Het altruïstische brein

Lijden aan de pijn van een ander

De mens is de mens een wolf. Is dat zo? We zien voorbeelden van alledaags aardig gedrag eenvoudig over het hoofd. Ze zijn simpel in handeling maar komen voort uit complexe motivaties. En ze weerleggen het beeld van de mens als egoïst.

Medium groene 20altruistische 20brein 20 color

In januari 2007 staat Wesley Autrey met zijn dochters te wachten op de metro in New York. Plotseling voltrekt zich een ramp voor zijn ogen: een jongeman krijgt een epileptische aanval en valt op het spoor. Zonder erbij na te denken springt Autrey van het perron en probeert hij de man er weer op te tillen. Dat lukt niet, en onder het fluiten van de aanstormende trein kiest hij voor een onmogelijk plan B: de jongen tegen de grond drukken op de nauwe strook beton tussen beide sporen in. Dat gaat ternauwernood goed. Smeerolie van de metromotor blijft achter op Autrey’s jas, en New York is een held rijker.

Ik had dit stuk natuurlijk kunnen beginnen met voorbeelden van de mens op z’n slechtst: diefstal, haat, moord. Maar dat zouden voorbeelden zijn van een bekend verhaal. De mens is de mens een wolf, schreef Plautus al in de derde eeuw voor Christus. Achteloos kwaad vinden we overal in de geschiedenis, van de slavernij tot de genocide in Rwanda en de wreedheden van IS. Volgens de biologie is de mens dan ook geëvolueerd in een nietsontziende survival of the fittest.

Wie zijn mensbeeld daaraan ontleent zal de actie van Autrey niet begrijpen. Waarom zou een zelfzuchtig individu zijn leven in de waagschaal stellen om dat van een ander te redden? En inderdaad, als je het zo formuleert kan ik geen reden bedenken – tenzij Autrey van tevoren al wist dat hij, eenmaal beroemd, overladen zou worden met cadeaus.

Het is een stuk waarschijnlijker dat Autrey in de kern van zijn wezen niet volledig zelfzuchtig is. En dat geldt natuurlijk voor de meesten van ons. Waarom houden we de deur open voor een ander en brengen we een gevonden portemonnee terug naar de rechtmatige eigenaar? Hoe verklaar je dat een zzp’er in de Coffee Company met een gerust hart zijn laptop door een andere klant kan laten bewaken terwijl hij het toilet bezoekt? Zulke voorbeelden van alledaags aardig gedrag – altruïsme, vertrouwen, wederkerigheid – zijn talrijk maar zijn eenvoudig over het hoofd te zien. Ze zijn simpel in handeling maar komen voort uit complexe motivaties. En ze stroken totaal niet met het mensbeeld dat uit de literatuur, de geschiedenis en de wetenschap is gesublimeerd: dat van de mens als egoïst.

Dat mensbeeld verdient herziening. Empathie is net zo’n natuurlijke functie van ons brein als taal of geheugen, en altruïsme zit ons in de genen. De strijd om evolutionaire fitness is dan ook niet zo gemeen als vaak wordt gedacht. Hij is juist amoreel. Fitness is niets anders dan het reproductieve succes van een individu of een bepaalde eigenschap. Of het daarbij om een vriendelijke of wrede eigenschap gaat maakt voor het principe van evolutie niets uit.

Toegegeven: er zijn genoeg situaties te noemen waarin agressie de fitness verhoogt. Bij de Siamese kempvis, bijvoorbeeld, slaan de mannetjes elkaar de minuscule hersens in om een vrouwtje te versieren. Een pacifistische kempvis zal in zo’n omgeving zijn genen minder snel doorgeven, waardoor vredelievendheid – en genen die er de aanzet toe geven – moeilijk voet aan de grond krijgt in de aard van dit dier.

