Essay De politiek als wedstrijd

Liever scoren dan eerlijk zijn

Alles draait om beeldvorming in de politiek, en het belang van retoriek is navenant toegenomen. Het gaat niet om wat je presteert, maar om wat je beweert. Mark Rutte begrijpt dat beter dan Job Cohen.

Het klassieke links-rechts-paradigma is in het hedendaagse politieke landschap al net zo achterhaald als de peilingen onvoorspelbaar zijn geworden, maar laten we voor het gemak beide toch even voor waar aannemen. Onmiddellijk wordt dan een winnaar in de tweedeling zichtbaar: links (pvda, sp, GroenLinks, d66 en Partij voor de Dieren) schommelt momenteel rond de zestig zetels, terwijl rechts (cda, vvd, pvv, ChristenUnie, sgp) liefst negentig zetels voor haar rekening neemt. Op deze simplistische indeling van het politieke spectrum valt allicht veel af te dingen (de sp is geenszins progressief; de ChristenUnie en de pvv zijn in economisch opzicht ronduit links), maar niettemin: conservatieve krachten zijn onmiskenbaar aan de winnende hand. Vijftien jaar geleden hadden alleen al de pvda en d66 meer zetels dan het hele linkse blok anno 2010.

Vergelijk die score vervolgens eens met de problemen waarvoor Nederland en de wereld zich nu zien gesteld. Het klimaat verandert, de olie raakt op, het milieu vervuilt, de kloof tussen arm en rijk groeit, het gat tussen burger en bestuur groeit mee, de publieke sector verschraalt – en de overheid kijkt vaak machteloos toe. Allemaal thema’s waar met name links van oudsher op tamboereert, zij het op bescheiden toon. Hoe lang waarschuwt de sp al niet voor de gestage aftakeling van de sociale zekerheid en de zorg? Hoe lang hamert GroenLinks al niet op de noodzaak van duurzame energie? Was het de pvda niet die als eerste de bonussen in de financiële sector ter discussie stelde? En voorzag d66 niet al bij haar oprichting de gevaren van het democratisch tekort?

Tel de huidige klimaatcrisis, energiecrisis, kredietcrisis en bestuurscrisis bij elkaar op en je vraagt je af waarom deze partijen niet op een verkiezingsoverwinning afstevenen. In werkelijkheid is het tegendeel waar: de neoliberalen, die in ideologische zin toch voor een groot deel verantwoordelijkheid dragen voor de genoemde problemen, gaan fier aan kop in de peilingen. Sterker nog, de vvd is in jaren niet zo groot geweest. Samen met het cda en de pvv zijn ze inmiddels goed voor een meerderheid. Welke logische verklaringen daar ook voor zijn aan te voeren, één conclusie is hoe dan ook onvermijdelijk: links doet iets niet goed.

Daarin staat Nederland niet alleen. In veel Europese landen is een verrechtsing waarneembaar. In Groot-Brittannië wonnen de Conservatieven van David Cameron de verkiezingen ten koste van de inmiddels afgetreden sociaal-democraat Gordon Brown; in Italië boekte Il Popolo della Libertà van Silvio Berlusconi onlangs nog een onverwachte overwinning in de regionale verkiezingen; in Oostenrijk verloren de socialisten en christen-democraten in 2008 zelfs meer dan veertien procent van de stemmen aan de Oostenrijkse Vrijheidspartij en de Lijst Jörg Haider, die samen goed bleken voor een kwart van de zetels. En ook in Zwitserland en Denemarken zijn de respectieve Volkspartijen, die zich op wildersiaanse wijze afzetten tegen de gevestigde orde, nooit eerder zo invloedrijk geweest.

De verklaringen voor deze trend zijn talrijk, maar kennen wel een rode draad: diepe onvrede over de gevolgen van globalisering. Massa-immigratie vanuit niet-westerse landen, verlies van nationale autonomie aan het technocratische Brussel en twijfel over de houdbaarheid van de eigen sociale voorzieningen voeden een gevoel van onveiligheid en onzekerheid, waar conservatieven een monopolie op lijken te hebben gelegd. Daar zit een zekere logica in, want toenemende onzekerheid voedt op haar beurt behoudzucht – en dat heeft progressief links vanzelfsprekend minder in de aanbieding. Liever nu de zekerheid van het bestaande dan de ongewisse hoop op het betere, lijkt bij velen de redenering. Kijk één avondje naar het journaal, waar de ene na de andere crisis de revue passeert, en je begrijpt dat sentiment volkomen.

