Op weg naar een groene economie

Liever gelukkig dan rijk

Proberen de economie zo snel mogelijk weer ‘ouderwets’ aan de praat te krijgen, is de kortste weg naar een volgende crisis. Ondernemer, werknemer en consument mogen zich niet langer verschuilen achter de hoogste winst en de laagste prijs als enig richtsnoer van handelen.

DE ECONOMISCHE vooruitzichten zijn grimmig. Na de krimp in 2009 zal de economie de komende jaren slechts mondjesmaat groeien. De gebruikelijke jaarlijkse opslag en bonus zijn ineens onzeker. Hoe rampzalig is dat? Wat betekent een lager inkomen voor ons welzijn? In deze bange economische dagen zijn weer pleidooien hoorbaar als in de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Sussende woorden, als zou je van geld helemaal niet zo gelukkig worden.
Meer geluk met minder geld. Is het meer dan een onrealistisch zoethoudertje in tijden van crises? Hoe gelukkig kun je zijn met - laten we eens extreem doen - een kwart van het inkomen van de gemiddelde Nederlandse werknemer? Heel gelukkig, zo blijkt. Zo hoog is namelijk het gemiddelde inkomen in Costa Rica, het land dat de Happy Planet Index aanvoert. Het is niet alleen het gelukkigste land ter wereld; het milieu wordt er ook nog eens veel minder belast dan door de gemiddelde Nederlander.
De Happy Planet Index laat zien dat niet Europa en de Verenigde Staten, maar Latijns-Amerikaanse landen het best de zorg voor de aarde weten te combineren met een gezonde en gelukkige bevolking. Biedt dit wellicht perspectief aan een wereld die niet bij machte lijkt de ‘Grote Problemen’ aan te pakken, of het nu de Millennium Ontwikkelingsdoelen zijn, het casinokapitalisme of de klimaatverandering? Costa Rica laat zien dat een alternatief mogelijk is. Een alternatief dat geen stilstand of achteruitgang betekent, maar juist een verbetering van onze leefsituatie. Het succes van Costa Rica vang je niet met de economische groeirekeningen en koopkrachtplaatjes die bij ons de maat van succes zijn. Om te weten hoe we ervoor staan, moeten we niet de euro’s tellen, maar de gezondheid en vitaliteit van de mensen, de kwaliteit van vriendschappen, de biodiversiteitsrijkdom en de gezondheid van de bossen.
Kiezen voor dit 'wel zijn’ in plaats van 'veel hebben’ betekent dat we afscheid moeten nemen van een succesformule. Het hedendaags kapitalisme, met zijn nadruk op individualisering en marktwerking, op het najagen van een zo hoog mogelijk inkomen voor jezelf, heeft ons veel goeds gebracht. In de laatste 250 jaar is onze welvaart sterker gegroeid dan in de tienduizend jaar daarvoor. We leven in een luxe en vrijheid die tot voor kort enkel voor vorsten bereikbaar was.
Maar deze vooruitgang heeft een prijs. Een ander historisch record is dat de natuur in de laatste vijftig jaar meer van ons te lijden heeft gehad dan in de hele menselijke geschiedenis daarvoor. Als gevolg van het veranderende klimaat sterven naar schatting nu al jaarlijks driehonderdduizend mensen. Overstromingen, bosbranden, stormen, hittegolven en hongersnoden bedreigen honderden miljoenen meer, veelal de allerarmsten. Als het klimaat omslaat, zullen toekomstige generaties zich met plaatsvervangende schaamte afvragen hoe wij dit konden laten gebeuren.

