Liever dood dan verminkt

Vasili Grossman
Een schrijver in oorlog: Vasili Grossman bij het Rode Leger 1941-1945
Onder redactie van A. Beevor en L. Vinogradova, vertaald door H. Moerdijk
Balans, 458 blz., € 25,-

Het is de plicht van de schrijver de afschuwelijke waarheid te verkondigen en het is de burgerplicht van de lezer daarvan kennis te nemen. Aldus Vasili Grossman, schrijver en correspondent bij het Rode Leger.

Op 22 juni 1941 begon Operatie Barbarossa, de inval van de Duitse troepen in de Sovjet-Unie. Na zijn Blitzkrieg-overwinningen in het westen hoopte Adolf Hitler het Rode Leger binnen enkele maanden te kunnen verslaan om zo greep te krijgen op het grootste land van de wereld met zijn enorme hoeveelheid grondstoffen. De oorlog aan het oostfront was ongemeen hard en gruwelijk. Miljoenen soldaten en burgers verloren het leven, talloze steden en dorpen werden compleet vernield. Het was een strijd op leven en dood tussen twee totalitaire systemen met aan het hoofd dictators, Hitler en Stalin, die qua fanatisme en gewetenloosheid niet voor elkaar onderdeden. In beide legers waren oorlogscorrespondenten actief die verslag deden van de ontwikkelingen aan het front. Hun verslagen dienden als propagandamiddel om de eigen bevolking te overtuigen van de legitimiteit van de oorlog en om het moreel van de soldaten en burgers op te krikken. Een van de correspondenten aan sovjetzijde was Vasili Grossman. Hij trad in 1941 in dienst van het Rode Leger als schrijver voor Krasnaja Zvezda (De Rode Ster), het officiële blad van het leger, dat tijdens de oorlog veel werd gelezen. Onlangs verscheen Een schrijver in oorlog, waarin Anthony Beevor tal van dagboekaantekeningen van Grossman verzamelde.

Vasili Grossman werd geboren in Oekraïne en was van joodse afkomst. Dit gegeven is niet onbelangrijk, want de Oekraïners en in het bijzonder de joden werden onder Stalin wreed behandeld. Vooral zijn campagne tegen de koelakken en zijn gedwongen collectivisatie van de landbouw maakten miljoenen slachtoffers. Beevor schrijft dat het een wonder is dat een ‘waarheidlievende en politiek naïeve schrijver’ als Grossman niet ten prooi viel aan de zuiveringen die tijdens de Grote Terreur in de jaren dertig talloze mensen troffen. Integendeel, Grossman werd in 1937 lid van de Schrijversbond, wat hem tal van voordelen opleverde, en hij betoonde zich een oprechte patriot. Toen de nazi’s Rusland binnenvielen meldde hij zich onmiddellijk als vrijwilliger aan bij het Rode Leger. Hij werd naar het front gestuurd (als oorlogscorrespondent) waar hij een buitengewone moed aan de dag legde. Zo zou hij van alle journalisten het langst in het omsingelde Stalingrad blijven en hij deelde het leed van veel frontsoldaten. Hij schreef trouwens niet zozeer over het Rode Leger als geheel, maar over individuele mensen, hun moed, hun leed en hun hoop. Zijn waarheidsgetrouwe teksten zorgden ervoor dat hij bijzonder geliefd werd bij de gewone soldaten, iets wat de oorlogsleiding ook besefte en gebruikte in het ondersteunen van het moreel van de troepen.

Grossman beschreef hoe slecht de eigen troepen in 1941 voorbereid en bewapend waren. Sommige soldaten liepen in vodden, blootsvoets en zelfs zonder een eigen wapen. De bevelen waren verwarrend of kwamen helemaal niet. De situatie werd al snel hopeloos en de Duitsers drongen in oktober van dat jaar diep door tot voor Leningrad, Moskou en Rostov aan de Don, de poort tot de Kaukasus met zijn belangrijke olievelden, die Hitler absoluut wilde veroveren. De Blitzkrieg stokte evenwel door problemen met de bevoorrading, maar vooral door het weer, het modderseizoen en daarna de winter.

Grossman registreerde intussen de gebeurtenissen aan het front. De eerste maanden klonk veel wanhoop in zijn teksten, maar toen de Duitse opmars vastliep en de eerste tegenaanval werd ingezet bespeurde hij een nieuwe, bijna euforische stemming in de sovjetgelederen. Dat hernieuwde zelfvertrouwen kwam net op tijd, want in de zomer van 1942 gingen de Duitsers opnieuw in de aanval richting de Kaukasus. Hitler negeerde de adviezen van zijn generaals en wilde koste wat het kost de stad veroveren die de naam droeg van zijn tegenstander: Stalingrad. In de tussenperiode schreef Grossman zijn roman Het onsterfelijke volk, waarin hij verhaalde over de rampzalige gebeurtenissen van het jaar daarvoor. Net als in zijn dagboekteksten beschreef hij hierin de moed en veerkracht van de Russische soldaten. Op militair vlak liep het echter verkeerd. De Duitsers rukten weer op en naderden al snel de Wolga en Stalingrad. Op 28 juli gaf Stalin het beruchte bevel dat geen enkele soldaat nog één meter achteruit mocht. Wie dat toch deed of zichzelf in de hand schoot om te ontsnappen aan het front werd geëxecuteerd door de geheime politie, die een tweede linie vormde. ‘Iedereen weet dat diegenen die rechtsomkeert maken en wegrennen ter plekke worden gefusilleerd. Dit idee joeg meer angst aan dan de Duitsers’, noteert Grossman.