Toch is een dergelijke ideologische verklaring niet afdoende. De sp is de afgelopen jaren van wereldbeeld noch van partijprogramma veranderd, maar zag sinds het vertrek van partijleider Jan Marijnissen haar historische verkiezingsoverwinning uit 2006 wel als sneeuw voor de zon verdwijnen. Opvolger Agnes Kant hield het al na een jaartje aanvoerderschap weer voor gezien – zeventien virtuele zetels armer. Alexander Pechtold kent dat gevoel ook: toen de d66-leider zich nog kon profileren als de verbale tegenhanger van Geert Wilders, steeg zijn populariteit tot meer dan twintig zetels, maar sinds de pvv-voorman minder in de spotlights staat, zag d66 haar virtuele winst alweer meer dan halveren.

En ook Job Cohen weet inmiddels wat het betekent om in de Haagse achtbaan te zitten. Nog maar een maand geleden werd de oud-burgemeester van Amsterdam tot nieuwe partijleider benoemd en als burgervader van Nederland aan het volk gepresenteerd. Journalisten spraken van een ‘meesterzet’ en de peilingen beweerden niet anders: leek de pvda eind 2009 nog ten dode opgeschreven, nu mocht ze plotseling weer ruiken aan het premierschap. Op Facebook werd alvast de fanclub ‘Yes We Cohen’ gelanceerd.

Drie moeizame interviews en drie teleurstellende debatten later lijkt die slogan al weer net zo achterhaald als de linkse lente die ze had moeten inluiden. Job is ‘door het ijs gezakt’, luidt nu de analyse – hetgeen doet vermoeden dat het op links plotsklaps weer winter is. Op het web doen inmiddels heel andere bijnamen de ronde. Cohen heet nu ‘de Hakkelaar’ en de pvda ‘de Partij van de Aanpassingen’. De partijleider zelf blijft er ogenschijnlijk stoïcijns onder, maar enige verbazing zal hem toch niet vreemd zijn. ‘In wat voor circus ben ik in godsnaam beland?’, zal hij zich heimelijk afvragen. Een dag na het rtl-lijsttrekkersdebat zag zijn partij in één klap drie zetels verdampen – omgerekend zo’n tien procent van het totaal. Cijfers die Cohen ongetwijfeld paraat heeft.

Deze voorbeelden tonen aan dat, boven alles, beeldvorming een doorslaggevende factor is geworden in de hedendaagse politiek. Rita Verdonk is daar misschien wel het symbool van. Toen zij twee jaar geleden campagne voerde op haar imago als IJzeren Rita – de strenge vreemdelingenminister die in werkelijkheid een stuk minder consequent was dan haar slogan ‘regels zijn regels’ deed vermoeden – schatte Maurice de Hond haar nog in op dertig zetels. In haar eentje. Zonder partijprogramma. Nadat ze haar standpunten eenmaal goed en wel op papier had gezet en een partij had gevormd, stond ze alweer op nul.

Agnes Kant is in deze een goede tweede. Weinig politici zullen door hun collega’s zo zijn geroemd om hun dossierkennis en werklust, maar het mocht niet baten: haar ‘boze’, ‘kille’ imago deed haar de das om. En herinnert iemand zich Ella Vogelaar nog? Wie de buurtwerkers en bewoners van de naar haar vernoemde wijken om een oordeel vroeg, kreeg doorgaans vooral loftuitingen te horen. Twee ijzingwekkend zwijgzame minuten voor de camera van GeenStijl en ze kon inpakken. Uit onderzoek van de Vlaamse socioloog Mark Elchardus is niet voor niets gebleken dat ‘beeldvorming in de media’ de beste indicator vormt van ons stemgedrag.

Door het primaat van de beeldvorming in de politiek is ook het belang van de retoriek sterk toegenomen. Stemde men vroeger nog automatisch op de partij die paste bij de geloofsovertuiging of zuil, nu moet het zwevende electoraat overtuigd worden. Hoe een politicus iets zegt is daarbij belangrijker geworden dan wat hij zegt; hoe hij zich presenteert relevanter dan wie hij is. In een medialandschap vol spectaculaire berichten en nieuwsflitsen van zestig seconden is een snedige oneliner minstens zo effectief als een doorwrocht beleidsplan, zo niet effectiever. En juist op dit punt legt links het vaak af tegen rechts.

