Manifest voor een eerlijke stad

Liever geen Liverpool

Om mee te komen in de vaart der volkeren beconcurreren steden elkaar met wolkenkrabbers, financiële centra en dure hotels. Maar van dit succes profiteert alleen een kleine toplaag. Hoe hervormen we het potentieel van de stad?

Medium faircity

In een steeds meer verstedelijkende wereld zegt iedereen een eerlijker stad te willen. Als dat de ambitie is, is het de vraag wat dit streven in de weg staat en wat we moeten veranderen om die eerlijkheid te bewerkstelligen. Een deel van ons antwoord luidt dat de ‘competitieve stad’ het dominante politieke paradigma van het urbane is geworden: de mondiale obsessie van ons tijdperk is om overal met iedereen te concurreren om alles. Sinds de verschijning van zijn bestseller The Rise of the Creative Class (2002) is het Richard Florida die met de ‘eer’ voor dit model is gaan strijken. Hij heeft vele stadspluggers van een rechtvaardigend verhaal voorzien om sceptische raadsleden en burgers te overtuigen. ‘City branding’, wolkenkrabbers, iconische architectuur, dure hotels, goed uitgeruste musea, grote financiële centra, gratis wifi en losliggende fietspaden zijn de middelen geworden die tot toekomstig succes moeten leiden. Al onze steden hebben dus een post-industriële inhaalslag gemaakt, zodat ze nu allemaal op elkaar lijken.

Maar concurrentie is per definitie geen oplossing voor iedereen. Steden die de boot hebben gemist omdat ze de post-industriële omslag niet hebben gemaakt – of beter, niet konden maken – zijn hard genoeg gestraft. In een platte wereld waarin arbeid, kennis en kapitaal zich door de ruimte kunnen bewegen naar waar ze het hoogste rendement boeken, moeten steden mobiele productiefactoren aantrekken. Als ze dat niet doen, eindigen ze met een verwoeste economische basis en een overconcentratie van armen en kwetsbaren die de stad failliet kunnen laten gaan, getuige het lot van Pittsburgh, Detroit of Liverpool. Wat moeten we met ze doen?

Belangrijker nog is dat het succes ongrijpbaar is geweest, sociaal gezien een kleine toplaag ten goede is gekomen en nooit is doorgesijpeld naar de meerderheid van de burgers, die niet hebben geprofiteerd van het succes van hun stad – dat wel wordt gevierd, maar niet wordt onderzocht. De concurrentie om mobiel kapitaal heeft elke aspirant-Global City in een belastingparadijs veranderd, waarbij de reële en nominale belastingtarieven zijn gedaald en de mondiale rijkdom en inkomensongelijkheid zijn toegenomen.

De lasten voor de huishoudens zijn verder gestegen door de manier waarop grote bedrijven profiteren van – maar nauwelijks bijdragen aan – het behoud en de vernieuwing van de materiële en immateriële infrastructuur van onze steden. Tegelijkertijd heeft de concurrentie tussen nationale financiële centra de toegeeflijkheid en de soepelheid van de toezichthouders vóór de crisis aanzienlijk vergroot. De voordelen daarvan waren opnieuw voorbehouden aan een kleine toplaag, terwijl de kosten door de hele bevolking moesten worden gedragen.

De vraag luidt dus: hoe hervormen we het potentieel van de stad? Waar kunnen we een alternatief model vinden voor iets anders dan competitief succes? We laten ons hierbij leiden door de burgemeester van Londen, Boris Johnson, die in zijn lezing uit 2013 over de relevantie van Margaret Thatcher beweerde dat ‘de economie van de vrije markt het enige alternatief is. Groot-Brittannië concurreert in een steeds ongeduldiger en mondialer wordende economie, waarin de concurrentie steeds heftiger wordt.’ Deze bewering verwart het competitieve deel van de stedelijke economie abusievelijk met het veel grotere geheel dat veel sociale sectoren kent. Ze leidt tot stadsbeleid dat zich richt op de sectoren van de toekomst die naar verondersteld wordt een sleutelrol zullen vervullen in de internationale concurrentiestrijd rond verhandelbare goederen en diensten. Het gevolg is de veronachtzaming van – en het wanbeheer over – wat we ‘de fundamentele economie’ noemen, en de sfeer van de sociale productie van veel andere alledaagse goederen en diensten die belangrijk zijn voor het welzijn van iedere burger.