Soms is agressie echter niet de handigste eigenschap. Soms is zelfopoffering effectiever. Een mooi voorbeeld daarvan vind je bij mieren, bijen en wespen. Deze dieren zijn eusociaal, wat wil zeggen dat hun samenleving georganiseerd is volgens een hardvochtig kastenstelsel. Er worden in elke generatie maar enkele vrouwtjes geboren die zich later zullen voortplanten: de koninginnen. De rest van de dames (en de meeste heren) slooft zich een leven lang uit voor het voortbestaan van de kolonie zonder ooit zelf kinderen te krijgen. Oneerlijk? Voor mensen misschien. Maar vanuit het oogpunt van de genen van de bij is het geen enkel probleem. Het dna van werkbijen komt in zulke mate overeen met dat van de koninginnen dat de fitness van werkbijen stijgt als de koningskinderen gezonder zijn. Dat de werkbij zelf niet betrokken is bij de voortplanting maakt voor haar genen weinig uit, en dus is extreem altruïsme voor haar een levensvatbare strategie.

Een cynicus zou concluderen en dat ‘echt altruïsme’ niet bestaat, omdat aardigheid indirect de fitness verhoogt

Ergens tussen de kempvis en de werkbij staat de mens. Bij ons is een familieband geen vereiste voor aardig gedrag. Maar ook ons altruïsme verhoogt onze fitness. Als naastenliefde leidt tot liefde van naasten is ze immers nuttig voor jezelf, of die naasten nou familie zijn of niet. Door een relatie van wederzijds altruïsme op te bouwen met de buurman kom je verder dan door alleen met hem te vechten.

Samenwerking kan ook indirect verlopen: ik help de buurman, hij helpt zijn nichtje en dat nichtje helpt mij, zonder dat we dit van tevoren hadden afgesproken. Zulke coöperatieve ketens verhogen de fitness van ieder individu in een groep, maar ontstaan alleen als de meeste mensen hulpvaardig ingesteld zijn. Een populair idee in de evolutionaire psychologie is dan ook dat een groep waarbinnen de leden elkaar graag bijstaan een betere kans heeft op voortbestaan dan een groep waarin wantrouwen de boventoon voert.

Bij indirecte samenwerking dreigt alleen één gevaar: potverteerders. Om misbruik te voorkomen moet je van alle anderen in je groep bijhouden of ze te vertrouwen zijn. Dat is voor een primitief brein een hele uitdaging. Zo’n uitdaging zelfs, dat je aan de hand van de groepsgrootte van een apensoort goed kunt inschatten hoe ver zijn brein ontwikkeld is. De Britse antropoloog Robin Dunbar ontdekte dit begin jaren negentig: hoe meer soortgenoten je in het dagelijks leven tegenkomt, hoe groter de buitenste hersenschors is ten opzichte van de dieper geleden hersengebieden. Met die hersenschors kun je van al je kennissen bijhouden of je wel op ze kunt bouwen. Lichaam en cultuur groeien dus hand in hand om sociaal gedrag mogelijk te maken.

Een cynicus zou uit bovenstaande voorbeelden concluderen dat ‘echt altruïsme’ niet bestaat, omdat aardigheid indirect de fitness verhoogt en dus nuttig is voor het individu. Dat is een verleidelijke maar verkeerde conclusie. Op individueel niveau zijn altruïstische neigingen immers lang niet altijd nuttig. Hoe realistisch is het om te zeggen dat Wesley Autrey stiekem gedreven werd door eigenbelang? Hij riskeerde zijn leven om een onbekende man te redden, en daar is niets zelfzuchtigs aan. Eerder lijkt het te gaan om een instinctieve handeling: ik moet mijn medemens redden!

Doordat altruïsme de fitness verhoogt zit het inmiddels als instinct in ons brein verankerd. En dat betekent dat we ernaar handelen, zelfs als we onszelf daarmee benadelen. Zoals we zingen onder de douche omdat het lekker is, zoals we rennen in het bos omdat het goed voelt, zo verspillen we ook tijd en energie en zelfs gezondheid aan het helpen van de medemens. De Nederlandse psycholoog Nico Frijda zei: een onderbenut talent wordt vanzelf een motivatie. Met naastenliefde is het precies zo.

