Sociale media Facebook en sociale verandering

Liever lui dan activist

Volgens Malcolm Gladwell zijn sociale media als Facebook en Twitter ontoereikend om sociale verandering te bewerkstelligen. Critici zeggen dat hij er niets van begrijpt.

Medium dga 101021 facebook

DE BIJNA 1,3 MILJOEN Facebook-leden van de Save Darfur Coalition ontvingen vorige week allen een persoonlijke e-mail van George Clooney. De acteur was net teruggekeerd van een reis naar het door een burgerconflict geteisterde Soedan, waar hij samen met mensenrechtenactivist John Prendergast met journalisten en beleidsmakers had gesproken om ‘de bewustwording te verhogen over het mogelijk massale geweld in de aanloop naar een referendum in Zuid-Soedan’. In het bericht verzoekt Clooney de geadresseerden om 'alsjeblieft een minuut te nemen om een brief te sturen aan president Obama’. De reeds opgestelde brief, die de aangeschreven activist slechts van naam en e-mailadres hoeft te voorzien alvorens hem met een muisklik te versturen, verzoekt de president 'er alles aan te doen om te voorkomen dat in Soedan een oorlog uitbreekt en om een einde te maken aan de crisis in Darfur’. De minuut waar Clooney om vraagt, is ruim genomen: een snelle typer is binnen twintig seconden klaar.
De moderne geëngageerde westerse burger krijgt dagelijks diverse elektronische verzoeken als het bovenstaande. Het heeft geleid tot een vorm van digitaal activisme die critici ook wel clicktivism of slacktivism noemen. Die laatste term, een samenvoeging van de woorden slacker (luilak) en activism, betekent zoveel als het ondersteunen van goede doelen of ageren tegen misstanden zonder daarvoor noemenswaardige inspanningen te hoeven leveren.
In cijfers ziet clicktivisme of slacktivisme er als volgt uit: tot nu toe hebben de 1,3 miljoen Facebook-leden van de Save Darfur Coalition gemiddeld negen dollarcent aan de organisatie gedoneerd. Geconfronteerd met dit niet bijzonder ruimhartige bedrag zei een woordvoerder van Save Darfur tegen het blad Newsweek: 'We baseren iemands waarde voor de beweging niet op de hoogte van donaties. Dit (het Facebook-platform - mvg) is een krachtig mechanisme om het kritische deel van de bevolking te engageren. Ze informeren hun gemeenschap, wonen evenementen bij, doen vrijwilligerswerk. Dat kun je niet meten door naar het kasboek te kijken.’
Dat deed New Yorker-criticus en bestsellerauteur Malcolm Gladwell smalen: 'Met andere woorden, Facebook-activisme is niet succesvol door mensen te motiveren om een echte opoffering te doen, maar door ze te motiveren dingen te doen die mensen doen als ze niet gemotiveerd genoeg zijn om een echte opoffering te doen.’

