Nobelprijs voor Elfriede Jelinek

Lijden aan Oostenrijk

De Nobelprijs voor Elfriede Jelinek is vooral een prijs voor het politieke engagement van een linkse, feministische schrijfster.

Oostenrijkse schrijvers en de Nobelprijs voor literatuur; het was een onvruchtbare relatie. Arthur Schnitzler heeft hem nooit gekregen, en evenmin Robert Musil of Hugo von Hofmannsthal, Rainer Maria Rilke, Franz Werfel, Stefan Zweig. Ook Thomas Bernhard, om dichter bij de huidige tijd te blijven, ontving hem niet. Maar nu dus wel Elfriede Jelinek. Dit lijkt erop te duiden dat haar literaire talent groter is dan dat van de eerder genoemden. Dat is zeker niet het geval. Vandaar dat ook vrijwel niemand verwacht had dat zij de prijs zou winnen. Wat de jury in Stockholm kennelijk vooral heeft beïnvloed is het politieke engagement van deze linkse, feministische schrijfster. Dit engagement heeft ze overigens gemeen met haar Duitse collega Günter Grass, die in 1999 werd onderscheiden met de Nobelprijs voor literatuur.

Ofschoon Jelinek zegt niet van haar land te houden, is zij toch een typisch Oostenrijkse schrijver, want die haat-liefdeverhouding tot Oostenrijk is iets wat veel Weense literaten heeft gekenmerkt. Karl Kraus in zijn legendarische tijdschrift Die Fackel en zijn gigantische drama Die letzten Tage der Menschheit, Arthur Schnitzler in zijn toneelstukken als Reigen en Professor Bernhardi of zijn roman Der Weg ins Freie, Robert Musil in zijn Mann ohne Eigenschaften: ze hebben allen op hun manier de gevestigde burgerlijke samenleving in Wenen en daarbuiten een spiegel voorgehouden. Na de oorlog was het vooral Thomas Bernhard die de Oostenrijkers hard heeft aangepakt en voor schandalen zorgde, vooral in het theater, waarbij de aangevallen burgerij en politiek zich soms danig weerden.

Jelinek heeft zichzelf geplaatst in de lijn van Kraus, Joseph Roth en Franz Kafka, maar vult de literaire traditie op haar geheel eigen, zwartgallige manier in. Haar meest geliefde stijlmiddel is dat van de dramatisch toegespitste overdrijving. De mens is slecht, de wereld is kapot en het komt nooit meer goed, is haar boodschap. In haar pessimisme schildert ze een samenleving waarin niemand kan en wil leven. Elke nuancering ontbreekt en daardoor overtuigt Jelinek zelden. Want is de wereld werkelijk zo gitzwart?

Haar radicale feminisme is ook niet vol te houden. Zo zei ze eens: «Of de vrouw nu winnares van de Nobelprijs of mannequin is, ze moet zich op de markt van de lichamen presenteren. Op die markt heeft de intellectuele vrouw meestal een geringere waarde dan een vrouw die zich gemakkelijker tot een object laat maken.» Nu ze zelf de Nobelprijs heeft gewonnen, kan ze dat moeilijk staande houden.

Het citaat stamt uit 1987, toen in Nederland de vertaling verscheen van Die Klavierspielerin, een gruwelijke roman over een tirannieke moeder, een masochistische dochter en een verwoestende strijd tussen man en vrouw. De roman werd enkele jaren geleden verfilmd. De pianiste heeft, zo bleek later, duidelijk autobiografische trekken: Jelinek heeft het over haar zelfverminking, haar Selbsthass, haar vreugdeloze, prestatiegerichte opvoeding en haar haat tegenover haar moeder.

Het is verleidelijk de wortels van dit schrijverschap te zoeken in Jelineks jeugd: haar veeleisende, dominante moeder en een vader die ze in wezen vroeg verloor. De begaafde chemicus Jelinek, van Tsjechisch-joodse afkomst, overleefde de holocaust, maar werd in de jaren vijftig krankzinnig. De schrijfster moet deze dagen op de Oostenrijkse radio, gevraagd naar de «hartstochtelijke woede» in haar werk waarover het Nobelprijscomité spreekt, hebben geantwoord: «Het was misschien de wens de vader te willen wreken, mijn leven lang.»

Maar in haar romans woedt toch allereerst de oorlog der geslachten met de vrouw als eeuwig slachtoffer. In 1989 verscheen de choquerende roman Lust, met daarin al het verborgen leed in Oostenrijks bedden. De centrale boodschap: liefde tussen man en vrouw is onmogelijk, omdat die altijd uitdraait op geweld, mannelijk geweld. Mannelijke en vrouwelijke seksualiteit sluiten elkaar uit, want de lust van de man gaat ten koste van die van de vrouw.