In 2006 gaf de Braziliaanse neurowetenschapper Jorge Moll zijn proefpersonen ieder 128 dollar. Van dat geld mochten ze, liggend in de mri-scanner, telkens kleine beetjes doneren aan een goed doel of zelf houden. Moll mat hun hersenactiviteit terwijl ze hun keuzes maakten. Wat bleek? Precies dezelfde hersengebieden werden actief wanneer de proefpersonen geld weggaven als wanneer ze geld uit het experiment ontvingen. Een van deze gebieden was het ventral striatum, een bekend onderdeel van het beloningssysteem in het brein. En hoe hoger de activiteit in het ventral striatum op het moment dat de proefpersonen doneerden, hoe groter het totale aantal donaties dat ze maakten. Moll en zijn collega’s concludeerden dat het klassieke beloningssysteem in het brein, waarvan al jaren bekend was dat het reageerde op lekker eten, seks en geld, óók betrokken was bij het fijne gevoel dat geven kan veroorzaken.

Op basis van Molls onderzoek kun je opperen dat het brein net zo reageert op de winst van een ander als op de winst van jezelf. Dat is niet eens zo’n gek idee. Het onderzoeksteam van Giorgio Rizzolatti in Parma had al enkele jaren voor Moll laten zien dat het brein de bewegingen van andere mensen spiegelt in de motorische hersenschors. Je hersenen genereren dus continu interne simulaties van andermans acties, en die helpen je om de ander te begrijpen.

Het ene moment huilen we bij een bioscoopfilm, het volgende moment lopen we een rillende dakloze voorbij

De laatste tien jaar is steeds meer bewijs geleverd dat het simuleren van andermans leefwereld een belangrijke rol speelt in altruïsme. Zo is er een gebied van de hersenen dat boven in de temporaalkwab ligt, vlak naast de oren: de posterior superior temporal cortex (pSTC). Dit stukje brein is actief betrokken bij het herkennen van agency: een eigen wil en doel in het gedrag van een ander. En in 2007 ontdekten onderzoekers van Duke University in de VS dat je op basis van de reactiviteit van dit hersengebied kunt voorspellen hoeveel altruïsme mensen in hun dagelijks leven tentoonspreiden. Om altruïstisch te zijn moet je andere mensen kunnen begrijpen en inzien dat ze een eigen leefwereld hebben. Daarbij helpt het spiegelen van Moll en Rizzolatti, net als de agency-herkennende pSTC.

Begrijpen wat de ander doet is niet genoeg – je moet het ook kunnen voelen. Pas als je op emotioneel gebied kunt ervaren wat een ander meemaakt kun je spreken van volledige empathie. Gelukkig is ons brein een expert op dit gebied. We simuleren niet alleen elkaars bewegingen, maar ook elkaars emoties. Dankzij onderzoek van de Leipziger hoogleraar Tania Singer weten we bijvoorbeeld dat emotiecentra in het brein net zo reageren op de pijn van een geliefde als op onze eigen pijn. En bij een studie in Frankrijk bleek dat dezelfde stukken van de hersenen actief zijn wanneer je een smerige geur ruikt als wanneer je iemand anders op een filmpje ziet walgen.

Het brein is dus continu bezig het gedrag en het gevoel van de rest van de wereld te simuleren, en dat stelt ons in staat om empathisch te zijn. Maar deze empathie is niet onvoorwaardelijk. Singer en haar collega’s lieten al in 2006 zien dat de reactie van het brein op de pijn van een ander minder groot is als die ander jou vlak voor het experiment oneerlijk heeft behandeld. En vier jaar later bleek dat bij voetbalsupporters de neurale respons veel kleiner is als een supporter van het rivaliserende team pijn heeft dan als een supporter van de eigen club aan het lijden is. Je voelt vooral mee met je vrienden, en dat werkt in het brein net zo.

Afnemende empathie tussen rivaliserende supporters is redelijk onschuldig, maar hetzelfde systeem treedt in werking wanneer we te maken hebben met bijvoorbeeld daklozen of verslaafden. De Leidse neurowetenschapper Lasana Harris onderzocht dit zo’n tien jaar geleden. Hij liet zijn proefpersonen in de mri-scanner kijken naar foto’s van ouderen, atleten, bankiers en daklozen. Hij ontdekte dat de respons in de medial prefrontal cortex van het brein nagenoeg gelijk was voor ouderen, atleten en bankiers, maar dat de foto’s van daklozen geen activiteit veroorzaakten in dit gebied. De foto’s riepen juist activiteit op in de insula, hetzelfde gebied als in de Franse walgingsstudie.