HET IS NIET de enige makke die het online activisme volgens Gladwell heeft, zo blijkt uit zijn recente, zeer kritische New Yorker-stuk 'Small Change: Why the Revolution Will Not Be Tweeted’, waarin hij betoogt dat sociale media niet kunnen voorzien in wat altijd noodzakelijk is geweest om sociale verandering te bewerkstelligen. 'De wereld, zo wordt ons verteld, bevindt zich midden in een revolutie’, schrijft Gladwell spottend. 'De nieuwe instrumenten van de sociale media hebben sociaal activisme heruitgevonden. Dankzij Facebook, Twitter en consorten is de traditionele relatie tussen politieke autoriteit en de wil van het volk overhoop gehaald, waardoor de machtelozen makkelijker kunnen samenwerken, coördineren en hun ongenoegen uiten.’
Ter illustratie van die boodschap halen de pleitbezorgers van de sociale media, die Gladwell vergoelijkend solipsisten noemt (mensen die bestaan bij de gratie van hun eigen gedachten), graag de anticommunistische protesten in de lente van 2009 in Moldavië aan - ook wel de Twitter-revolutie genoemd. Een ander veelgenoemd voorbeeld zijn de studentenprotesten later dat jaar in de Iraanse hoofdstad Teheran, die zonder Twitter niet zouden hebben kunnen plaatsvinden. Beide jubelverhalen zijn echter al lang door de werkelijkheid ingehaald, stelt Gladwell. Voor de Twitter-revolutie wijst hij erop dat er destijds nauwelijks Moldaviërs waren met een Twitter-account. Wat betreft de studentenprotesten in Teheran citeert hij de Iraanse journaliste Golnaz Esfandiari, die in Foreign Affairs schreef: 'Het wordt tijd om de rol van Twitter tijdens de gebeurtenissen in Iran recht te zetten. Simpel gezegd: er was geen Twitter-revolutie binnen Iran. Westerse journalisten die geen Iraniërs ter plaatse konden bereiken - of niet de moeite namen die te bereiken? - scrolden simpelweg door de Engelstalige tweets met de tag #iranelection. Onderwijl scheen niemand zich af te vragen waarom mensen die proberen protesten te coördineren in Iran dit in een andere taal zouden doen dan in Farsi.’
Allemaal grandioze grootspraak dus, zoals we dat in het verleden wel vaker hebben gezien wanneer nieuwe communicatiemiddelen hun opmars maakten. Hier citeert Gladwell de historicus Robert Darnton: 'De huidige wonderen van de communicatietechnologie hebben een vals bewustzijn van het verleden gecreëerd - zelfs een notie dat communicatie geen geschiedenis heeft, of van geen enkel belang was voor de komst van de televisie en het internet.’
Maar Gladwell ontwart nog iets in het te grote enthousiasme voor sociale media: we lijken in het Westen te zijn vergeten wat activisme is.