EN WAT HEBBEN we ermee gewonnen? Onze welvaart is explosief gestegen, we zijn twee- tot driemaal zo rijk als de Nederlanders in de jaren zeventig. Maar in september 2008 bleek hoe vluchtig deze rijkdom is. Na de val van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers verloor de Amerikaanse beurs de helft van zijn waarde. Deze welvaart is ook nog eens buitengewoon ongelijk over de wereldbevolking verdeeld. Ondanks alle groei moeten nu meer mensen het zien te rooien met minder dan een dollar per dag en zonder drinkwater dan in de jaren zeventig. In de Verenigde Staten is het inkomen van lager opgeleiden afgenomen sinds 1970.
De stormachtige internationale ontwikkelingen laten ook ons niet onberoerd. Eind jaren negentig, op het hoogtepunt van de internethype, toen de groeiverwachtingen tot in de hemel reikten, noteerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) een sprong in het wantrouwen in de Nederlandse samenleving, in het aantal mensen dat van mening is dat er te veel buitenlanders zijn en dat vindt dat de zeden achteruitgaan. Deze opmars van pessimisme in tijden van overvloed duurt nog altijd voort. Voor het eerst verwacht een groot deel van de bevolking dat de generaties na ons het minder zullen krijgen.
De vraag is: minder van wat? Vergrijzing, harde milieugrenzen en het afbetalen van schulden zullen de komende jaren zeker een rem zetten op de economische groei. Meer zelfs dan de meesten nu lijken te beseffen. Maar betekenen magere economische jaren ook dat we magere levens zullen leiden? De les van de afgelopen decennia van onstuimige economische groei is juist dat we hier niet of nauwelijks gelukkiger van zijn geworden.
Onlangs concludeerden de vooraanstaande economen Jean Paul Fitoussi, Joseph Stiglitz en Amartya Sen, die zich bogen over de vraag hoe de menselijke vooruitgang te meten, dat de tijd rijp is om minder aandacht te besteden aan economische groei en veel meer aan welzijn en duurzaamheid. Een oproep die over de hele wereld weerklank vindt. Het is niet de eerste keer dat het belang van economische groei als maat van menselijke vooruitgang ter discussie wordt gesteld. Ook eind jaren zestig was dat het geval. Tijdens de naoorlogse economische bloeiperiode verschenen in alle huishoudens stofzuigers en televisies. Daarmee verdween de dwingende noodzaak van economische groei. In 1968 stelde presidentskandidaat Robert F. Kennedy dat economische groeirekeningen alles meten 'behalve dat wat het leven waardevol maakt’. Het hangt een positieve waardering aan reclame voor sigaretten en extra sloten op de deur, maar is blind voor de gezondheid van kinderen en de kracht van huwelijken.
Sindsdien is de wereld echter almaar meer ingericht op het stimuleren van de economie. Van Nixon en Thatcher tot Clinton en Blair - het hele politieke spectrum verenigde zich in het streven naar vrije internationale markten op vrijwel elk terrein van de samenleving. Of het nu ging om de consument op de zorgmarkt of sparend voor zijn pensioen, de rationele burger zou uit het concurrerende aanbod de beste keuze wel maken. In het kapitalistische Amerika riep Gorden Gekko 'greed is good’, in het communistische China hield Deng Xiaoping zijn partijgenoten 'to get rich is glorious’ voor. Eigentijdse wijsheden ontleend aan de door Adam Smith in 1776 beschreven 'onzichtbare hand’ die alles goed maakt voor iedereen als we maar goed voor onszelf zorgen.
Het nieuwe geloof was in de rationaliteit van het individu, in efficiënte markten. Zoals de internationale financiële markten, waar toezichthouders de bankiers enkel in de weg zouden lopen. Uit puur eigenbelang zouden bankiers, en hun aandeelhouders, wel op de centen passen. Degene met de hoogste winst had in die wereld per definitie gelijk. We weten hoe dat is geëindigd. De financiële crisis liet de meest fervente vrijemarktdenkers naar eigen zeggen in 'shocked disbelief’ achter. Zelfs de internationale financiële markten kunnen falen. Sterker: juist de competitieve, ondoorzichtige en onzekere financiële wereld blijkt uitermate gevoelig te zijn voor irrationaliteit.

