ISLAMITISCHE SYMBOLEN IN DE  TACHTIGJARIGE OORLOG

Liever Turks dan paaps

De Nederlandse ‘vrijheidsstrijders’ van het eerste uur droegen islamitische leuzen en symbolen: ze waren ‘liever Turcx dan Paeps’. Protestantse rebellen lieten zo weten dat ze de tolerantie van de islamieten verkozen boven de katholieke repressie.

In het voortwoekerende debat over de Nederlandse identiteit wordt regelmatig teruggegrepen op de Tachtigjarige Oorlog, de vrijheidsstrijd die aan het begin stond van de Nederlandse natie. Het is daarom een fraaie ironie dat de ‘vrijheidsstrijders’ van het eerste uur, de edelen, de hageprekers én de geuzen zich voorzagen van islamitische leuzen en symbolen. Zij waren ‘liever Turcx dan Paeps’. Die strijdkreet, en de halve-maanvormige geuzenpenning, waarvan een hedendaagse replica tot de populairste items uit de Rijksmuseumwinkel behoort, was meer dan alleen een uiting van bravoure, gericht tegen een orthodox katholieke regering.

Het begin van de oorlog tegen Spanje, die officieel werd beëindigd met het Verdrag van Münster in 1648, wordt gewoontegetrouw in 1568 geplaatst, het jaar dat Willem van Oranje zich openlijk als leider van het verzet opwierp. Tachtig jaar klinkt nu eenmaal een stuk dramatischer voor een oorlog dan 67 of 82. De aanvang van het conflict is met evenveel recht en reden in 1566 te plaatsen, het jaar van de Beeldenstorm. Aan die orkaan van agressie en vernielzucht (de eerste heiligenbeelden en reliquiaria gingen op 10 augustus van dat jaar voor de bijl) ging een aantal significante gebeurtenissen vooraf.

Op 4 april 1566 overhandigde een gezelschap van tweehonderd lagere Nederlandse edelen, die zich het jaar daarvoor hadden verenigd in een eedverbond of Compromis, een smeekschrift aan de regentes van de Spaanse koning, Margaretha van Parma. Hun verzoek tot verlichting van de religieuze vervolgingen was weliswaar gepast nederig ingekleed, maar de landvoogdes moet zich toch nogal bedreigd hebben gevoeld. Ter geruststelling, en volgens goed politiek gebruik van die tijd, vond een van haar raadslieden, waarschijnlijk de seigneur De Berlaymont, het nodig om de smekelingen te kleineren: ‘Quoi, Madame, peur de ces gueux!?’ oftewel: bedelaars. Nog diezelfde dag, tijdens een overvloedig banket, eigende de leider van het compromis, Hendrik van Brederode, zich die sneer toe bij wijze van eretitel. Bovendien liet Brederode, die minstens zo dronken was als de rest van het inmiddels driehonderd man sterke gezelschap, alle aanwezigen in een wonderlijk soort politieke ceremonie uitrusten met de attributen van landlopers. De naam, geuzen, werd al snel gemeengoed, en gebruikt om alle opstandelingen aan te duiden, terwijl het dragen van allerlei geuzenparafernalia, tot oorbellen in de vorm van bedelnappen toe, de dernier cri werd onder hun sympathisanten.

Een dergelijke omkering – want natuurlijk beschouwden de heren van het Compromis zichzelf allesbehalve als landlopers en schooiers – paste uitstekend in de tamelijk tweeslachtige retorische traditie van dat moment, waar de omkering juist als symbool fungeerde voor het tegenovergestelde, terwijl de spottende toon het mogelijk maakte anderszins onacceptabele kritiek toch te uiten. Veel minder bekend, en zeker nog minder onschuldig, is de ongewone haardracht die de edelen zich hadden aangemeten: bij een verder gladgeschoren gezicht droegen ze een forse snor ‘naer de ghewoonte der Turcken/ opgeheset ende omgewronghen’. Een duidelijker klap in het gezicht van Filips II, en grenzend aan hoogverraad, was nauwelijks denkbaar; de voornaamste vijand van het Habsburgse Spanje was immers het Ottomaanse rijk.

Weliswaar was het Ottomaanse rijk in de tweede helft van de zestiende eeuw over het hoogtepunt van zijn macht heen, het werd door de christelijke vorsten van Midden- en West-Europa nog altijd als een zeer reële bedreiging ervaren. Met Istanbul als centrum van de macht strekten de Ottomaanse gebieden zich uit over driekwart van de Middelandse-Zeekust, en ze omvatten vele tientallen bevolkingsgroepen. Het zestiende-eeuwse gebruik van de benaming ‘Turk’ of ‘Turks’ is dan ook niet op te vatten in de hedendaagse zin als inwoner van, of afkomstig uit, het hedendaagse Turkije. Al door de Jeruzalemvaarders, de pelgrims naar het Heilige land, werd ‘Turk’ zonder verder onderscheid gebruikt als synoniem voor ‘islamiet’, en dat zal in de zestiende eeuw niet veel anders zijn geweest. In de christelijke propaganda van de vijftiende en zestiende eeuw werd ‘de Turk’ stereotiep afgeschilderd als onberekenbaar, wreed en gewelddadig.

