2400 jaar volk en politiek

Liever welvaart dan macht

Na het democratische Athene van rond 400 voor Christus is het westerse volk slechts speelbal geweest van geestelijken, elites en dictators. Als het al macht kreeg, was het maar al te bereid die weer uit handen te geven.

Medium groene vdheijden

‘ASH-SHA'B yurid isqat an-nizam’ - wie dit zinnetje in Google tikt, krijgt duizenden verwijzingen. Wie ditzelfde doet met Arabisch schrift ‎(الشعب يريد إسقاط النظام)) krijgt er zelfs bijna vijf miljoen. Voor zover te achterhalen was het in januari van dit jaar voor het eerst massaal te horen in Tunesië. Duizenden schreeuwden het op de Avenue Habib Bourguiba. Vervolgens klonk het op het Tahrir-plein in Caïro, daarna elders in Egypte. Vanhier sloeg het over naar Bahrein, Jemen, Libië, Syrië en Libanon: het volk wil de regering ten val brengen.
Het is vermoedelijk de laatste keer in de geschiedenis dat die magische klank met zo veel passie uitgeschreeuwd werd: het volk. Maar het was natuurlijk verre van de eerste keer dat dit gebeurde. Van de vroegste oudheid tot het meest recente heden heeft 'het volk’ een politieke rol gespeeld en in nogal wat gevallen, denk aan de moord op de gebroeders De Witt, de bestorming van de Bastille en talloze opstanden uit de negentiende en twintigste eeuw, de verhoudingen daadwerkelijk op z'n kop gezet.
Toch heeft dat volk - ik laat de noodzakelijke aanhalingstekens verder maar achterwege - zelden de politieke koers bepaald en nog minder vaak de dienst uitgemaakt. Dat gebeurde en gebeurt hoogstens bij monde ervan. De reden ligt voor de hand: het volk vormt een te grote en te ongeordende groep om beleid te maken en kan dus niet anders dan vertegenwoordigd worden. Maar die vertegenwoordigers zijn het volk niet. Sterker nog, voor zover veralgemenisering mogelijk is, zou je zelfs kunnen stellen dat zij zich juist van het volk onderscheiden, ook en misschien wel vooral als zij eruit voortkomen. Van dit laatste zijn legio illustraties: Joseph Stalin bijvoorbeeld, de voormalige Roemeense dictator Nicolae Ceausescu en Moammar Kadhafi. Stuk voor stuk noemden zij zich volksjongens, pretendeerden te spreken 'in naam van’ het volk maar deden vervolgens al het mogelijke om te illustreren hoe ver zij hun afkomst achter zich hadden gelaten. Vandaar de gouden voederbakken van de honden van Ceausescu, de pompeuze villa’s van de Kadhafi’s en de vijf of zes uur durende maaltijden met telkens nieuwe tafelkleden van Stalin. Het kan niet anders dan dat het volk in de mond van dergelijke figuren middel werd, instrument: om macht uit te oefenen, een tegenstander te bestrijden of doelstellingen te verwezenlijken.
Er is, eventueel op onze sterk gemediatiseerde samenleving na, in de westerse geschiedenis eigenlijk slechts één plek en één moment te bedenken waarop het volk als fysiek fenomeen en als stem min of meer samenvielen. Dat is, vreemd genoeg, lang geleden: in het Athene van rond 400 voor Christus, de tijd van Plato, Socrates, Thucydides en Aristoteles, al was ook daar van democratie in onze betekenis van het woord geen sprake - slaven, buitenlanders en vrouwen waren van invloed uitgesloten. De verklaring hiervoor ligt in een unieke combinatie van twee factoren. De ene is dat de Atheense politiek zich in een betrekkelijk kleine ruimte afspeelde - de stadstaat Attica, een gebied kleiner dan Friesland - met als gevolg dat de lijnen kort waren en elk van de dertig- tot vijftigduizend politiek gerechtigden de vinger aan de politieke pols kon houden. De tweede factor is gelegen in het systeem dat mede hierdoor mogelijk werd: een volksregering in de ware betekenis van het woord. In Athene werd elk lid van de demos geacht eens in de zoveel tijd als woordvoerder of bestuurder op te treden. Ook kon hij bij elke beslissing zijn stem doen gelden. Aldus vielen fysieke aanwezigheid en politieke vertegenwoordiging op ongekende wijze samen.
Enkele experimentele momenten uitgezonderd is een dergelijke situatie sindsdien nooit meer voorgekomen en is er, behalve tijdens uitbarstingen, bijna altijd in instrumentele zin van het volk sprake geweest. Fraai en veelzeggend in dat verband zijn de woorden van een raadsheer van Karel de Grote uit ongeveer 800 na Christus: vox populi, vox Dei, de stem van het volk is die van God. Dat was temeer een slimme gedachte omdat volgens de destijds heersende opvatting slechts een minuscuul aantal mensen in staat was die goddelijke stem te beluisteren. Op aarde vertegenwoordigden zij dus niet alleen God, zij vertegenwoordigden ook nog eens het volk, kortom, zij hadden het op alle gebied voor het zeggen.
In deze situatie kwam gedurende vele eeuwen nauwelijks verandering. Weliswaar wisselden de woordvoerders elkaar af - nu eens waren zij gezalfde koningen, dan weer vereerde geestelijken, op de ene plek kleine elites, op de andere dictators - vanuit het perspectief van het volk maakte het weinig uit. Het was en bleef speelbal. De staat ben ik, zei Lodewijk XIV, maar hij bedoelde meer dan je op basis van onze uitleg van het begrip 'staat’ (= regering) zou denken. Staat en natie liepen in elkaar over. Lodewijk XIV vereenzelvigde zich niet alleen met de top, hij vereenzelvigde zich ook met de basis, hij wás het volk, het volk was hem. Het is natuurlijk onzin en dat zou tachtig jaar na zijn dood, met de executie van zijn achterkleinzoon op het schavot van de Franse Revolutie, ook blijken. Maar het was wel onzin die door zo goed als iedereen aanvaard werd.

