Liever linkse troep dan rechtse

In de jaren zeventig luidde de hamvraag op de boekenpagina’s van De Groene Amsterdammer: wat is revolutionaire literatuur? Met Jacq Vogelaar versus Klaas Wellinga. En verder met Anthony Mertens en Yves van Kempen, Max Arian, Lidy van Marissing en Sybren Polet.

Er was eens een generatie die niet moe werd met verwachtingsvolle inzet en tomeloze onverschrokkenheid – het gebruik van wapens was bespreekbaar – met haar kop tegen de muur te lopen, in de veronderstelling dat-ie toch een keer neer moest gaan, en dat de wereld er dan anders uit zou zien. Geen oorlog, geen terreur (al kon niet worden bevroed welke betekenis die term drie decennia later zou hebben). Geen honger, geen machtsongelijkheid (als dit begrip nu nog iemand iets zegt). En onderweg naar die wereld vervulde literatuur een baanbrekende rol, evenals De Groene Amsterdammer – en de boekensectie in het bijzonder.
Persoonlijk inmiddels niet meer helemaal op ramkoers, kost het toch geen enkele moeite me te verplaatsen in de discussie die maandenlang, van 14 december 1977 tot 5 april 1978 om precies te zijn, de boekenpagina’s van De Groene teisterde. Van deze pagina’s stijgt een geur op die mij onmiddellijk – als werd ik door professor Barabas persoonlijk gekatapulteerd – in de tuin van ‘het instituut’ doet belanden, in kleermakerszit, rokend, samen met de andere eerstejaars Nederlands. We luisteren naar mentor Otto, tweedejaars, die woeste blonde krullen heeft, op klompen loopt en zijn West-Friese accent cultiveert. Hij ontsluiert voor ons de geheimen van de stencilmachine, de bibliotheek, de kantine, de docenten en het actiewezen. Later loop ik met hem door de Jordaan, op weg naar het kraakpand waar hij woont en waar misschien nog een plek voor mij is, mits ik bereid ben, zo vertelt hij me al voortklossend, mee te doen met ‘plakken’.

Plakken? Ik durf niet te vragen wat dat betekent, zo min als ik eenmaal daar aanbeland de dikke plak eigengebakken gemberkoek durf te weigeren, en stem achteloos knikkend in met wat ik mij voorstel als een tweewekelijkse sessie woongroepsseks. De zon schijnt die dag, zoals in mijn herinnering alle negen (!) jaren dat ik studeerde de zon scheen, de kratten bier niet aangesleept konden worden, demonstraties en feesten naadloos in elkaar overgingen, ik tot lieshoogte wegzakte in de drassige gronden van Woensdrecht en hoe heetten al die plaatsen waar kerncentrales gebouwd dreigden te worden en bossen gekapt, ik overal en nergens sliep en me verplaatste op een opoefiets die de sporen droeg van menige – roze – verfbom. En die zon begint dus wederom een beetje te schijnen als ik De Groene van 14 december 1977 opsla, ik allereerst olijk word aangegrijnsd door Rudi Dutschke en eenmaal aanbeland op de boekenpagina’s de hamvraag met kapitale letters recht in m’n gezicht krijg geslingerd: wat is revolutionaire literatuur?

Jacq Vogelaar, met wiens Raadsels van het rund of Kaleidoscopische fragmenten iedere zichzelf respecterende student Nederlands, Otto voorop, toentertijd onder de arm liep – echt lezen was er niet helemaal bij – bijt het spits af. Dat wil zeggen: een recensie van de Latijns-Amerika-specialist Klaas Wellinga over Cortázar heeft hem in woede doen ontsteken. Vogelaar verwijt Wellinga een naïeve kijk op literatuur, als die Cortázar nadraagt niet over de actuele problemen van Zuid-Amerika te schrijven. Alsof literaire middelen en taal een onbesmet instrumentarium zouden kunnen bieden, fulmineert Vogelaar.

[Onbesmet: typische eind-jaren-zeventigterm waarmee werd uitgedrukt dat niets waardevrij was, en dus ook de taal niet. Hoe kun je je immers echt uitdrukken in de taal van de machthebbers? Begin jaren tachtig had het begrip zich uitgebreid tot locaties, media en personen, die besmet oftewel fout zouden zijn vanwege hetzij banden met de burgerlijke macht hetzij fascistische ideeën, of een combinatie van beide. Parallel aan deze ontwikkeling liep de acute inflatie in de niet-burgerlijke pers van de term fascistisch.]

Instemmend haalt Vogelaar het credo van Cortázar aan: ‘We blijven maar praten over vandaag en morgen in de taal van gisteren.’ Om er zelf aan toe te voegen: ‘De kritici die van de schrijver een boodschappenjongen van de revolutie willen maken weten niet waarover ze het hebben. Voorzover ze de literatuur overschatten komt dat omdat ze aan het verkeerde adres zijn, voorzover ze haar onderschatten komt dat omdat ze denken dat de taal een neutraal transparant medium is waardoor de ware werkelijkheid zichtbaar wordt.’

Hier gaat een repeterend belletje rinkelen. Werd niet nog zeer onlangs in De Groene, en ja we zíjn 29 jaar verder, een gepassioneerd debat gevoerd over de relatie tussen literatuur en werkelijkheid en of critici die link nu wel of niet moesten leggen? (Voor de enkeling die dit is ontgaan: [www.groene.nl](../../../), of sla er heel ouderwets De Groene van respectievelijk 16 maart, 5 en 20 april en 8 juni nog eens op na.)

