Liever zelfzorg dan zorg uit de winkel

Het geloof in de zegeningen van werk lijkt vrijwel onaantastbaar. Als het aan de overheid ligt, moet ieder die even in staat is het ene been voor het andere te krijgen intreden (jongeren), herintreden (vooral vrouwen) dan wel ophouden met denken aan uittreden (ouderen). Naarstig wordt intussen gespeurd naar mogelijkheden om ‘nieuw’ betaald werk aan te boren. De laatste vondst op dit gebied is de markt van de persoonlijke dienstverlening. De gedachte ligt voor de hand. Tweeverdieners hebben veel geld, maar weinig tijd. Dat betekent een latente markt voor poetsers, klussers en kinderverzorgers.

Een markt die maar liefst 45.000 volledige banen groot is, zo berekende de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktbeleid vorig jaar. Wie durft er nog te zeggen dat volledige werkgelegenheid een onbereikbaar doel is geworden? Het samenlevingsmodel dat uit dergelijke filosofieen resulteert, is er een waarin alle vormen van arbeid, tot die in de prive-sfeer toe, uiteindelijk via de markt worden georganiseerd en afgerekend.
Er is ook een andere oplossing denkbaar. Die gaat ervan uit dat betaald werken niet alleen zaligmakend is, dat werken en zorgen bij elkaar horen. En waarin de manager (m/v) die luiers verschoont en het toilet reinigt, niet alleen wordt beschouwd in termen van produktiviteitsverlies. Het aardige is dat ook deze zienswijze aan kracht en betekenis wint. De afgelopen week kondigde minister Melkert een Wet op de Loopbaanonderbreking aan. Werknemers krijgen het recht tijdelijk hun betaalde baan te onderbreken. Om de inkomensachteruitgang te beperken, krijgen ze gedurende de onderbreking een subsidie of een fiscale tegemoetkoming plus de garantie dat ze na een aantal jaren mogen terugkeren in hun oude bedrijf. Voorwaarde is dat de vrijgekomen baan door een werkloze wordt bezet. De werknemer die vrij neemt wordt geacht te gaan ‘zorgen’.
Het verschil in de twee benaderingswijzen is duidelijk. In het eerste geval, de produktiviteitsbenadering, is zorg slechts laaggekwalificeerde arbeid die de beschikbaarheid van goed opgeleide werknemers beperkt en derhalve beter kan worden uitbesteed aan een groep die anders toch niet inzetbaar is, een benadering die zijn spiegelbeeld vindt in de onderwaardering van zorgarbeid als zodanig. In het tweede geval wordt zorgen juist opgewaardeerd als werk dat, buiten de produktieve sfeer, bijdraagt aan de kwaliteit van het bestaan.
Hoe zal die verhouding bij invoering van de wet komen te liggen? Een indicatie is wellicht de gang van zaken in Denemarken. De Denen kennen beide modellen: een wet die ouders de mogelijkheid biedt een jaar lang betaald ouderschapsverlof te nemen als een werkloze hun baan vervult. En dienstenwinkels die persoonlijke diensten aanbieden, commercieel en gesubsidieerd. Wat blijkt? In 1994 maakten 80.000 mensen gebruik van betaald ouderschapsverlof - overigens vooral vrouwen, dat wel -, terwijl de dienstenwinkels tot nu toe niet verder kwamen dan 2000 deeltijdbanen. De Denen lijken dus liever zelf te zorgen dan dat aan anderen over te laten. Misschien ligt het ontspannen arbeidsbestel dichterbij dan menigeen denkt.