Job Cohen faalt, naar de maatstaven van de moderne mediacratie, zelfs opzichtig. Hij geeft eerlijk toe dat hij een antwoord niet weet in plaats van met halve waarheden eromheen te praten. Het resultaat toont zich de volgende dag in de krantenkoppen. Hij laat anderen minutenlang interrumperen en begint pas aan zijn repliek als zijn opponent uit beeld verdwenen is. De camera zoomt uit en het geregisseerde applaus wordt dwars door zijn antwoord heen ingezet. Hij haalt soms moedeloos zijn schouders op als een interviewer hem weer eens met bijzaken bestookt en zegt dan: ‘Aan dat soort spelletjes doe ik niet mee.’ Ondertussen gaat ‘het spelletje’ om hem heen vrolijk verder. De commentaren zijn onverbiddelijk en eensluidend: Cohen is een bestuurder die geen tegenspraak gewend is. En: hij is door zijn spindoctors duidelijk niet goed voorbereid.

Daar schuilt een zekere kern van waarheid in, maar het probleem is fundamenteler dan dat. Job Cohen is exemplarisch voor de tekortkoming waar bijna alle progressieve, linkse politici mee worstelen – en waar hun conservatievere, rechtse collega’s minder last van lijken te hebben. Natuurlijk is het niet zo dat de kunst van het overtuigen, zoals de retoriek al in het Oude Griekenland werd genoemd, alleen door rechtse politici wordt beheerst. Jan Marijnissen kon het en ook Alexander Pechtold toont zich vaak genoeg bedreven in het woordenspel. Toch geldt voor de d66-leider dat de aanval op anderen hem beduidend beter afgaat dan het verkopen van zichzelf. Wilders of het kabinet met een paar rake typeringen in de hoek zetten lukt hem vaak genoeg, maar zodra het over de plannen van d66 gaat, verdwijnt de meeslepende beeldspraak al gauw uit zijn woorden. Vergelijk dat dan eens met Wilders of Rutte: de één heeft virtueel al ruim een miljoen kiezers overtuigd van het idee dat Nederland ‘islamiseert’, terwijl de ander met de slogan ‘De economie kan wel wat vvd gebruiken’ op kop gaat in de peilingen – in een tijd dat het neoliberalisme zwaarder onder vuur ligt dan ooit.

De retorische tekortkoming van met name progressief-links wortelt in een lange filosofische geschiedenis. Progressief-links is in denken en doen vooral schatplichtig aan wat je de Platoonse traditie zou kunnen noemen. Kenmerkend voor deze traditie is dat alle vertegenwoordigers ervan – variërend van René Descartes tot Immanuel Kant – uitgaan van een filosofische tegenstelling die ooit door Plato werd geïntroduceerd: die tussen ‘schijn’ en ‘werkelijkheid’. Uitgangspunt hiervan is, kort samengevat, dat er twee soorten ‘realiteit’ kunnen worden onderscheiden. Aan de ene kant is er de realiteit zoals die ons schijnt te zijn – zoals ze wordt ervaren, bemiddeld door onze emoties, taal, cultuur en belangen. Daarachter schuilt de objectieve werkelijkheid: de realiteit ‘zoals ze is’, de ‘feiten’ die wij allen delen.

Deze traditie, die haar hoogtepunt in de Verlichting kende, heeft altijd de ambitie gekoesterd om de ‘schijn’ te ontmaskeren ten faveure van de ‘zuivere werkelijkheid’. Zij bezag de mens namelijk bovenal als een rationeel wezen dat, wanneer hij de ‘feiten’ eenmaal in zou zien, tot een door de objectiviteit gedicteerde consensus zou komen over hoe de maatschappij diende te worden ingericht. Veel linkse politici koesteren die ambitie nog steeds. Zij geloven dat de werkelijkheid ‘zoals ze is’ uiteindelijk doorslaggevend zal zijn voor de politieke keuzes van mensen; en dat rationeel verworven inzichten (‘de feiten wijzen uit’) voldoende voedingsbodem vormen voor gezamenlijke overeenstemming over het te voeren beleid. Zoals hun filosofische geestesvaders de ‘schijn’ probeerden te ontstijgen om tot de Waarheid te komen, zo proberen linkse politici het retorische machtsspel te ontstijgen om tot Consensus te komen: ze willen, met andere woorden, liever niet meedoen met ‘het spelletje’ dat politiek wordt genoemd.