NET ALS begin jaren zeventig lijkt ook nu economische groei het gouden kalf te blijven. Werd kort na het uitbreken van de financiële crisis nog geroepen om een 'nieuw kapitalisme’ en werd het Wall Street-kapitalisme ten grave gedragen, inmiddels zijn de meeste beleidsmakers en bestuurders van de schrik bekomen. De banken maken weer winst en de rechtse partijen staan op politieke winst. In plaats van de wissel om te zetten, is iedereen druk de trein zo snel mogelijk weer op de rails te krijgen en flink door te stomen. Zie hoe de Nederlandse pensioenbesturen zich rijk blijven rekenen met hoge rendementen en rentestanden. Zo dreigen we ons enkel dieper de put in te graven. Hoge rendementsverwachtingen vertalen zich in onmogelijke eisen aan bedrijven en beleggers en voeden zo de volgende financiële bubbel. We kunnen de onvermijdelijke aanpassing vooruitschuiven, maar niet ontlopen.
Er zijn echter zeker verschillen tussen de huidige situatie en die in de jaren zeventig. Verschillen die zowel de hoop als de vrees voeden. Om met de hoop te beginnen. De maatschappelijke wil om te veranderen lijkt groter, nu we nog eens veertig jaar welvaartsgroei verder zijn. Langjarige studies laten zien dat de naoorlogse generaties veel meer waarde hechten aan zaken als zelfontplooiing dan aan materiële zaken. Nederland loopt wat dit betreft binnen Europa nog eens voorop. De grootste zorg van de Nederlanders is dan ook niet de hoogte van het inkomen, maar de verruwende omgangsvormen. We leven er ook naar: de gemiddelde Nederlandse werknemer werkt ondanks het bijna even hoge uurloon vrijwillig fors minder uren dan de Amerikaanse werknemer.
Wat ook moet helpen, is dat er nu meer wetenschappelijk materiaal beschikbaar is. Zowel over de - ondanks de gestaag groeiende economie - geringe verbetering in ons welzijn als over de schadelijke gevolgen van die groei voor het milieu. Maar ons voortschrijdend inzicht in wat de mens beweegt, voedt ook de zorg. We zien dat de benodigde omslag tegen onze natuur ingaat. 'Why isn’t the brain green?’ luidde de kop boven een artikel over de laatste inzichten uit de gedragswetenschappen in The New York Times. Het had net zo goed kunnen zijn 'Why isn’t the brain into financial stabilisation?’ Zowel de aanpak van de financiële sector als die van de klimaatverandering lijdt onder de moeite die de mens heeft met de lange termijn: het vergelijken van opbrengsten in de verre toekomst (altijd een stabiel klimaat en een stabiele financiële sector) met de behoefte aan directe behoeftebevrediging (nu die vliegvakantie, nu die lening). Een dilemma dat begin jaren zeventig in beeld is gebracht door de Amerikaanse psycholoog Walter Mischel. Kinderen van vier jaar oud kregen de keuze tussen direct één marshmallow, of even wachten en beloond worden met twee marshmallows. Op YouTube zijn kinderen te zien die zenuwachtig op hun stoel schuiven, de gekste bekken trekken, om zich vervolgens op die ene marshmallow te storten.
Helaas heeft de meerderheid van de kiezers en consumenten, ja, zelfs van de politici en bestuurders, meer weg van de kinderen uit dit experiment dan van de koele rationele afwegers van baten en kosten die de economische modellen veronderstellen. De mens maakt (achteraf gezien) veel ongelukkige keuzes, bijvoorbeeld doordat we afgaan op ons gevoel, op ons instinct dat is gevormd in tijden die drastisch verschillen van de wereld van vandaag. Omdat de holbewoner in ons, gewend aan honger en schaarste, niet kan stoppen met eten, sterven er inmiddels meer mensen aan obesitas dan aan honger.
Simpelweg iedereen zijn eigenbelang laten nastreven, levert niet de best mogelijke wereld op. Mensen maken ongelukkige keuzes en zullen dat blijven doen. Het is bovendien heel goed mogelijk om jezelf te verrijken zonder dat anderen hier ook profijt van hebben. Dergelijke lessen van de crisis dringen echter maar langzaam door in de praktijk. Velen weigeren afscheid te nemen van de comfortabele 'wetenschap’ dat de samenleving het meest gediend is bij het rücksichtslos nastreven van ieders eigenbelang. Dat geldt zeker voor de bankiers en bestuurders wier bonussen en reputatie ervan afhangen.
Want zoals de Amerikaanse schrijver Upton Sinclair stelde: 'It is difficult to get a man to understand something, when his salary depends upon his not understanding it!’ Het paradoxale is dat waar na de ontkerkelijking niets het verlichtingsideaal van een rationeel geordende samenleving nog in de weg leek te staan het erop lijkt dat we het ene geloof simpelweg hebben ingeruild voor het andere. Het geloof in God voor de even ondoorgrondelijke, onzichtbare hand, als het enige benodigde gedeelde morele kader.
Pas als we erkennen dat meer economische groei ons niet gelukkiger maakt, dat het groeistreven aan zijn eigen succes ten onder is gegaan, zullen we nieuwe, meer relevante, doelen stellen. De uitdaging is niet de materiële welvaart verder op te voeren, maar op duurzame wijze invulling te geven aan ons leven. Daarvoor moeten we onze rollen als consument, ondernemer en werknemer anders invullen. Klassieke economen zoals Adam Smith en John Stuart Mill lieten hun liberale principes vergezeld gaan van pleidooien voor voorzichtigheid, rechtvaardigheid, vrijgevigheid en het 'goede’ leven. Klassieke pleidooien die, door de nieuwste inzichten uit de gedragswetenschappen van een stevig fundament voorzien, het verdienen herontdekt te worden.