EEN AANSPREKEND voorbeeld van echt activisme vindt Gladwell in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Daarvoor neemt hij de lezer mee naar een koffiehuis in Greensboro, North-Carolina, februari 1960. Vier jonge zwarte studenten hebben plaatsgenomen in het voor blanken bestemde deel van het etablissement. De dapperste van de vier bestelt een kop koffie, en wordt prompt toegesnauwd: 'We bedienen hier geen negers.’ Hoewel de situatie steeds dreigender wordt, blijven de vier tot sluitingstijd zitten. De dag erop zijn ze er weer, aangevuld met andere studenten. Nu beginnen de sit-ins zich te verspreiden naar omliggende steden, ondanks de arrestaties, bedreigingen en molestaties door de politie en blanke racisten van de Ku Klux Klan. En ondanks dit overduidelijke gevaar voor lijf en leden blijven meer sympathisanten zich aansluiten - waaronder ook blanken en activisten uit andere delen van het land. E-mail, sms, Facebook of Twitter komt er niet aan te pas.
Wat maakt mensen bereid een dergelijke vorm van activisme te bedrijven? Ideologische overtuiging is niet genoeg, zo concludeerde de Stanford-socioloog Doug Adams uit onderzoek naar risicovol activisme. Doorslaggevend zijn 'sterke onderlinge banden’. De vier studenten in het koffiehuis in Greensboro waren kamergenoten op hun universiteitscampus en hadden hun actie maandenlang voorbereid. De jongeman die als eerste een koffie durfde te bestellen, dankte zijn moed aan de aanwezigheid van zijn drie vrienden. Dit 'sterke-banden’-fenomeen zou een beginsel blijven gedurende de hele burgerrechtenstrijd: wie wilde deelnemen aan een actie of protest moest een lijst van contacten opgeven die al bij de beweging betrokken waren.
Een vergelijkbaar patroon zie je terug bij andere succesvolle bewegingen, schrijft Gladwell. Hij noemt de Rode Brigades in Italië in de jaren zeventig, waarvan zeventig procent van de rekruten al een goede vriend binnen de organisatie had, en de mannen die zich na de Russische inval in Afghanistan bij de moedjahedien aansloten. Zelfs spontaan lijkende revoluties, zoals de Oost-Duitse demonstraties die tot de val van de Berlijnse Muur leidden, kwamen voort uit sterke banden. Hoe meer vrienden men had die kritisch waren over het regime, des te waarschijnlijker was het dat men deelnam aan deze demonstraties.
De platforms die op sociale media als Facebook en Twitter ontstaan, zijn daarentegen opgebouwd rondom 'zwakke banden’. Twitter is immers een manier waarop je mensen kunt volgen (of jou kunt laten volgen) die je juist nooit hebt ontmoet, stelt Gladwell, terwijl Facebook vooral een handig instrument is voor wie op de hoogte wil blijven van het reilen en zeilen van de mensen van wie je dat anders niet zou weten. Vandaar ook dat je op Facebook makkelijk duizend 'vrienden’ kunt hebben - iets wat in het echte leven simpelweg niet mogelijk is.
Het tweede belangrijke onderscheidende element dat Gladwell ziet tussen traditioneel activisme en de online variant is dat sociale-mediaplatforms netwerken zijn en derhalve geen hiërarchische structuur kennen, zoals de Amerikaanse burgerrechtenbeweging die bijvoorbeeld wel heel duidelijk had. Martin Luther King stond aan het hoofd, en zijn orders werden via de kerken verspreid. Netwerken hebben daarentegen grote moeite consensus te bereiken (zie ook het oneindig aanpassen van sommige Wikipedia-artikelen) en doelen vast te stellen. Dan wordt strategisch denken, een vereiste om een doel te bereiken, al helemaal lastig. Wat King nodig had in Birmingham, discipline en strategie, zijn dingen die online sociale media nu eenmaal niet kunnen bieden, aldus Gladwell.
Als uitsmijter heeft Gladwell nog enkele alinea’s gereserveerd voor Clay Shirky, de New York University-hoogleraar die door velen gezien wordt als de meest gezaghebbende denker over sociale media, en diens boek Here Comes Everybody. Daarin vertelt Shirky een anekdote over ene Evan, een Wall Street-medewerker wiens vriendin haar Sidekick, een prijzige telefoon, in een taxi laat liggen. Als blijkt dat de vinder, een tienermeisje, niet bereid is de telefoon terug te geven, zet Evan een grootscheepse internetcampagne op. Die leidt er uiteindelijk toe dat de politie de vinder arresteert en Evans vriendin haar Sidekick terugkrijgt. Het voorbeeld illustreert volgens Shirky 'het gemak en de snelheid waarmee een groep online kan worden gemobiliseerd voor de goede zaak’. Volgens Gladwell bewijst Shirky vooral dat een wereld die aan elkaar hangt van netwerken en zwakke banden goed is in het helpen van Wall Streeters die hun telefoons willen terugkrijgen van tienermeisjes.