Lijnrecht daartegenover staat de traditie die, grof gezegd, loopt van Thomas Hobbes tot Friedrich Nietzsche en Richard Rorty. Hun filosofieën lopen sterk uiteen (Rorty was alles behalve rechts), maar wat ze deelden was hun kritiek op dat aloude Platoonse onderscheid tussen ‘schijn’ en ‘werkelijkheid’. De werkelijkheid, stelden zij, is zoals ze schijnt te zijn – bemiddeld door emoties, taal, cultuur en vooral: onze tegenstrijdige belangen. Van een ‘objectieve’ realiteit daarachter is geen sprake; een mens kan ‘zijn perspectief’ op de wereld nu eenmaal niet ontstijgen. Rechtse politici voelen zich over het algemeen veel meer in deze traditie thuis. Zij zien, analoog aan Hobbes, de mens niet als een rationeel wezen dat geneigd is tot samenwerking, maar eerder als een door belangen en behoeftes gedreven wezen, dat primair uit is op het veiligstellen van zijn eigen overlevingskansen en maatschappelijke positie. Daardoor beschouwen zij het politieke bedrijf ook veeleer als een machtsspel en schromen zij niet zich te bedienen van retorische machtsmiddelen: het gaat erom welk beeld je van de werkelijkheid wenst te schetsen, niet om de vraag of de realiteit er ook echt mee ‘correspondeert’.

Politici als Job Cohen, maar ook Femke Halsema (die zichzelf onlangs nog ‘een kind van de Verlichting’ noemde) hebben daar zichtbaar moeite mee. Ze koesteren een filosofische weerzin tegen retoriek, die volgens hen slechts bedoeld is om de ‘feiten’ geweld aan te doen. Zij willen liever ‘eerlijk’ zijn en schamen zich ervoor de complexe, meerduidige wereld anders voor te spiegelen ‘dan ze is’. Wilders noemde Cohen laatst de ‘politieke reïncarnatie van Ella Vogelaar’ en daar had hij volstrekt gelijk in, maar op een andere manier dan de pvv-leider bedoelde: wat Cohen en Vogelaar gemeen hebben is dat ze erop vertrouwen dat de kiezer hen beoordeelt op wat ze presteren in plaats van op wat ze beweren. Dat succesvol beleid het op den duur altijd wint van succesvol spinnen.

Hun conservatieve collega’s denken daar van nature anders over. Zij weten dat politiek eerder een kwestie is van gelijk krijgen dan van gelijk hebben – en deinzen er dus veel minder voor terug om de wereld op zo’n manier te schetsen dat het in hun voordeel werkt. Dat is geen kwestie van onoprechtheid: zij geloven echt dat de waarheid eerder ‘gemaakt’ dan ‘ontdekt’ wordt. Daarom maken ze bombastische internetfilmpjes en verzinnen ze pakkende oneliners die aan hun opponenten blijven kleven. Progressief-links stelt daar vooral nuanceringen en bezweringen tegenover, maar waagt zich liever niet aan groteske beeldspraak als repliek. Anders gezegd: rechts politiseert, links analyseert. Ter illustratie hoef je alleen maar te kijken naar wat de lijsttrekkers als eerste deden toen de campagne na de vliegramp in Tripoli werd hervat: Femke Halsema gaf een college over coalitievorming aan studenten van de Bestuursacademie in Tilburg; Mark Rutte ging flyeren voor de hypotheekrenteaftrek op de markt in Den Bosch. Beter kun je het verschil niet samenvatten.

Nu kun je als kiezer natuurlijk sympathie koesteren voor de manier waarop links politiek bedrijft, maar het probleem is: de mediacratie koestert die niet. De manier waarop nieuws tegenwoordig tot stand komt, is de analytici onder de politici niet gunstig gezind. Nieuws is niet wat ‘waar’ is, zoals in idealistischere tijden nog wel eens werd gezegd, maar wat ‘scoort’. Kranten, omroepen en websites worden, meer dan de journalisten zélf vaak willen, gedreven door commerciële belangen. Om advertenties te kunnen verkopen, zal er zo veel mogelijk aandacht moeten worden gegenereerd. Dus wordt van politiek een wedstrijd gemaakt, met de knapste koppen en de rapste tongen in de hoofdrol. In zo’n omgeving gedijt de retoriek veel beter dan de ‘werkelijkheid’. Gedijt Geert Wilders beter dan Femke Halsema en Mark Rutte beter dan Job Cohen.

Daar zal links een antwoord op moeten vinden. De Amerikaanse president Barack Obama kan wat dat betreft als voorbeeld dienen. Hij was zich namelijk bewust van het feit dat mensen niet alleen werkbare oplossingen van een politicus verlangen, maar ook inspirerende vergezichten. Daarom spiegelt hij zijn gehoor doorlopend idealen voor, in de wetenschap dat die idealen in praktijk nooit zullen worden bereikt. ‘Don’t tell me words don’t matter’, antwoordde hij zijn rivale Hillary Clinton, toen ze hem betichtte van te mooie praatjes. Dat zouden de pvda, d66 en GroenLinks ter harte kunnen nemen. Anders gezegd: maak ook eens een Fitna, maar dan over hoe ons land in 2050 verduurzaamd is in plaats van geïslamiseerd.