Het idee van heterogene economie verwijst naar de historicus Fernand Braudel, die in zijn Civilization and Capitalism betoogde dat er tussen de vijftiende en achttiende eeuw ‘niet één maar diverse economieën’ waren, met één economische zone boven en één beneden die van de markt en de concurrentie. De verhandelbare competitieve sfeer omvat alle sleutelsectoren die zichzelf associëren met een heden van hoge inkomens en een glanzende toekomst. Hier treffen we de grootschalige financiële markten aan, het prestigieuze deel van de zakelijke dienstverlening op het gebied van het recht, de boekhouding en de consultancy, alles wat digitaal is of zogenaamd ‘kennis-gebaseerd’ – van media tot reclame –, en die delen van de industrie die in verband worden gebracht met hightech. Het doel van het competitieve mondiale stadsbeleid is het aantrekken van steeds meer van dit soort flitsende activiteiten, aansluitend op een internationale luchthaven met hub-functie.

Wij proberen daarentegen een andere sfeer van de economie te duiden, een die zich richt op de productie van alledaagse, fundamentele goederen en diensten met drie onderling gerelateerde kenmerken: ze zijn nodig voor het dagelijks leven; ze worden door alle burgers afgenomen, ongeacht hun inkomen; en ze worden onder de bevolking gedistribueerd via netwerken en vertakkingen ervan. Onder zulke activiteiten vallen: de geprivatiseerde pijpleiding- en kabelnutsbedrijven, met de transportsector; een paar van oudsher particuliere activiteiten als retail-bankieren, de voedseldetailhandel en -verwerking; en sommige van oudsher door de staat geleverde diensten als gezondheidszorg, onderwijs en sociale voorzieningen, die nu steeds meer worden uitbesteed. In alle steden van de wereld werkt dertig tot veertig procent van de beroepsbevolking in deze sectoren.

De rest van ons betoog is eenvoudig. Als we eerlijker steden willen, moeten we ons richten op de fundamentele economie en deze activiteiten reorganiseren om ze steviger te maken. Hier zijn twee nieuwe richtingen en een paar aanbevelingen voor het stadsbeleid:

  1. Investeer zonder opsmuk in de verbetering van fundamentele diensten op specifieke en lokaal relevante manieren. In plaats van aanzienlijke investeringen in ostentatieve architectuur hebben we investeringen nodig in – en geleidelijke innovaties van – wat we normaal gesproken als vanzelfsprekend beschouwen: de infrastructuur voor duurzaam transport, de behandeling en distributie van drinkwater, ondergrondse afwateringssystemen, de recycling van afval, telecom- en breedbandsystemen die overal voor iedereen toegankelijk zijn, bescheiden maar energie-efficiënte gezinshuizen in onopmerkelijke wijken met openbare ruimtes en diensten.

Zo’n verschuiving in de richting van specifieke doelen zal niet makkelijk zijn, want ze vergt het stellen van prioriteiten en het denken in termen van ketens over lokale verbindingen en gevolgen. Maar zo’n verschuiving is wél aantrekkelijk, omdat ze voorbijgaat aan de absurditeiten van het rangschikspelletje. Als we ons in een stad bezighouden met de fundamentele economie is de maatstaf voor succes niet primair een externe maatstaf die het betekenisloos vergelijken van de ene stad met de andere impliceert. De maatstaf voor succes wordt dan vooral een interne en tijdgerelateerde zaak: in hoeverre biedt die stad de materiële omstandigheden voor een beschaafd leven?

De voorwaarde voor massale welvaart in de verankerde stad is een opnieuw uitgevonden belastingbasis

Neem bijvoorbeeld vijf sleuteldomeinen van de fundamentele zekerheid (huisvesting, nutsvoorzieningen, voedsel, gezondheidszorg/sociale zorg en onderwijs) en vraag je af: in welke mate zijn adequate en redelijk geprijsde sleuteldiensten in elk van deze domeinen beschikbaar voor gewone burgers, en in het bijzonder: tot welke laag van de inkomensschaal strekken deze voorzieningen zich uit?

  1. Bevorder sociale innovatie die in fundamentele sociale behoeften voorziet. Technische innovatie was het impliciete doel van de twintigste-eeuwse industriesteden, waarvan de voorsteden geënt waren op het bestaan van de auto en elektriciteitsdistributiesystemen; productiviteitswinst en bbp-groei waren de maatstaven van nationale prestaties, gebaseerd op de veronderstelling dat de economische voordelen breed verspreid zouden zijn. Maar bbp-groei heeft geen zin als de voordelen exclusief toevloeien naar de bovenste vijf procent van de bevolking, wat leidt tot het ontstaan van stedelijke ecologieën van residentiële inkomenssegregatie.

