Hoofdcommentaar

Lijden onder godslastering

reageer online

De wet inzake smalende godslastering – artikel 147 uit het Wetboek van Strafrecht – heet een dode letter te zijn. De Tweede Kamer meent nu dat het verbod op spot met God best kan worden geschrapt.

Natuurlijk kan het wieden van anachronismen in het wetboek op z’n tijd geen kwaad. Maar de vele woorden die gesproken worden over artikel 147 laten zien dat dit artikel allerminst een stille dood gestorven is. Deze discussie markeert de breuklijnen van de seculiere staat, zet partij-ideologische principes op scherp en legt de broze cohesie tussen de coalitiepartners ChristenUnie, cda en PvdA bloot. Waarom zet de politiek uitgerekend haar tanden in dit wetsartikel, en juist nu?

Decennialang heeft niemand zich hierom bekommerd. De ontkerkelijking is gepaard gegaan met blasfemie. Om te kunnen breken met een diepgewortelde, of vanuit de familie opgelegde, levensovertuiging was het soms nodig om luid en duidelijk ‘vadermoord’ te plegen. Jezus Christus aan het kruis, God, Maria – ze konden verdommen in het antireligieuze klimaat dat eind jaren zestig in Nederland ontstond. Mensen die daaronder te lijden hadden, moesten maar tegen een stootje kunnen.

Werd het te gortig, dan was er artikel 147, geïnitieerd in 1932 door de toenmalige minister van Justitie Jan Donner. In 1968 werd hierop een beroep gedaan, toen Gerard (van het) Reve in Nader tot u zich de wederkomst van God op aarde verbeeldde als een ezel die hij, nadat hij in janken zou uitbarsten, in zijn slaapkamertje drie keer langdurig achter elkaar in zijn geheime opening zou bezitten. De schrijver werd vrijgesproken, net als Theo van Gogh in 1995, toen hij werd aangeklaagd door de Bond tegen het Vloeken wegens zijn uitspraak ‘christenhonden’ voor een ‘supportersvereniging van die rotte vis van Nazareth’.

Vooral het ezelsproces wordt dezer dagen aangehaald om aan te geven dat artikel 147 uit de tijd is. Bovendien, zo stellen nu de seculiere partijen – PvdA, d66, SP, vvd en GroenLinks – is het onderscheid tussen krenking van godsdienstige gevoelens en andere soorten belediging volstrekt overbodig. Andere wetsbepalingen over beledigen en kwetsen van groepen bieden voldoende bescherming voor iedereen, ongeacht of men zich beroept op een god, een heilig opperwezen of godsdienstige tradities. Artikel 1 van de grondwet waarborgt de vrijheid van godsdienst. De extra wettelijke bescherming van gevoelens van religieuzen is voor andere levensbeschouwelijke stromingen dus eigenlijk discriminerend.

Als we consequent redeneren, betekent dat inderdaad: of afschaffing of verbreding van artikel 147, zoals justitieminister Hirsh Ballin (cda) nu heeft voorgesteld. Hij gaat onderzoeken of het verbod kan worden uitgebreid om bescherming te bieden aan andere levensbeschouwingen. Hij zei: ‘Er is geen enkele reden om Allah er buiten te houden.’

De discussie in de Kamer lijkt op zelfkastijding, want beide opties leiden tot politieke schade. Hirsch Ballins ‘onderzoek naar verbreding’ is een heilloze weg. De vraag wat kan worden beschouwd als een levensbeschouwing is van filosofische aard. Scientology? Multiculturalisme? Humanisme? Communisme? Ga er maar aanstaan als rechter.

Het is bovendien vreemd dat Hirsch Ballin expliciet stelt dat de islam in deze veranderende tijden dezelfde bescherming verdient als men destijds beoogde te bieden aan christendom en jodendom. Hoezo? Valt de islam als een van de drie monotheïstische godsdiensten dan niet onder het verbod op godslastering? Artikel 147 stelt bij de bepaling ‘misdrijven tegen de openbare orde’ onder meer een verbod op ‘smalende godslastering als die in het openbaar wordt geuit en krenkend zijn voor godsdienstige gevoelens’ en ‘bespotting van predikanten, priesters en dergelijke in de waarneming van hun bediening’. En op ‘het uitgeven en ten gehore brengen van godslasterlijke publicaties’. Hierop staat maximaal twee maanden gevangenisstraf of een geldboete.

Delicten tegen de islam zou je met deze wet kunnen aanpakken. Is dat niet wat we zo graag willen: dat wanneer moslims zich beledigd voelen, door bijvoorbeeld spotprenten van de profeet Mohammed of door het verscheuren van het heilige boek, zij niet opgehitst heethoofdig de straat op gaan of het mes trekken, maar naar de rechter stappen?

Als het Wetboek van Strafrecht daarin nu exclusief voor religieuzen voorziet, dan is het politiek én psychologisch niet tactisch om dit wetsartikel uitgerekend aan de vooravond van de inmiddels mondiaal verwachte film Fitna te willen afschaffen. Het is opportuun dit ‘onkruid’ niet nu te willen wieden.

Dit wetsartikel is bovendien een toetsingsinstrument om vast te stellen dat smalen iets anders is dan kritiek op God en het geloof. Op dit laatste rust géén wettelijk verbod en dat is hét beginsel van de democratische rechtsstaat: vrij kritiek kunnen uiten en dit kunnen incasseren en met een weerwoord weerleggen.

De belangrijkste voorgestelde wetswijziging is dan ook die van GroenLinks-fractieleider Femke Halsema. Zij wil in het strafrecht mensen beschermen tegen dwang om een bepaalde godsdienst te blijven aanhangen. De vrijheid van godsdienst impliceert volgens haar ook de vrijheid om van overtuiging te veranderen. Of totaal van Allah los te raken.