Een beroep op een alternatief, en veel verdraagzamer beeld dan dat van de Turca Terribilis werd gedaan door het dragen van een ander islamitisch kenteken: dat van de halve maan. Na het aanbieden van het smeekschrift door de edelen liepen de spanningen zienderogen op. Vanaf het voorjaar durfden protestantse predikers, waarvan de beruchte Herman Moded wel de meest charismatische was, het aan om openlijk te preken in de landerijen rond Antwerpen. Deze hagepreken werden bijgewoond door steeds grotere menigten. Volgens ooggetuigen droegen sommige van de toehoorders halve-maanvormige insignes op hun mouw gespeld, en werden er na afloop, wanneer men en masse naar de stad terugkeerde, liederen gezongen met het refrein: ‘Halve manen op de mouw, liever Turksch dan Papauw’. Die voor de katholieken negatief uitpakkende vergelijking tussen katholiek en Turks, of mohammedaans, komt ook in latere geuzenliederen keer op keer voor. In het randschrift van de bekende halve-maanvormige geuzenpenning is meestal een vergelijkbaar devies aan te treffen, zoals ‘Liever Turx dan Paus 1574/ Spijt al haer Misse 1574’. De penningen worden herhaaldelijk vermeld door Spaanse informanten en gezaghebbers, onder meer door De Requenses, de gematigde opvolger van de hertog van Alva. Bij het ontzet van Leiden, dat belegerd werd door de Spanjaarden, droegen de manschappen van geuzenleider Louis de Boisot eveneens zilveren halve manen op hun kleding. Diezelfde halve maan tooide ook de vaandels van de geuzenschepen. Van een in Leiden bewaard ornament met een niet toevallig zwaar besnorde koperen halve maan is de functie niet helemaal duidelijk, maar mogelijk was het een vaandelbekroning.

Het devies en de insignes, die in groten getale moeten zijn gemaakt, zijn natuurlijk een uiting van bravoure, een belediging van het katholieke gezag. Maar ze werden ook gebruikt om te verwijzen naar de tolerantie waarvan men geloofde dat de Turken, de moslims, die op religieus gebied tentoonspreidden. Onder de sultan werd niemand vervolgd om zijn geloof; joden en christenen mochten tegen betaling van een kleine belasting, of een boete zo men wil, hun geloof belijden onder bescherming van de overheid.

Dat het beeld van de Turca Terribilis zo werd bijgesteld, had gedeeltelijk te maken met een betere kennis van het Oosten, die sinds het begin van de zestiende eeuw beschikbaar kwam uit reisverslagen, pamfletten en kronieken. Ook afbeeldingen ontbraken niet, en een wel heel frappant voorbeeld is de prentreeks Les Moeurs et façons des Turcs, die Karel V’s hofschilder Pieter Coecke van Aelst in Antwerpen had laten uitgeven na zijn deelname aan het eerste Spaanse gezantschap naar het hof van de Grote Turk in Istanbul in 1533. De prenten waarop de gewoonten en klederdrachten van de Turken stonden afgebeeld, konden aan elkaar gemonteerd worden tot een meterslang panorama.

De leus gaat terug op een wijdverbreide literaire traditie, waarin de betekenis van het ‘liever Turcx dan Paeps’ zich weinig rechtlijnig lijkt te hebben ontwikkeld. Vanaf de jaren zestig van de zestiende eeuw werd het door vriend en vijand veelvuldig geciteerd en geparafraseerd om aan te geven dat de protestantse rebellen de tolerantie van de islamieten verkozen boven de katholieke repressie. Frans Volckertsz. Coornhert, broer van de bekende Dirck Coornhert, verwerkte het idee in een betoog over tolerantie in zijn in 1586 in Amsterdam gepubliceerde Cort onderwijs eens liefhebbers des welstandts deser Nederlanden.