WAT BETEKENT dat voor de samenleving en de economie? Daar valt weinig met zekerheid over te zeggen. Zo halen zowel linkse als rechtse denkers de nieuwe wetenschap van het geluk aan ter bevestiging van het eigen gelijk. De Britse econoom en Labour-prominent Richard Layard bepleit progressievere belastingen als stok in de raderen van de 'hedonistische tredmolen’; de vruchteloze 'ratrace’ naar status en geld waarbij al ons harde werk uiteindelijk voor niets is, omdat we onszelf vooral vergelijken met - eveneens hardwerkende en succesvolle - anderen. Arthur Brooks van de conservatieve denktank American Enterprise Institute komt weliswaar ook tot de conclusie dat de economische groei hogelijk wordt overschat, maar is juist fel tegen herverdeling van inkomen en alles wat naar overheidsingrijpen riekt. Hij bepleit de kleinste overheid voor het grootste geluk.
Juist omdat we er steeds meer over leren, maar er zeker geen wetenschappelijk onderbouwd recept voor geluk en welzijn is, is het wenselijk daarover nu vooral het gesprek en het politieke debat te voeren. Bijdragen als die van Layard en Brooks vormen daartoe mooie aanleidingen. Net als de 'lijst van vijf’ (zie kader) die de New Economics Foundation (NEF) heeft opgesteld, een naar eigen zeggen wetenschappelijk verantwoorde en praktische actielijst waarmee we allemaal ons voordeel kunnen doen. Wellicht geen verrassing: 'Become rich’ staat er niet op.
Dit gesprek over het 'goede’ leven mag niet eindigen bij de fabriekspoort of verstommen in de kantoortuin. Juist op de werkplek moeten de morele dilemma’s op tafel komen. Ondernemer, werknemer en consument mogen zich niet langer verschuilen achter de hoogste winst en de laagste prijs als enig richtsnoer van handelen. Zowel op het werk als privé moeten we onszelf en elkaar in alle eerlijkheid afvragen of we het juiste doen.
Het vooropstellen van menselijke waarden hoeft overigens niet ten koste te gaan van de winst. In zijn uitgebreide studie naar excellerende ondernemingen vond de journalist Jim Collins al dat deze stormachtig gegroeide bedrijven gekenmerkt werden door leiders die mensen en waarden belangrijker vonden dan winst. Dit wordt bevestigd in een recente literatuurstudie met als conclusie: 'Good ethics is good business.’ Als we ons meer gaan richten op elkaar en op de gevolgen voor de planeet hoeft dat dus zeker geen stilstand te betekenen. We hebben ook juist behoefte aan dynamiek en vernieuwing. Kijk alleen al naar de groei van de wereldbevolking de komende jaren. We moeten snel manieren vinden om met aanzienlijk minder energie- en materiaalgebruik in de behoeften van de wereldbevolking te voorzien. Dat vraagt om ingrijpende innovaties.
Maar dynamiek is niet alleen een noodzaak. Het is ook wat mensen nodig hebben, nieuwsgierig en ondernemend als ze door de bank genomen zijn. In een welvarende economie als de onze is werk naast een bron van inkomsten ook een manier om deel te nemen aan het sociale verkeer, om nieuwe dingen uit te proberen en grenzen te verleggen. Economie als een spel waarin mensen zich kunnen ontplooien.
We hebben geen timide economie nodig, maar een economie die haar volle energie richt op zinvolle grensverlegging. Zo'n groene en sociale economie kan best groeien, de mensen in staat stellen steeds meer voor elkaar te betekenen, meer waarde te creëren. Deze waarde zal echter steeds meer zitten in de beleving en zingeving van een product of een dienst. Inmiddels bestaat meer dan zeventig procent van onze economie uit diensten: van de bekende conducteurs en plantsoenmedewerkers tot de ontwerpers van websites, de juffen in de crèche, de masseur, de mental coach en alle nu nog onvoorstelbare vormen van dienstverlening. Tot de in Hollywood al onmisbare personal shopping assistant aan toe. Ook de industrie is niet meer de rokende en materiaal verslindende fabriek van voorheen. Bedrijven concurreren juist op het almaar kleiner maken van producten. Neem de nieuwste iPod, zo groot als een knoop, maar met ruimte voor dertig langspeelplaten. IBM verdient elk jaar meer dan een miljard dollar met enkel de verkoop van kennis. In de belevings- of zingevingseconomie concurreren bedrijven door te voorzien in de behoefte aan verhalen, door de waarden die ze uitdragen of door de gemeenschap om het bedrijf heen. Dat gaat van het biologische streekkaasje tot de olympische idealen die Nike uitdraagt.
Het roer moet om - dat is echter geen reden tot pessimisme. Een groene en sociale economie komt juist beter tegemoet aan onze behoeften dan de huidige haasteconomie.


Dit is een voorpublicatie uit de essaybundel Dappere nieuwe wereld: 21 jonge denkers over Nederland, onder redactie van Joop Hazenberg, Farid Tabarki en Rens van Tilburg (Van Gennep, 224 blz., € 14,95). Het boek wordt gepresenteerd op woensdag 8 juni in Felix Meritis in Amsterdam, 20.00 uur, toegang gratis