Paradoxaal is dat Jelinek zich in feite moest bedienen van een mannelijke taal. «Ik wilde een vrouwelijke taal voor de obsceniteit vinden», zei ze eens, «en ontdekte dat dat niet gaat, omdat niet is voorzien in de mogelijkheid dat een vrouw over seksualiteit spreekt.»

De vraag is gerechtvaardigd of Die Klavierspielerin en vooral Lust, de romans waarmee Jelinek in de jaren tachtig grote bekendheid verwierf, al niet gedateerd waren op het moment dat ze verschenen. In 1989 was de feministische strijd al vele jaren aan de gang, maar voor Jelinek was er nog altijd niets veranderd in de oorlogs toestand tussen man en vrouw.

Benadrukt moet worden dat Lust verder reikt dan seksuele onderdrukking door de man. Jelinek heeft de hele Oostenrijkse samenleving in het vizier. Ze wil aantonen dat de mensen elkaars gevangene zijn geworden en vervreemd zijn geraakt van hun eigenlijke bestemming door reclame, consumentisme en stompzinnige televisie. Ze zijn bezeten geraakt van sport. De boeren bewerken het land niet meer, maar kijken tv. De Alpen worden vernield door skiënd stadsvolk dat droomt van olympisch goud en een snelle carrière.

Deze hele, tot de ondergang gedoemde wereld heeft Jelinek gepakt in haar omvangrijke, in 1995 verschenen roman Die Kinder der Toten. In deze roman van 666 pagina’s wordt eigenlijk geen verhaal verteld, de teksten staan geheel in dienst van Jelineks poging de absurditeit van het «moderne» leven aan te tonen. Alles wat volgens haar in Oostenrijk aan de schandpaal genageld moet worden, komt aan de orde. De lezer krijgt een breed en chaotisch mozaïek voorgezet en moet leren dat in de Oostenrijkse provincie de levenden dood zijn en de doden leven. Jelinek experimenteert naar hartelust met taal, woorden en beelden, maar net als in Lust moet geconstateerd worden dat haar taalgebruik soms al te gekunsteld is. In de brede stroom van woorden en woordspelingen raakt de lezer snel verward en haakt af.

In Die Kinder der Toten gaat het onder meer om het lang verdrongen Oostenrijkse verleden. Dat kwam al aan de orde in haar toneelstuk Burgtheater (1985) over het nazi-verleden van enkele gevierde Oostenrijkse toneelspelers. Het leidde tot de op niets gebaseerde aantijging dat ze schuldig was voor de dood van Attila Hörbiger. In de roman schrijft ze ironisch: «De Oostenrijkse geschiedenis wil niet dat we in de spiegel kijken, ze wil eenvoudig niet dat wij geloven dat er iets (plasticfolie en beeldbuizen) zou zijn tussen ons en haar. Ze wil zich met ons verzoenen. Bravo! Uitstekend. En uitgerekend deze plaats, waar hoogstens beelden kunnen leven, hebben de doden uitgezocht om weer tevoorschijn te komen.»

De doden laten opstaan om iets duidelijk te maken over het heden: Jelinek deed dat ook in het stuk Totenauberg, een titel die verwijst naar Todtnauberg, de plaats in het Zwarte Woud waar de filosoof Martin Heidegger zich graag terugtrok.

De afgelopen jaren heeft Jelinek zich vooral verzet tegen Jörg Haider en zijn rechts-populistische FPö. Haider noemde ze eens een «jonge nazi» en de «leider van een homo-erotische mannenbond» en toen in 2000 de FPö ging deelnemen aan de regering in Wenen bevond de mensenschuwe Jelinek zich onder de demonstranten tegen de «zwart-blauwe» coalitie. «Ik bespeur een fysieke angst», zei ze toen, en ze verbood de opvoering van haar toneelstukken in Oostenrijk. Het was de angst voor een nieuw fascisme. Het gevaar Haider was minder groot dan het leek. Het verbod geldt niet meer.

Haar aanvallen op het wegpoetsen van het «bruine» verleden en de Oostenrijkse politiek maakten Jelinek allerminst geliefd bij haar landgenoten. Ze kreeg het etiket nestbevuiler opgeplakt. Maar nu ze de Nobelprijs heeft gewonnen, lijkt Oostenrijk haar alsnog te willen omarmen; de verloren dochter is nu toch een van ons, bewoners van het alpenland, en vooral van de Steiermark, waar Jelinek in 1946 in Mürzzuschlag werd geboren. De Nobelprijs bevestigt de huichelarij binnen een deel van het Oostenrijkse establishment die Jelinek steeds aan de kaak heeft gesteld. Alleen de FPö houdt vol dat de schrijfster Oostenrijk door het slijk heeft gehaald.

Of de Nobelprijs veel zal veranderen? Lijden aan Oostenrijk en lijden aan haar persoonlijke lot zijn tot nu toe haar deel geweest. «Ik zou graag een wezen zonder lichaam zijn of verbranden als een stuk zijdepapier», zei ze in 1990. Maar misschien denkt de gelauwerde daar nu anders over.