Harris omschrijft daklozen als een extreme outgroup: mensen die je absoluut niet als gelijken ziet. En hier slaat hij de spijker op z’n kop. Ons brein is prima in staat om lief te zijn voor mensen uit de eigen ingroup, want wat zij meemaken wordt in ons eigen hoofd automatisch gespiegeld. Maar mensen uit een andere klasse worden gedehumaniseerd – we zien ze niet langer als mens, laat staan als mens met gedachten en emoties. De empathische bodem wordt daarmee uit het schip van altruïsme geslagen. Hierdoor is het mogelijk dat we het ene moment huilen bij een bioscoopfilm en het volgende moment een bibberende dakloze zonder blikken of blozen voorbij lopen. Geen wonder: onze sociale neigingen zijn alleen ontstaan om samenwerking binnen de eigen clan mogelijk te maken.

Is begrensde empathie een probleem? Volgens Harvard-hoogleraar Joshua Greene wel. Hij stelt in zijn recente boek Moral Tribes dat de mensheid geen harmonie zal bereiken zolang we blijven leunen op onze ingebakken morele intuïties. Hij pleit voor een hogere vorm van moraliteit, waarin het geluk van alle mensen gemaximaliseerd moet worden, ongeacht de groep waar ze toe behoren. We moeten volgens Greene berekenend omgaan met morele onenigheid en daartoe onze morele reflexen beteugelen.

Maar het onderdrukken van een instinct is makkelijker gezegd dan gedaan. Liefde voor de ingroup en haat voor de outgroup zijn allebei talenten van ons brein en zullen linksom of rechtsom een weg naar buiten vinden. Het heeft waarschijnlijk meer kans van slagen om te proberen de grenzen van je ingroup naar buiten toe te verleggen. Psychologisch onderzoek uit de VS toont al aan dat hardnekkige groepsgrenzen, zoals etniciteit, in experimentele setting flexibel zijn.

Politici als Geert Wilders hebben echter het tegenovergestelde doel. Zij verminderen de empathie van de kiezer door onpersoonlijke woorden als ‘tsunami’ te gebruiken wanneer het over vluchtelingen gaat. Zo houden ze de ingroup die ze ‘Nederland’ noemen kunstmatig klein. De reden hiervoor is de angst dat vluchtelingen ‘testosteronbommen’ zijn die onze cultuur het liefst met huid en haar verslinden. Wilders ziet vluchtelingen blijkbaar nog steeds als wolf. In reactie hierop vertoont de andere kant van het politieke spectrum vergelijkbare trekjes. Op 7 december twittert het Gelderse Provinciale-Statenlid Eric Venema (pvv): ‘Even naar de #albertheijn voor de laatste boodschapjes. Krijg ik weer de Islam in mijn gezicht geblaft. #hoofddoek #kassa #islamisering.’ Duidelijk een dehumaniserende boodschap. Maar de reacties zijn dat ook: ranzige xenofoob, lul, varkenskop. Een kennis schreef onlangs op Facebook dat de achterban van Donald Trump net zulke garbage is als de taal die de Amerikaanse presidentskandidaat uitslaat. De boodschap: aanhangers van de populistische rechterflank zijn geen mensen – het zijn wolven.

De angst voor de ander is een selffulfilling prophecy. Het enige wat mensen ertoe drijft om zich als wolven tot elkaar te verhouden is een strakke scheiding tussen wij en zij, en die ontstaat juist wanneer we bang zijn dat de ander zich als wolf gedraagt. Ons mensbeeld is bepalend voor ons handelen. Hoog tijd dat we wetenschappelijke inzichten meenemen in de manier waarop we onszelf – en de ander – zien.

Jeroen van Baar is promovendus aan het Donders Instituut voor Hersenen, Cognitie en Gedrag te Nijmegen. Zijn werk richt zich op de oorsprong van aardig gedrag in het brein. In 2014 verscheen zijn boek De prestatiegeneratie: Een pleidooi voor middelmatigheid