Valkenswaard probeert tsunami-slachtoffers te helpen

Liever een brommer

Het Brabantse Valkenswaard zamelt geld in voor de tsunamislachtoffers van het Thaise eiland Koh Jum. De gevers willen een lange-termijnproject financieren, maar vinden de Thai en hun burgemeesters op hun weg.

KOH JUM / VALKENSWAARD – Op een uur varen van het zwaar getroffen eiland Koh Phi Phi, waar veel tsunamidoden zijn gevallen en nog steeds een groot aantal mensen wordt vermist, ligt het eiland Koh Jum. Koh Phi Phi heeft de grootste klap van het verwoestende water opgevangen voor het dichter bij de kust gelegen Koh Jum. Op Koh Jum is niemand gewond geraakt. Ook de materiële schade valt er mee. Toch heerst drie maanden na de tsunami grote onrust op het kleine eiland in de Andamanzee. Het gerucht heeft zich verspreid dat in het Westen een enorme som geld is opgehaald voor Koh Jum. Maar waar is dat geld?

In korte tijd is via de actie SOS Koh Jum, die direct na de vloedgolf is opgezet, 21.000 euro ingezameld. Toeristen uit Duitsland, Amerika, België en Nederland, die op het paradijselijke eiland de vakantie van hun leven hadden – «nog nooit zulke mooie zonsondergangen gezien en nog nooit zo lekker Thais gegeten», aldus het gastenboek van vakantiepark Woodlandlodge – doneren ruimhartig bij de gedachte dat al dat moois is vernield. «Ons motto is: er blijft niets aan de strijkstok hangen», vermeldt fitnessclub La Toja uit Valkenswaard, die bevlogen op de actie is ingesprongen.

De hulpactie zorgt voor eendracht en verbroedering in het Brabantse dorp. Giften van sportverenigingen, het politiekorps en de opbrengst van een liedjesavond in de plaatselijke kroeg gaan in de actiepot. De donateurs willen Koh Jum helpen met een degelijk lange-termijnproject waar ze zelf ook een beetje trots op kunnen zijn. Hierbij stuiten ze echter op verzet van de getroffen eiland bewoners, die het hulpgeld liever contant vangen, bijvoorbeeld om een brommer te kopen waarmee ze kunnen flaneren op de enige verharde weg die het eiland rijk is. Dit in navolging van wat enkele eilandbewoners eerder al deden. De schadevergoeding van de Thaise overheid (tweeduizend bath, vierhonderd euro, per persoon; een maandsalaris), die eigenlijk was bedoeld om in de eerste levensbehoeften te voorzien en kapotte vissersboten op te knappen, gebruikten zij voor de aanschaf van gloednieuwe scooters.

Maar het geven van contant geld brengt jaloezie en tweespalt teweeg. Vlak na de vloedgolf heeft een overbezorgde Duitse toerist op Koh Jum lukraak geld staan uit delen aan een ieder die hij tegenkwam. De gelukkigen streken in één keer een flink bedrag op, terwijl de vissers die met de moed der wanhoop hun dagelijkse werk weer hadden opgepakt en op zee waren, dit grote flappentappen misten. Waarom dan nog werken als je in een paar uurtjes aan goed willende toeristen meer kunt verdienen?

Ook geven vakantiegangers graag hun goeie geld voor een tsunamiverhaal-uit-de-eerste-hand. Op het toeristeneiland Koh Lanta, een paar kilometer verderop, verplaatsen steeds meer dorpelingen hun kusthuizen naar de hoofdweg, niet omdat ze bang zijn voor de zee, maar omdat op de hoofdweg de meeste toeristen rondhangen. Zij betuigen er hun medeleven met grof geld.

De Valkenswaardse gemeenschap is er alles aan gelegen dat de donaties ver antwoord worden ingezet. Zij heeft daarom een belangenbehartiger op het eiland aan gewezen. De Engelsman Ray Iveson, die al vier jaar op Koh Jum woont en eigenaar is van vakantiepark Woodlandlodge, lijkt de juiste kandidaat. Te meer omdat hij twee jaar geleden het initiatief nam om een waterpomp- en waterzuiveringssysteem op het eiland aan te leggen.

De eilandbewoners zijn hem daar nog steeds dankbaar voor. Toch botst hij deze keer op een muur van wantrouwen bij de Koh Jummers. Vlak na de tsunami wilde hij alvast een deel van het hulpgeld reserveren voor het repareren van de defecte motoren van de vissers boten. Bij gebrek aan voldoende vakmanschap op het eiland nodigde hij mecaniciens uit van het vasteland. De reparateurs kwamen, maar de eilanders bleven weg. Nog dezelfde dag werd hij door burgemeester Nop van het zuidelijke dorp Jum op het matje geroepen. Ray Iveson: «Ik mocht me er duidelijk niet mee bemoeien. Het was de taak van de burgemeester zelf om een helpende hand toe te steken. Daarom had hij de eilanders hoogstpersoonlijk opgeroepen om weg te blijven. Ik had zijn gezag aangetast, hij was bang gezichtsverlies te lijden. Een week later liet hij zelf andere reparateurs komen.»

