alleen wenselijk in emancipatorisch opzicht. Het is ook economisch verantwoord. Zelfs de in de vergetelheid geraakte pleidooien voor arbeidstijdverkorting kunnen aan nieuwe kracht winnen. Bij alle discussies over vergrijzing en schaarste op de arbeidsmarkt, zou je immers bijna vergeten dat we los van de huidige economische verhoudingen leven in een situatie van overvloed. Machines kunnen mensen een groot deel van het vervelende werk uit handen nemen. Het is een mooi motto in tijden van globalisering: wie niet goedkoop is, moet slim zijn.
Natuurlijk moet arbeidsproductiviteit niet het enige criterium zijn. Werk dient ook andere doelen: zelfrespect, integratie van onderop, mensen uit hun isolement helpen. Het is de vraag of slecht betaalde bulkarbeid daar een bijdrage aan levert. Zo onthulden deze zomer diverse regionale kranten praktijken waarbij reïntegratiebedrijven ‘gratis arbeidskrachten’ aanbieden – soms zelfs met een premie erbij voor de werkgever. Bijstandsgerechtigden kunnen via participatiebanen twee jaar bij dezelfde werkgever te werk worden gesteld in ruil voor een bijstandsuitkering, ongeveer de helft van het wettelijk minimumloon. Het is beter om met de aan zulke experimenten bestede miljarden euro’s waardevolle banen te creëren in de zorg, het onderwijs en de publieke ruimte en die daarmee te versterken.
Het participatiebeleid zit op een dood spoor. Het is in zijn huidige vorm allereerst sociaal onwenselijk. Wie heeft er echt zin om meer, langer en goedkoper te werken? Het is bovendien niet de enige oplossing voor de vergrijzing. Voor de concurrentie uit lagelonenlanden is het zelfs een slecht medicijn: welke Nederlander is bereid de concurrentie met Azië serieus aan te gaan en voor één euro per dag te werken?
Er is nog een praktisch probleem. Het bedrijfsleven heeft in werkelijkheid geen interesse in het grootste deel van de huidige werkloze en oudere werknemers. Het ene na het andere onderzoek signaleert gebrekkige resultaten bij reïntegratiebureaus. En wie de 55 is gepasseerd, solliciteert doorgaans tevergeefs. Van alle werknemers tussen de 60 en 64 jaar werkt er maar één op de drie.
Is het naïviteit van de politiek dat zij deze praktische bezwaren niet erkent? Of is het bewust, en speelt er bij het vasthouden aan participatie als wondermiddel nog een andere, niet-economische motivatie? Het in stand houden van grote groepen werkzoekenden drukt de lonen van laagopgeleiden. Het geeft de overheid bovendien de mogelijkheid extra controle uit te oefenen over ‘probleemgroepen’. Niet voor niets stelde de Commissie-Bakker voor mensen die een half jaar een uitkering ontvangen en alle bijstandsgerechtigden een ‘participatieplicht’ op te leggen. ‘Iedereen kan op die manier worden ingeschakeld in werk- of sociale activering.’
En misschien is het wel gewoon een restant protestantse ethiek: gij zult zwoegen. Hoe het ook zij, met ploeteren zal het Gele Gevaar niet gestopt worden. Beter is het de kenniseconomie behalve in woorden ook in daden te steunen. En verder maar de klassenstrijd van de Chinese bulkarbeider een warm hart toedragen, opdat die snel duurder wordt.