Daarom geloven wij dat de nadruk moet komen te liggen op sociale innovatie die een beschaafde, solidaire stad oplevert, waar alle besluiten gericht zijn op eerlijke uitkomsten. Een stad die zich erop toelegt de toegang tot fundamentele goederen en diensten breder beschikbaar te maken voor zijn burgers zonder de privileges van het burgerschap voor te behouden aan een kleine groep, zoals in de Golfstaten.

De competitieve stad wordt geassocieerd met de neoliberale afbraakstrategie van het verlagen van de belastingtarieven in de hoop grote bedrijven te kunnen aantrekken en vasthouden. In plaats daarvan zou de discussie moeten gaan over de verantwoordelijkheid van bedrijven die particulier voordeel ontlenen aan het bestedingsbeleid van de stad. Die bedrijven moeten op hun beurt een eerlijk deel van de sociale lasten dragen. Waardevolle bedrijven zijn die bedrijven die op een bepaalde plek zijn geworteld en hun sociale verplichtingen aanvaarden.

Het gaat er dus om hoe je sociale verplichtingen en fiscale innovatie met elkaar kunt verbinden. Dan valt er niet aan te ontkomen dat de stevig verankerde stad een of ander soort grondbelasting nodig heeft. Urbanisme leidt tot prijsstijgingen van grond en vastgoed: voor de individuele grondbezitter, vastgoedverhuurder en huiseigenaar vormen die prijsstijgingen een onverdiende aanvulling op het inkomen, die voortvloeit uit sociale ontwikkeling en de investeringen van anderen, met name publieke lichamen die voor de infrastructuur zorgen. Omdat de stad voor de onverdiende prijsstijgingen verantwoordelijk is, ligt voor de hand dat de gemeente zich via de belastingheffing een deel van de waarde van de prijsstijgingen toe-eigent.

De voorwaarde voor massale welvaart in de stevig verankerde stad is een opnieuw uitgevonden belastingbasis die op intelligente wijze wordt besteed aan goederen en diensten waarvan het overgrote deel van de bevolking rechtstreeks profiteert. Dit houdt in dat de particuliere sector niet langer moet worden gezien als de exclusieve bron van ondernemingszin en dynamiek; de publieke en de derde sector moeten als een op zichzelf staande bron van initiatief, experiment en legitimiteit worden gewaardeerd. De stevig verankerde stad moet een plek zijn waar onder publiek bestuur ruimte is voor uiteenlopende experimenten en leerprocessen.

Wij denken dat deze experimenten door de publieke sector moeten worden geleid, omdat alleen het bestuur van de stad en de stadsregio over de belastingbasis, de plaatselijke kennis en de democratische legitimiteit beschikken om leiding te kunnen geven aan grootschalige veranderingen. Tegen deze achtergrond is een nieuw sociaal contract nodig, dat voorziet in een sociaal proces van licenties dat bedrijven ertoe dwingt hun verantwoordelijkheden te nemen, al naar gelang de plaatselijke omstandigheden. Het kwetsbare van dit alles is niet de samenhang en integriteit van onze visie op de stevig verankerde stad; het is de vraag of het mogelijk is een coalitie te smeden van stadsbestuur en burgermaatschappij om zaken voor elkaar te krijgen.

We leven in een tijdperk van post-democratie, waardoor wereldwijd veel van de druk op stadsbesturen is weggevallen om radicaal te handelen. Vandaar dat het luie nastreven van competitief succes nog wel even zal blijven aanhouden, zij het niet zonder door een nieuw ideaal te worden uitgedaagd.


Ewald Engelen is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, Sukhdev Johal aan de Queen Mary University in Londen, Angelo Salento aan de Universiteit van Salento en Karel Williams aan de Manchester Business School.

Het hele manifest is te lezen op theguardian.com/cities/2014/sep/24/.

Vertaling: Menno Grootveld


Beeld: Medicijnfabriek. Tijdens de Medicijnfabriek wordt een plek gecreëerd waar mensen op zoek gaan naar hun medicijn en dit zelf maken. Deelnemers worden uitgenodigd een nieuwe verbinding met de helende en eetbare natuur in de stad aan te gaan en te herkennen wat wel en niet goed voor hen is (Ilse Koudijs).