Zijn aantekeningen geven een goed beeld van de gruwelijke strijd die beslissend zou zijn voor het verdere verloop van de oorlog. De door de Duitsers omsingelde en platgebombardeerde stad was alleen nog bereikbaar via boten over de Wolga, die voortdurend werden bestookt door de Luftwaffe. Grossman sloot zich aan bij het 62ste leger van generaal Vasili Tsjoeikov, die in de quasi-volledig bezette stad bleef en een ware stadsguerrilla voerde tegen de nazi’s. Toch bleven de Duitsers oprukken en op 2 oktober waren de Russen teruggedrongen tot de rivier. Stalin liet echter nieuwe troepen aanvoeren, waaronder manschappen uit Siberië die op hun beurt de Duitse legers omsingelden. Op 26 november klapte de val dicht en enkele dagen later bevroor de Wolga waardoor nieuwe troepen en materieel de stad in konden worden gestuurd. Uiteindelijk moest het Duitse Zesde Leger zich moe gevochten en tot woede van Hitler overgeven.

Vanaf dat moment keerde het tij definitief, maar uit de teksten van Grossman blijkt hoe hardnekkig en gruwelijk de strijd voor de herovering van ‘het moederland’ verliep. Hij was aanwezig bij de tankslag bij Koersk en zag hoe een luitenant die een aanval had afgeslagen en daarbij gewond raakte aan zijn been en een hand verloor, zichzelf doodschoot omdat hij niet als invalide door het leven wilde gaan. Sovjetsoldaten waren immers liever dood dan verminkt.

Bij de herovering van Oekraïne en later Polen was Grossman een belangrijke getuige van de misdaden van de nazi’s. Eind september 1941 hadden leden van een SS_-Sonderkommando_ 33.771 joden uit Kiev bijeengedreven langs het ravijn van Babi Jar en ze met machinegeweren vermoord. ‘Er zijn geen Joden in de Oekraïne. (…) Een heel volk is op beestachtige wijze vermoord’, schreef Grossman, maar hij merkte al snel dat de sovjetautoriteiten niet zaten te wachten op dergelijke berichtgeving over wat later de holocaust zou gaan heten. Even schokkend voor hem was het feit dat de Oekraïners zelf een belangrijk aandeel hadden in deze gruweldaden. Ook die teksten werden gecensureerd. Maar de correspondent bleef nauwgezet zijn werk doen en noteerde alles wat hij zag.

Op 24 juli 1944 werd het vernietigingskamp Majdanek bij Lublin, met nog slechts enkele honderden overlevenden, door de Russen bevrijd. Iets noordelijker bereikte Grossman in het kielzog van het Eerste Wit-Russische Front het vernietigingskamp Treblinka, waar van juli 1942 tot oktober 1943 meer dan zevenhonderdduizend mensen, hoofdzakelijk joden, werden vergast. Grossman ondervroeg een aantal overlevenden en plaatselijke Poolse boeren en kwam zo tot een indrukwekkend verslag, dat gebruikt werd tijdens het Neurenberg Tribunaal. De fragmenten in dit boek zijn de meest aangrijpende, zozeer dat de auteur zichzelf de vraag stelt waarom hij over zoiets gruwelijks schrijft. Hierop antwoordt hij: ‘Het is de plicht van de schrijver deze afschuwelijke waarheid te verkondigen, en het is de burgerplicht van de lezer daarvan kennis te nemen. Eenieder die zich afwendt, de ogen sluit en doorloopt, schoffeert de nagedachtenis aan de doden.’ Enkele weken later keerde Grossman terug naar Moskou, waar hij in elkaar stortte.

Pas in januari 1945 verscheen hij weer aan het front voor de ‘bevrijding’ van Warschau. Grossman was een van de eerste journalisten die de totaal vernielde stad binnentrokken. Hij ging naar het getto van Warschau en later naar dat van Lodz, waar hij bordjes zag met Duitse teksten als: ‘Alleen voor Duitsers’ en: ‘Jij bent niets, jouw volk is alles’. Op 2 mei 1945, de dag van de capitulatie van Berlijn, zwierf Grossman door de straten van de kapotgeschoten stad. Hoe fanatiek de Duitsers tot het bittere einde vochten blijkt uit zijn waarneming van door tanks verpletterde lijken: ‘Bijna allemaal houden ze krampachtig een granaat of een automatisch pistool vast. Ze zijn vechtend aan hun eind gekomen.’ En ook hier registreerde hij de plunderingen en verkrachtingen door zijn eigen leger.

Grossman keerde terug naar Moskou, waar hij opnieuw een zenuwinzinking kreeg. De volgende jaren werd hij zelf geconfronteerd met de terreur en het groeiende antisemitisme in de Sovjet-Unie. Gelukkig voor hem stierf Stalin in 1953, anders zou hij zijn verbannen naar de Goelag.

Een schrijver in oorlog geeft een verpletterend beeld van de waanzin van de oorlog. De realistische beschrijvingen van menselijk leed en moed aan het front doen denken aan die van Erich Remarque en Edlef Köppen over de Eerste Wereldoorlog. Tegelijk geeft Grossman een goed inzicht in de verbetenheid en haat waarmee de Russische manschappen de vijand te lijf gingen, en het fanatisme van Stalin, Hitler en hun generaals. De botsing tussen de twee totalitaire systemen werd uiteindelijk gewonnen door het Rode Leger. Voor heel wat mensen in het voormalige Oost-Europa betekende de overwinning van de communisten evenwel geen echte bevrijding. Integendeel, ze vormde het begin van een nieuwe, onmenselijke dictatuur. Grossman zag dit snel in, hij schreef erover, maar zijn teksten zouden pas na de val van de Muur beschikbaar worden voor diegenen die hij als schrijver in eerste instantie wilde bereiken.