'ONLINE petitions are a sham’, schreef Clay Johnson, een IT-specialist die gewerkt heeft voor de politieke campagnes van Howard Dean en Barack Obama, in augustus op zijn blog InfoVegan.com. Volgens Johnson is het de bureaus die de online petities opstellen voornamelijk te doen om e-mailadressen te bemachtigen en mensen op een bepaalde link te laten klikken. Zo wordt immers het geld verdiend.
De commentaren onder Johnsons blogpost waren furieus. Ze zijn echter niet afkomstig van verbouwereerde activisten, maar van e-consultants, reclamemakers, campagnestrategen en e-marketingspecialisten. Kortom, van mensen die hun brood verdienen met het stileren van online uitingen.
Het is de beroepsgroep die de Amerikaanse cultuurcriticus Lee Siegel zou scharen onder de noemer 'elektronische maffia’. Daarmee kreeg Siegel zelf te maken na de publicatie van zijn boek Against the Machine: Being Human in the Age of the Electronic Mob, waarin hij stelde dat 'het internet de westerse cultuur gedegradeerd heeft tot een populariteitscontest waar de middelmaat regeert’. In een interview met De Groene Amsterdammer zei Siegel: 'Er is veel geld in het internet geïnvesteerd, carrières zijn ervan afhankelijk. Wie de zegeningen van het internet in twijfel trekt, wordt weggehoond door de elektronische maffia.’
Weggehoond wordt Gladwell geenszins, maar kritiek op zijn essay krijgt hij wel degelijk. En niet alleen vanuit de te verwachten hoek -denk aan techbloggers als Jonah Lehrer en Alan Rosenblatt of de mensen van Salon.com en Wired.com -, maar even goed van hoogleraren journalistiek en trouwe New Yorker-lezers. Opmerkelijk daarbij is dat de meeste critici geen moeite doen Gladwells twee belangrijkste premisses te weerspreken: dat risicovol activisme sterke banden vereist en dat online netwerken niet over de vereiste hiërarchie beschikken. Daarin kan vrijwel iedereen zich vinden. Het grootste en meest genoemde bezwaar is dat Gladwell scherp onderscheid maakt tussen traditioneel en digitaal activisme, terwijl de twee types elkaar in werkelijkheid aanvullen en overlappen. Activisten, wat hun doel ook is, willen hun boodschap verspreiden en daarvoor gebruiken ze het effectiefste middel dat voorhanden is. Dat kan een stencil, een sit-in of een Facebook-groep zijn, of een combinatie van alle drie.
Daarnaast wordt Gladwell verweten dat hij domweg sociale media niet begrijpt - met als gevolg dat hij een nagenoeg irrelevant standpunt heeft ingenomen. Met een beetje meer kennis van hoe sociale media werken, had Gladwell wellicht geconcludeerd dat de sit-in in Greensboro met de hulp van digitale technologie nog effectiever had kunnen zijn. Zo hadden de zwarte studenten videobeelden van hun slechte behandeling via YouTube en Twitter in real time de hele wereld kunnen rondsturen. En had de befaamde busboycot van Montgomery met behulp van Twitter en geolocatie-technologie niet nog beter georganiseerd kunnen worden?
Wat resteert is Gladwells vaststelling dat we niet meer weten wat activisme is. Je zou ook kunnen vaststellen: we voelen ons in de westerse wereld niet meer geroepen tot risicovol activisme. De dringende noodzaak, zoals de schrijnende onrechtvaardigheid van de segregatie in het Amerika van voor de burgerrechtenbeweging, bestaat niet meer. Toch binden ook in het huidige Amerika elke dag activisten de strijd aan met de status-quo. Denk aan de milieubeweging, de food movement, de anticorporatisten. Zo toog een groep van zo'n 25 mensen op 15 augustus naar een vestiging van Target, de Amerikaanse variant van de Hema. Met band, zangers en dansers voerde de groep midden in de winkel het zelfgeschreven en gechoreografeerde nummer Target Ain’t People uit - bij wijze van protest tegen het feit dat Target geld had gedoneerd aan een politicus met radicale antihomostandpunten. Het optreden van deze progressieve flashmob werd gefilmd en via Facebook, Twitter en YouTube verspreid. Voor wat het waard is: sindsdien hebben veel van mijn Brooklynse vrienden niet meer in Target gewinkeld.

HOE DAN OOK, zowel Gladwell als zijn critici lijken te begrijpen dat media nooit meer dan een middel kunnen zijn. Gladwells verdienste is dat hij overenthousiaste pleitbezorgers van sociale media voorhoudt: rustig aan, het is wat het is, meer niet. Siegel verwoordde dat mooi in het eerder aangehaalde Groene-interview: 'Media versterken slechts een cultuur die al bestaat. (…) Uiteindelijk biedt technologie geen oplossing voor de menselijke natuur; het is er slechts een versterking van.’
Dat dit mogelijk geen cultuur is waarin activisme de boventoon voert, toonde onlangs een vriendin van me onbedoeld aan. Op Facebook postte ze: 'Damn! Ongelooflijk… de kracht van het internet!’ Daaronder had ze een link geplaatst naar een nieuwsartikel over kledingmerk Gap: dat bleek z'n nieuwe logo weer te hebben verruild voor het oude, nadat consumenten online massaal hun onvrede hadden geuit. 'We hebben de boodschap gehoord’, verklaarde een Gap-woordvoerder. 'Voortaan zullen we eerst de online gemeenschap raadplegen.’