Media

Lifestyle-journalistiek

Toen ik een kleine tien jaar geleden bij de School voor Journalistiek in Utrecht ging werken, leefde daar een vrij traditioneel beeld van het vak. Het was sterk gericht op de geschreven pers en ging ervan uit dat de belangrijkste taak het leveren van nieuws en achtergrond was. Daarover werd her en der wel gemopperd, vooral door studenten, maar niemand waagde het de knuppel in het hoenderhok te gooien. Tijdschriftjournalistiek bijvoorbeeld leidde in feite op voor werk bij de opiniebladen. Dat die bladen een minuscuul deel uitmaakten van de markt wist iedereen, maar toch: we waren een school voor journalistiek en dat was een vak dat door ‘die andere bladen’ niet bedreven werd. Die maakten, ja wat maakten ze eigenlijk? Plaatjes en praatjes, zoiets. Publieksjournalistiek werd en wordt dat wel genoemd, woord en beeld waarin niet de boodschap van de journalist maar de wens van het publiek centraal staat. De journalist als een soort multimediale diskjockey - u vraagt, wij draaien - en dat leverde een totaal ander soort journalistiek op dan de klassieke.
Die plaatjes en praatjes gingen zelden over politiek, bijna nooit over ingewikkelde maatschappelijke thema’s en niet over verleden of toekomst. In plaats hiervan draaiden ze om het heden, genieten, uiterlijk, woninginrichting, beroemdheden, hebbedingetjes en andere 'bijkomstigheden’. Daar hield een serieuze journalist zich niet mee bezig.
Ondertussen werd, zonder dat we het echt in de gaten hadden, de grond onder deze denktrant stukje bij beetje weggegraven. Het begon ermee dat de studenten toch steeds vaker over andere thema’s begonnen te schrijven (filmen, radio maken), thema’s die tot genoemde bijkomstigheden behoorden. Principieel viel daar weinig tegen in te brengen. De dingen van alledag waren immers ook een object van de journalistiek - en door de democratisering steeds meer. Het ging erom hoe je ermee omsprong. Goede research, hoor en wederhoor, een stevige opbouw. Als een verhaal aan dergelijke eisen voldeed was het, onafhankelijk van het thema, in orde. Maar onwillekeurig ontpopte zich te midden van die andere inhoud een andere toon, een andere methode, een andere doelstelling, kortom een ander soort journalistiek. De studenten, eenmaal een stap in deze richting gezet, drongen steeds sterker aan op verandering en de docenten gaven onwillekeurig toe. De studenten, merendeels jonge vrouwen, hadden weinig belangstelling voor de klassieke journalistieke thema’s en ambieerden vaak een baan bij een publieks- of een vakblad. Daarin hadden ze om zakelijke redenen gelijk. Bij Sanoma en vergelijkbare bedrijven was werk terwijl opiniebladen inkrompen. Als je in de tijdschriftjournalistiek je brood wilde verdienen, kon je je dus beter op een ander segment richten dan waarvoor de scholen voor journalistiek opleidden. Bij kranten en publieke omroepen gebeurde iets vergelijkbaars, zij het dat men daar in een van de vele pogingen het tij te keren eveneens water bij de wijn deed. De principiëlen onder ons kostte het mede daardoor steeds meer moeite de poot stijf te houden.
De ontwikkeling in journalistiek en maatschappij kreeg zijn weerslag in leerplan- en andere commissies. Oeverloos werd gepraat over aanpassingen van het curriculum en de gevaren dat het kind met het badwater verdween. De aanpassingen kwamen, het kind bleef, althans het behield de oude naam (journalistiek) maar veranderde toch van gedaante. Die verandering is ondertussen zo ver voortgeschreden dat mij onlangs gevraagd werd een hoorcollege lifestylejournalistiek te verzorgen. Ik had dat begrip nog nooit gehoord en vermoed dat het eigenlijk een contradictie bevat. Lifestylebladen zijn immers aan alle kanten lek naar reclame en reclame en journalistiek staan traditioneel op gespannen voet met elkaar. Aan de andere kant is het steeds moeilijker te ontkennen dat een zeer groot deel van de huidige media, zeker in de bladenmarkt, zich bezighoudt met zoiets als lifestyle, dat een groot aantal studenten van hbo-opleidingen daar terechtkomt en dat het dus nogal pedant en student-onvriendelijk is daarvoor de neus op te halen. De oplossing is er, denk ik, maar één, de reeds genoemde: ervan uitgaan dat de onderwerpen, doelstellingen en vormen van de journalistiek veranderlijk zijn maar dat de methode dezelfde blijft. Helaas is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. Dat hadden we al gemerkt: dat met de inhoud ook de vorm verandert. Bovendien raakt dit antwoord niet de kern van de zaak. Want wat als 'lifestylejournalisten’ gevraagd wordt gewoon een leuk stukje te schrijven over de vakantiereizen van aanbieder X of de zomermode van fabrikant Y? Niks check en dubbelcheck, niks feiten. Beredeneerde reclame, meer niet. Studenten afraden daaraan mee te doen? Toch de neus ophalen terwijl je weet dat 'de markt’ zijn gang gaat. Het is grappig, maar niet gek, hoe vaak ik bij de oorlog uitkom. Het is de problematiek van burgemeester in oorlogstijd. Hij verlaat je niet.