Het grote verschil is echter dat men er tóen vanzelfsprekend vanuit ging dat literatuur een wereldveranderend doel diende, en dat alleen de vraag was of ook de vorm waarin de boodschap werd gegoten revolutionair en vernieuwend moest zijn. Maar dat de wereld er anders uit moest gaan zien, daarover was men het zonder zoveel woorden eens, en eigenlijk lijkt vooral dit zo schokkend lang geleden. Anno 2007 gaan we onverminderd ten onder, nu aan Balkenende en hiv-seks, maar welke schrijver, behalve Joost Zwagerman, voelt zich verantwoordelijk voor een landelijk tegenoffensief?

Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig gaat men er in elk geval vanuit, zeker in _Groene-_kringen, dat schrijvers een soort opbouwwerkers zijn. Maar, vraagt Wellinga zich in reactie op Vogelaar af: wat is je bijdrage tot de revolutie als je werk niet gelezen wordt, of alleen maar gelezen kan worden door een groep ingewijden, terwijl je juist ‘het volk’ wilt bereiken? Is er bijvoorbeeld, zo vervolgt de Latijns-Amerika-man, op Cuba niet méér behoefte aan kinder- en schoolboeken dan aan experimentele literatuur? Vogelaar legt hierop nog eens uit dat ook literatuur als ‘maatschappelijk apparaat’ gevormd is, en dat het experiment een onmisbare voorwaarde is om politiek echt iets te kunnen betekenen. Hij proeft bij Wellinga een minachting voor intellectuelen. Terwijl het hier niet om zomaar iets gaat: ‘De schrijver is verplicht na te denken over de middelen die hij gebruikt. Dat nadenken is een voorwaarde en geen luxe bezigheid.’

Mocht het nu nog niet duidelijk zijn, dan moet het gestaalde stuk van Anthony Mertens en Yves van Kempen een paar weken later uitkomst bieden. ‘De term literatuur is niets anders dan het voertuig van verschillende ideologieën, waarin aan teksten een bepaalde status en waarde wordt toegekend en waarmee tegelijkertijd een heel apparaat overeind wordt gehouden.’

O God, de zon schijnt bij mij nog steeds, maar op dit punt aanbeland begint hij wel een beetje waterig te worden. Wat gingen we toch eigenlijk ook onder een lood- en loodzware last gebukt in die jaren! Zelfs het abn, en de zogenaamd correcte spelling daarvan, was een ideologisch instrument waarmee een hele klasse eronder werd gehouden, om over de invoering van de postcode maar te zwijgen. Op onze klompen, tot aan onze liezen in die drab, en elkaar dan nóg voorlezen uit Emma Goldman, Friedrich Engels en Sybren Polet.

[Sybren Polet: eind jaren zeventig van de twintigste eeuw door adolescenten op handen gedragen vanwege zijn ontregelende roman Mannekino, waarin vooral een damesvinger in een herenreet een onvergetelijke indruk maakte_._ Daarna nog enige tijd gekoesterd als de auteur van zogeheten ‘ander proza’, dat de vloer wilde aanvegen met de verwachting dat de literatuur het leven zou kunnen afbeelden. Fervent herschrijver van eigen werk, tot in de 21ste eeuw toe.]

Over zoiets verderfelijks als ‘toegankelijke literatuur’ kunnen Mertens en Van Kempen kort zijn: ‘In haar verdeel- en heerstechniek voert ze een schrikbewind over de mensen uit.’ Om dit te illustreren verwijzen ze naar ‘de reclame’, die als geen ander fenomeen duidelijk maakt dat juist toegankelijkheid gewantrouwd moet worden. (Het was de tijd dat op een van de twee tv-zenders die er bestonden voorzichtig werd geëxperimenteerd met zwevende reclameblokken van elk drie minuten.)

In de navolgende weken zijn achtereenvolgens aan het woord Max Arian (sussend: Vogelaar en Wellinga zijn allebei aardige jongens met hetzelfde doel, namelijk literatuur als middel om de maatschappij te veranderen), Lidy van Marissing (asjeblieft, géén arbeideristisch realisme) en Sybren Polet (er is behoefte aan de taal van een Che Guevara en aan Che Guevara’s van de taal). De stukken worden almaar langer, terwijl een zekere vermoeidheid zich meester maakt van de eindredacteur/koppenmaker. Werden aanvankelijk doel van het debat en hetgeen zich tot dan toe had afgespeeld in een inleiding gerecapituleerd, na een maand of twee staat er alleen nog boven: ‘In De Groene is een diskussie gaande over vraagstukken als de relatie tussen literatuur en politiek, de wezenskenmerken van progressieve literatuur enzovoorts.’

De discussie wordt gesloten met enige berustende inzichten van Polet. Allereerst dat linkse kastelenromans misschien toch een ‘funktie’ kunnen hebben, omdat linkse troep altijd nog beter is dan rechtse troep. En ten tweede dat noch het een noch het ander veel gewicht in de schaal zal leggen, ‘als je het vergelijkt met bijvoorbeeld krant of tv’.

De onwetendheid bij de deelnemers aan dit debat van alles wat nog komen gaat, stemt melancholiek. Net als de hartstochtelijke inzet waarmee ze dit debat zo’n dertig jaar geleden voerden. Zonder cynisme of ironie. Dat ieder woord stijf staat van humorloze verbetenheid, ach… Dat waren de dagen, mijn vriend, en we dachten dat er nooit een eind aan zou komen.

[Plakken: de meest risicovolle en tegelijkertijd huiselijk subversieve actiemethode binnen handbereik eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Benodigdheden: emmertje lijm, kwast, affiches met opruiende teksten en een sukkel die op de uitkijk stond. Otto, naar verluidt inmiddels houtdraaier te Overijssel, kon plakken als geen ander. Oppakscore: 3,3 procent, wat dat ook moge betekenen; deze generatie is altijd meer van de letters dan van de cijfers gebleven.] •