Het voorval zit Iveson hoog en hij ziet het als een voorteken van een slechte afloop. De Engelsman, die amper een woord Thai spreekt, wordt nog altijd bekeken als farang, vreemdeling. Zo betaalt hij voor alles wat hij op het eiland aanschaft dubbele prijzen. Tot nu toe kon hij het hoofd boven water houden door even beminnelijk en minstens zo vasthoudend te zijn als de Thai. Maar de aanzwellende ge ruchten over de grote sommen hulpgeld die op de rekening van Woodlandlodge staan of misschien wel ergens op het eiland verborgen worden gehouden, zetten kwaad bloed. Zijn Thaise vrouw is al bedreigd.

De druk op de eigenaar van Woodland lodge neemt toe en daarmee de angst. Iveson: «Ik voel me bedreigd, maar ik kan niets doen. Twee jaar geleden werd hier iemand vermoord en de daders zijn nooit gepakt door de autoriteiten, omdat de eilandbewoners elkaar nooit zullen verlinken. Ze lossen het probleem liever zelf op.»

De Engelsman smeekt daarom de Valkenswaardse gemeenschap de geldsom voorlopig vast te houden op een Nederlandse bank rekening. Totdat hij een oplossing heeft gevonden. Hij wil zo snel mogelijk van het hulpgeld af door andere eilanders mede verantwoordelijk te maken voor een gezamenlijk project. Hoewel eerdere pogingen mislukten (niemand kwam opdagen), roept hij toch weer een vergadering bijeen met de burgemeesters en notabelen van het eiland. Dit keer heeft een ontmoeting meer kans van slagen omdat de Engelssprekende en westers georiënteerde kolonel Lomwong uit Bangkok zich als bemiddelaar opwerpt. Deze kolonel is aangewezen als tijdelijke gezagvoerder op het eiland en daarom een autoriteit waar niemand omheen kan.

Het is inmiddels half maart. Iedereen is aanwezig op de vergadering. Het gesprek verloopt, zoals verwacht, moeizaam. Alle projectvoorstellen die Iveson doet, zoals het inrichten van een werkplaats voor het vervaardigen van polyester boten, het opzetten van vuilnisophaaldiensten of het aanschaffen van generatoren voor elektriciteit (op het eiland is geen stroom van het vas teland) worden door de burgemeesters onmid dellijk terzijde geschoven.

«Hoe kunnen wij deze voorstellen accepteren?» reageert een van hen. «Niemand weet hier hoe je een polyester boot moet maken en niemand zal zo’n dure boot kunnen betalen. Wij zijn gewend aan onze houten boten. En het regelen van vuilnisophaaldiensten en elektriciteit, daar zijn we zelf al mee bezig.» Met even weinig geestdrift worden de suggesties van de burgemeesters, zoals het opzetten van een batikfabriekje en de aanschaf van nieuw meu bilair voor het dorpshuis, door Iveson genoteerd.

«De vrouwen op het eiland hebben te weinig kennis om een goedlopend batik bedrijf op te zetten», meent hij. «Bovendien worden dan maar 25 vrouwen aan het werk geholpen. Ik doe liever iets waar het hele eiland wat aan heeft.»

Ondanks de aanwezigheid van de bemiddelaar komt er geen oplossing. De partijen gaan koel en gereserveerd uit elkaar. Wel belooft een van de burgemeesters om tijdens de eerste dorpsvergadering nieuwe voorstellen te ontwikkelen en die mee te nemen naar de volgende ontmoeting met Iveson. Maar tegen die tijd is Lomwong al weer verdwenen, hij is bevorderd tot generaal en voor deze nieuwe functie afgereisd naar Bangkok. Opnieuw laten de dorpshoofden bij de vergadering verstek gaan.

Ondertussen wordt Ray Iveson overladen met e-mails van donateurs uit het Westen. Zij vragen zich af wat er met hun geld gebeurt. Twee keer per week neemt hij de boot naar het vasteland, waar hij in een internetcafé uren besteedt aan het beantwoorden van de mailtjes in een poging de geldschieters gerust te stellen. Maar hun zorgen over de uiteindelijke bestemming van het hulpgeld nemen toe. Ook zij zetten hem onder druk.

Om dan toch maar iets te kunnen laten zien, neemt de Engelsman op eigen houtje een besluit. Hij laat de zandweg naar de traditionele begraafplaats voor zeezigeuners verharden. Een louter symbolische daad. De zeezigeuners zijn de oudste bewoners van het eiland. Zij ge loven dat hun voorouders op de begraafplaats, die pal aan de kust ligt, de golf naar zich toe hebben getrokken om de rest van het eiland te ontzien. Hiermee is tweehonderd euro van het hulpgeld uitgegeven. Nog 20.800 te gaan.