Lijd ik aan ressentiment?

Ressentiment: het is het modewoord van tegenwoordig.
Iedere keer wanneer het woord voorbij komt, volgt er al snel een discussie over Wilders en zijn volgelingen.
Die volgelingen hebben last van ‘ressentiment’. Het zijn zwakken (slaven, werknemers) die haatgevoelens koesteren tegen de sterken (de overheid). En die zwakken hebben ook een zondebok (moslims). En die zwakken zoeken steun bij een leider (Wilders). En die leider voedt de vergiftigde moraal die bij de zwakken leeft, want de leider legt ook de schuld bij de overheid en de moslims.
Nietzsche light.
Het gekke is dat zo’n redenering – ik las hem in Trouw, ik hoorde hem voor de televisie – mij meer dan wat dan ook in de armen drijft van Wilders. En wel om de reden dat Wilders voortdurend wijst op een falende overheid – zoals elke parlementariër eigenlijk behoort te doen. En hij geeft niet de schuld aan moslims, hij geeft juist de schuld aan een overheid die rond de moslims destijds de verkeerde beslissingen heeft genomen. Wilders is niets anders dan een gewone gekozen volksvertegenwoordiger, niet meer en niet minder. Hij heeft opvattingen die je afschuwelijk en vreeswekkend kunt vinden, maar die opvattingen verschillen in vreeswekkendheid niet van opvattingen die liberalen hebben over socialisten, en vice versa.
Niet zo heel lang geleden, ik schat een jaar of veertig, werden huizenbezitters nog ‘fascisten’ genoemd.
Als Wilders dus aangevallen wordt, luister je goed, en als je het dan niet met de aanval eens bent, denk je: misschien moet ik toch eens Wilders gaan stemmen.
Omdat Theo van Gogh vijf jaar geleden werd vermoord – een lustrum schijnt een soort ijkpunt te zijn – word ik weer regelmatig geïnterviewd. En natuurlijk gaat het dan om wat ik van de islam en Wilders vind.
‘Ga jij op Wilders stemmen?’ Ik heb op deze plek al eens over dat vreemde verschijnsel geschreven.
Zoals gezegd, ga ik (nog) niet op Wilders stemmen, maar het vreemde is dat ik niet één journalist ken die openlijk zegt: ‘Ja, ik voel er eigenlijk wel voor. Wilders heeft gelijk.’ Juist in journalistieke kringen is er een beduchtheid om dat te bekennen. En dat is toch raar. Uittreden uit de linkse kerk is veelzeggend ingewikkeld: je kunt er misschien wel je baan en je vriendenkring mee verliezen.
PvdA, VVD, GroenLinks, D66, SP, CDA, CU – geen journalist die zich schaamt voor zo’n partijkeuze. Maar bij de PVV ligt dit anders. Wel bijna de grootste partij, maar niet één journalist van wie we weten dat hij PVV’er is.
Ressentiment? Ikzelf merk dat ik nauwelijks meer over politiek durf te praten, want het verpest de sfeer.
Maar ik ben geen rancuneuze burger die zich door de linkse kerk geschoffeerd voelt en vindt dat de overheid bestaat uit zakkenvullers – ik houd mezelf voor aandachtig en kritisch, voor rationeel en redelijk, maar juist dan is mijn uitkomst: blijf weg van de gevestigde politieke orde.
Laatst weer eens een hele dag naar politiek in de Tweede Kamer gekeken (naar aanleiding van de beslommeringen betreffende het koningshuis) en ik schaamde me bijna voor het feit dat er vrijwel niet één werkelijk kritische vraag werd gesteld (wie zit er in het bestuur van de stichting van WA, waar is die stichting gevestigd?, et cetera et cetera). Politiek is cabaret geworden met oneliners en props (‘Al deze rapporten, mevrouw de voorzitter…’, et cetera et cetera. En dan die rapporten ook laten zien).
Nog afgezien van het feit dat de politiek, in weerwil van wat men beweert, eigenlijk helemaal niet discussieert over de islam.
De film Fitna ‘sluit mensen uit’ (doen de films van Michael Moore dat dan niet?) maar het debat over wat en hoe wordt maar door een klein groepje mensen gevoerd.
Lijd ik nu aan ressentiment of aan een gefrustreerd kritisch vermogen?