De bijna verdrietige constatering dat het beter zou zijn om onder Turks bewind te leven is nog eerder te vinden bij niemand minder dan Erasmus. De strekking van diens ‘liever Turcx dan Paeps’ is duidelijk negatiever: die volgt op de zorgen die hij zich maakt over de hoognodige maar veel te gebrekkig uitgevoerde hervormingen van de katholieke kerk, neergeschreven in een brief aan de Engelse bisschop van Rochester uit 1519. Griekse vluchtelingen uit het in 1453 voor de Turken gevallen Constantinopel moeten de schakel tussen Erasmus, maar ook andere humanisten, en de oorsprong van de leus gevormd hebben. Zij konden uit de tweede of derde hand navertellen dat de Byzantijnen – in de hoop steun te krijgen van Italiaanse zijde – in 1452 in een als zeer vernederend ervaren knieval het primaat van Rome hadden erkend en de zogenaamde Unie (van de christelijke kerk) hersteld. Het mocht niet baten, want de steun van het Westen bleef uit. In het gezicht van de nederlaag zou de admiraal en schoonvader van de laatste christelijke keizer van Byzantium, Loukas Notaras, het handjevol Romeinse versterkingen hebben toegebeten dat hij de stad nog liever onder het gezag van de Turkse tulband zag dan onder dat van de baret van de paus. Dat belette de Turken overigens niet om hem, en eenieder die ze tegenkwamen, grondig af te slachten.

In het devies van de opstandelingen tegen het Spaanse gezag liggen alledrie besloten: uitdaging, kritiek op de kerk van Rome, en het verlangen naar religieuze tolerantie.

Het is verleidelijk te denken dat dat verlangen naar religieuze tolerantie een rol heeft gespeeld bij de naamgeving van ten minste een drietal dorpen in Vlaanderen en Zeeuws Vlaanderen: Turkeije(n). Tenminste één van die namen, dat van Turkeije vlak bij Terneuzen, stamt uit de late zestiende eeuw. De andere twee Turkeijes liggen bij Antwerpen en Oostende. Het is precies deze regio die lange tijd het toneel vormde van de dan weer kwakkelende dan weer oplaaiende strijd tussen katholieke en hervormingsgezinde partijen.

Met hun Turkse snorren lieten de edelen als eersten zien dat zij speelden met het idee van rebellie. Dat bleef niet beperkt tot symboliek. De opstandelingen zouden pogingen gedaan hebben om een bondgenootschap te sluiten met de Ottomanen. Geen onlogische stap, want in een voor de hand liggende verdeel-en-heerspolitiek maakte de Verheven Porte er een principe van om protestantse partijen te steunen, zij het vooral in Midden-Europa. In de geschiedschrijving worden de Nederlandse toenaderingspogingen veelal afgedaan als een behoorlijk irreëel streven, en de precieze omvang ervan is schimmig. Tussen 1565 en 1582 zou er sporadisch contact met de sultan zijn geweest, meestal om financiële steun te vragen. In 1569 vaardigde Willem van Oranje een gezant af naar Constantinopel, waarop de sultan in 1570 een steunbrief stuurde. In alle gevallen bleef daadwerkelijke hulp uit. Echter, de pogingen werden indertijd kennelijk niet zó irreëel gevonden dat de Habsburgers een reactie op de geruchten achterwege konden laten. In 1585 werd een pamflet, De Copye, Van den Brief, die den grooten Turck ghesonden heeft, aen de Conincklijkcke Maiesteyt van Spaegnien, verspreid waarin de goede betrekkingen van Spanje met de sultan werden benadrukt. De titel van een in 1597 verschenen boek van twee katholieke Engelse ballingen, William Rainolds en William Gifford, waarin zij het in hun ogen perverse verbond tussen protestanten en de volgelingen van Mohammed aanvallen, gaf aan deze betrekkingen zelfs een zestiende-eeuwse benaming: calvinoturcisme.

Vond de aan de islam ontleende symboliek ook zijn weg naar de zogenaamde ‘hogere’ kunsten? Dat is moeilijk na te gaan. Al vanaf het begin van de zestiende eeuw worden er op allerlei manieren Oosterlingen op prenten en schilderijen afgebeeld, ‘naar het leven’. Veelal om bijbelverhalen meer kleur te geven, maar ook als ‘illustratie’ bij verslagen van reizen of militaire campagnes, en natuurlijk altijd als ‘curiositeit’, om de nieuwsgierigheid te prikkelen.

In een stuk als dit is het heel makkelijk om deze symboliek meer nadruk te geven dan ze in werkelijkheid, uitgedrukt in feitelijke invloed op de strijd, had. Meer dan symboolwaarde hebben de halve manen, de snorren, en het ‘liever Turcx dan Paeps’ nauwelijks gehad. Dat die symbolen van bravoure en tolerantie toch grote waarde hadden, is echter alleen al aan het gedrag van de edelen af te lezen. Symbolen zijn niet onschuldig. Misschien moeten ‘onze islamitische medeburgers’ daarom maar en masse naar het Rijksmuseum gaan, om daar een replica van ‘onze’ geuzenpenning met halve maan en opschrift ‘liever Turcx dan Paeps’ aan te schaffen.

Dorien Tamis is kunsthistorica te Wieringerwaard