Liever niemand dan sommigen

Cultuur heeft alleen zin als er cultuur omheen zit. Voorbeeld: een boek bestaat als er ‘iets’ mee wordt gedaan: het moet gelezen worden, gerecenseerd, verfilmd - hoe meer het anderen inspireert (interview met schrijver, met lezers, zwaarwichtige essays over het thema, voorleesavondjes), hoe groter het effect is van de literatuur.
Effect mag hier ook gelezen worden als: invloed.
En wanneer iets invloed heeft op onze cultuur, dan zijn wij geneigd dat zinvol te vinden, want dan dient het tot ons aller vermaak.
Wanneer er om een cultuurproduct verder geen cultureel lawaai wordt gemaakt, zou je kunnen redeneren dat het cultuurproduct zinloos is. Denk aan de dichter die niemand wil lezen, het toneelstuk dat niemand wil zien, de film waar geen hond naar gaat kijken.
Dit is, vervelend genoeg, ten dele waar.
Ten dele: voor elk kunstproduct is wel een niche te vinden: van schuifdeur tot Carré. Als kunstenaar wiens producten niet gezien worden, moet je dus genoegen nemen met een klein publiek.
De consequentie kan dan zijn dat je niet van je kunst kunt leven.
Nu doemt een bijna levensbeschouwelijke vraag op: 'Zou mijn leven als kunstenaar wel zinvol kunnen zijn wanneer ik niet van mijn kunst kan leven? Word ik dan niet gedwongen tot amateurisme?’
Ik moet eerlijk zeggen dat dit vroeger voor mij een probleem was. Ik schreef boekjes en stukjes, maar ik moest er wel een baan bij het onderwijs naast hebben - en dat vond ik toch 'minderwaardig’. Alsof ik niet het recht had me een volledig kunstenaar te mogen noemen. Nu denk ik daar heel anders over, al is mijn commerciële populariteit niet vergroot en heb ik zelfs de status bereikt van een zekere beruchtheid, die de portemonnee ook niet dikker maakt.
Cultuur maken, desnoods voor een zeer klein publiek, is iets wat je doet uit innerlijke noodzaak - en eigenlijk is het dan helemaal niet zo erg wanneer het dan slechts heel beperkt wordt waargenomen. Er bestaat altijd een kans op een doorbraak…
Wat je dan moet zeggen is: Van Gogh heeft in zijn hele leven ook maar één schilderij verkocht.
Maar toch zitten deze gedachten me dwars als het gaat over kunstsubsidies, waarover ik veel met vrienden praat. (Ruzie maak, is het meer.)
Ik heb al eens eerder geschreven dat ik elke subsidie zou accepteren, want die zou ik zien als belastingverlaging en daar ben ik een voorstander van, maar ik zou het oprecht voor mezelf een moreel verlies vinden als ik iets zou willen produceren waarvoor ik geld moet vragen aan de overheid.
Ik doe het wel - anders kun je in dit land heel moeilijk een film maken, bijvoorbeeld - maar het stuit me tegen de borst.
Mijn 'markt’ wordt niet werkelijk groter als ik subsidie zou accepteren, en als dat wel het geval zou zijn, dan kan ik dat niet anders zien dan als onrechtvaardig tegenover de mensen die misschien even getalenteerd zijn als ik, maar die subsidie niet hebben gekregen.
Ik ken eigenlijk niemand die met kunstcommissies in aanraking is geweest die niet zegt dat het 'een loterij’ is.
Niemand een subsidie is daarom in mijn ogen rechtvaardiger dan: sommige mensen - we laten dat door een kunstcommissie uitzoeken - krijgen van de overheid wel subsidie en andere niet.
Steeds vaker merk ik dat de huidige links-rechts-discussies gaan over bijna religieuze overtuigingen: wat is rechtvaardigheid, wat is een goed cultureel klimaat, wat is moreel juist en niet juist?
De overheid als God die je kunstzinnige gebeden kan verhoren.
En zoals met alle religieuze discussies heeft discussiëren geen zin.
Ik deed vroeger aan straattheater - we kregen geen subsidie, we hadden iets te zeggen. We zouden het raar hebben gevonden als we van de klootzakken die we bestreden iets zouden krijgen.