VOLGENS EEN vrij algemeen aanvaard beeld duurde het tot ver in de achttiende eeuw dat in deze situatie verandering kwam. Doorslaggevend voor dat beeld is de dissertatie die de Duitse filosoof Jürgen Habermas in 1962 publiceerde: Strukturwandel der Öffentlichkeit, Untersuchungen zu einer Kategorie der bürgerlichen Gesellschaft. Hoewel dit boek in de eerste bijna dertig jaar van zijn bestaan buiten Duitsland weinig invloed had, veroorzaakte het na de publicatie van de Engelse vertaling in 1989 zoiets als een kleine revolutie en stimuleerde duizenden artikelen en andere boeken, zo veel dat een kenner van de materie het onlangs tot de meest invloedrijke dissertatie ooit uitriep.
Hoewel ook eerder in de twintigste eeuw al een aantal spraakmakende werken over de volksstem en de publieke ruimte was verschenen - van de Amerikaan Walter Lippmann in 1922, de Duitser Fernand Tönnies in hetzelfde jaar en de Fransman Maurice Halbwachs in 1925, niet toevallig alle drie gepubliceerd op een moment dat de westerse samenleving in snel tempo democratiseerde - wist men in academische kring niet goed raad met dergelijke fenomenen. Ze werden als te abstract ervaren, te ongrijpbaar ook, te groots. Maar Habermas bracht duidelijkheid door publieke opinie zowel in de tijd als in de ruimte een plek te geven: Europa, achttiende eeuw. Tot het moment dat een deel van de burgerij elkaar in salons, koffiehuizen, genootschappen en concertzalen ontmoette, meningen vormde en deze met de bedoeling invloed uit te oefenen in kranten en tijdschriften openbaar maakte, zo stelde hij, was er van volksstem in de politieke betekenis van het woord geen sprake. Dat veranderde vanaf dat moment; pas toen ook begon het democratiseringsproces.
Hoewel deze opvatting in afgelopen decennia door tallozen bijgesteld is, staat de kern ervan nog altijd. Ook over de ontwikkeling sindsdien bestaat een redelijke mate van consensus: wat in de achttiende eeuw in kleine kring begon, zou gedurende de daaropvolgende tweehonderd jaar voor een steeds grotere groep gelden; steeds meer mensen beseften dat hun stem telde, steeds ruimer ook werden de mogelijkheden om daadwerkelijk politieke invloed uit te oefenen. La liberté guidant le peuple heet het beroemde schilderij dat Delacroix enkele tientallen jaren na de Franse Revolutie maakte. Het toont het volk dat over een berg lijken en met zwaarden of geweren in aanslag een vrouw volgt, de vrijheid. Zij is halfnaakt, heft met de rechterarm de tricolore en draagt in de linkerhand het geweer.
Zestien jaar later, tijdens de revoluties van 1848, was het weer raak en werd zelfs van een Printemps des peuples gesproken - geen Arabische maar een volkse lente: in heel Europa kwam het volk in opstand. Eenmaal zover, halverwege de negentiende eeuw, was het woord uit politiek en pers niet meer weg te slaan, niet alleen in Frankrijk maar ook elders in Europa niet, en verschenen ontelbare boeken, pamfletten en krantenartikelen waarin het volk de hoofdrol speelde. Zijn ideale maar voorlopig nog toekomstige rol werd perfect verwoord door de zestiende president van de Verenigde Staten, de eerste ook die zeggenschap had over een land waarin in theorie elke inwoner een stem had omdat slavernij was afgeschaft: Abraham Lincoln. Keer op keer bezong hij de zegeningen van de democratie oftewel de voordelen van een regering 'van het volk, door het volk en voor het volk’.
Kort na de Eerste Wereldoorlog werd ook in Europa geoogst wat gedurende ruim 150 jaar gezaaid was en werd in tal van landen algemeen kiesrecht ingevoerd. Spoedig hierop bleek dat dit medezeggenschapsrecht beslist geen garantie was voor democratie ofwel dat het volk maar al te bereid was zijn zojuist verworven stem meteen weer uit handen te geven. 'Aufruf an das Deutsche Volk’ luidde Hitlers eerste speech als kanselier. Hij werd met groot enthousiasme ontvangen. Duitsland zou - vergelijk het met het Frankrijk van Lodewijk XIV - één zijn: Ein Volk, ein Reich, ein Führer. In buurland Rusland was de situatie nauwelijks anders. 'Stalin redder van het volk’ of een variant hiervan stond op ontelbare plakkaten en in even zovele boeken, pamfletten en kranten. De fraaie zinsnede betekende hetzelfde als in Duitsland, en het tegenovergestelde van wat gesuggereerd werd: dictatuur.

DAT HET VOLK in een recent verleden maar al te bereid is geweest zijn macht uit handen te geven, is een refrein van de twintigste-eeuwse geschiedenis. Maar terwijl we hierover in geval van fascisme, communisme en andere dictatoriale systemen terecht zeer kritisch zijn, zijn we heel wat minder alert waar het de eigen politiek betreft. Want het blijkt zeer wel mogelijk de stem te gebruiken en toch nauwelijks of geen politieke rechten uit te oefenen. Dat was de grote desillusie van de intellectuele groep waartoe Habermas behoorde, dat ook is de boodschap van de scherpzinnige novelle die Aldous Huxley op een cruciaal moment in de moderne geschiedenis publiceerde - in 1932 namelijk, toen het voor de moderne democratie erop of eronder was. Want wat bleek, althans volgens Huxley in Brave New World en volgens van oorsprong Duitse intellectuelen van de Frankfurter Schule als Erich Fromm in Escape from (Fear of) Freedom (1942) en Max Horkheimer en Theodor Adorno in Dialektik der Aufklärung (1944-1947): dat het volk voor politiek nauwelijks belangstelling had en ook in de westerse wereld zijn rechten maar wat graag inruilde voor 'belangrijker’ zaken als welvaart, gemak en vermaak. Daardoor was het politieke moderniseringsproces zoals dat eind achttiende eeuw begon op z'n minst problematisch.
Huidige tendensen - zoals de neiging te kiezen voor de kudde, te verlangen naar het nest van een eigen gemeenschap (met uitsluiting van anderen) en de bewondering voor populisten en populistische politiek - illustreren dat de ontwikkeling nog altijd verre van eenduidig is. Anders dan de Griekse bedenkers van het systeem bedoelden, anders ook dan de democraten gedurende tweehonderd jaar hoopten, liggen formele en feitelijke democratisering niet vanzelfsprekend in elkaars verlengde. In zoverre drukken recente ontwikkelingen in de Arabische wereld ons opnieuw met de neus op de feiten. In Tunesië behaalde de gematigd islamitische partij Ennahda de meerderheid, in Libië is aangekondigd dat de sharia voorlopig uitgangspunt zal zijn voor de opbouw van het land en in Egypte zouden islamisten het roer wel eens in handen kunnen krijgen. Als instrument is het volk onverminderd krachtig, maar zijn stem blijft zwak. In de loop van de eeuwen is er minder veranderd dan we zouden willen.